Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Weer tolde de eindeloze baaierd van lichten, maar die verstilde toen ze de droom van een derde vrouw naderde. Heel behoedzaam. Er was zoveel tussen haar en Amys dat het heel sterk leek op het benaderen van de droom van haar moeder. Eigenlijk, moest ze zichzelf bekennen, wilde ze Amys evenaren. Ze verlangde evenzeer naar Amys’ achting als naar die van de Zaal. En als ze moest kiezen, gaf ze de voorkeur aan die van Amys. Er was in ieder geval geen enkele Gezetene die ze zo hoog aansloeg als Amys. Ze onderdrukte een plotselinge schroom en probeerde haar ‘stem’ wat zachter te maken maar dat hielp niet veel.
AMYS, IK BEN HET, EGWENE. IK MOET MET JE PRATEN.
We komen eraan, fluisterde een stem in haar. Amys’ stem. Geschrokken trok Egwene zich terug. Ze had zin zichzelf uit te lachen. Het was misschien maar goed eraan herinnerd te worden dat de ervaring van de Wijzen zich over eindeloos veel meer jaren uitstrekte dan die van haar. Soms was ze bang dat ze misschien bedorven was, doordat ze voor haar vaardigheid met de Ene Kracht niet zo hard had hoeven werken. Maar al het andere, alsof het evenwicht hersteld moest worden, leek af en toe op het beklimmen van een steile rotswand in een regenstorm.
Opeens ving ze beweging op aan het uiterste randje van haar gezichtsveld. Een lichtpuntje gleed door de zee van sterren, dreef uit eigen beweging naar haar toe en werd steeds groter. Maar één droom zou dat doen, één dromer. In paniek vluchtte ze weg, ze had graag een keel willen bezitten om te krijsen, te vloeken of gewoon te schreeuwen. Vooral het kleine hoekje van haar geest wilde blijven waar ze was en afwachten.
Zelfs de sterren bewogen deze keer niet. Ze verdwenen gewoon en ze stond hijgend tegen een dikke roodstenen pilaar geleund, alsof ze een span lang heel hard had gereden; haar hart klopte als een razende. Even later bekeek ze zichzelf en begon wat beverig te lachen, ondertussen trachtend weer op adem te komen. Ze droeg een gewaad met een lange rok van glanzend groene zijde, afgewerkt met gouddraad in brede, fraai geborduurde stroken over het lijfje en langs de zoom. Het lijfje liet ook aanzienlijk meer huid bloot dan ze in wakende toestand zou dragen, en een brede strakke gordel van geweven gouddraad maakte haar middel smaller dan het werkelijk was. Of was dat hier gewoon smaller? Hier in Tel’aran’rhiod kon je zijn hoe en wat je wilde zijn. Zelfs wanneer het een onbewuste wens was, als je niet oppaste. Gawein Trakand had een ongelukkige invloed op haar, een héél ongelukkige. Dat hele kleine stukje in haar had nog steeds graag door zijn droom ingehaald willen worden. Ingehaald en opgeslorpt. Als een droomloopster ontzettend veel van iemand hield, of een onredelijke haat koesterde – helemaal als dat gevoel wederzijds was – kon ze in de droom van die persoon worden getrokken. Zijzelf trok de droom aan of de droom trok haar aan, zoals een loodsteen ijzer aantrok. Van haat voor Gawein was bij haar zeker geen sprake, maar ze kon zich niet veroorloven in zijn droom gevangen te raken, niet vannacht, gevangen in het lichaam dat hij zag, tot hij ontwaakte. Wat veel mooier en knapper was, dan ze in werkelijkheid was. Vreemd, hij leek minder knap dan hij in het echt was. Aan een sterke geest of een sterke wil had je niet veel, wanneer zo’n sterke liefde je erin trok. Als je eenmaal in die droom zat, bleef je daar tot de ander niet meer over je droomde. De herinneringen aan wat hij droomde over wat hij met haar ging doen en wat ze in zijn dromen hadden gedaan, bezorgde Egwene vuurrood brandende blossen op haar wangen.
‘Maar goed dat niemand van de Gezetenen mij nu kan zien,’ mompelde ze. ‘Dan zouden ze me zeker een klein kind vinden.’ Volwassen vrouwen werden volgens haar niet week en droomden niet op die manier van een man. Vrouwen met gezond verstand in elk geval niet. Waar hij van droomde, zou gebeuren, maar op het tijdstip dat zij verkoos. Het krijgen van haar moeders toestemming zou lastig zijn, maar die zou het niet tegen willen houden, zelfs al kreeg ze Gawein nooit te zien. Marin Alveren vertrouwde op het oordeel van haar dochters. Nu werd het de hoogste tijd voor haar jongste dochter om iets van dat beoordelingsvermogen te tonen en die dagdromen voor betere tijden te bewaren.
Rondkijkend had ze toch wel liever over Gawein willen wegdromen. Overal om haar heen rezen dikke pilaren op die een hoog oprijzend koepelgewelf torsten. Boven haar hingen aan gouden kettingen vergulde lampen die niet brandden, maar er was ook zonder kaarsen en olie een soort licht, niet helder of vaag, het bestond gewoon. Het Hart van de Steen, diep in de enorme burcht die de Steen van Tyr werd genoemd. Of eigenlijk de weergave ervan in Tel’aran’rhiod, een beeld dat in veel opzichten even werkelijk was als de echte Steen. Hier had ze de Wijzen eerder ontmoet, het was hun plek. Het leek haar eigenlijk een vreemde plaats voor de Aiel. Ze zou Rhuidean hebben gedacht, nu die stad toegankelijk was, of een plek ergens in de Woestenij, of gewoon de plaats waar de Wijzen zich nu bevonden. Elke plek, behalve een Ogierstedding, had een weerspiegeling in de Wereld der Dromen – een stedding ook, maar die kon niet betreden worden, die was op dezelfde manier afgesloten als Rhuidean vroeger. Het kamp van de Aes Sedai was uiteraard onmogelijk. Een aantal zusters kon nu met behulp van een ter’angreaal de Wereld der Dromen betreden en aangezien niemand van hen eigenlijk besefte wat ze eigenlijk deden, ondernamen ze hun waagstuk in Tel’aran’rhiod vanuit het kampement alsof het een gewone reis betrof.
Volgens de wet van de Toren waren ter’angrealen evenals angrealen en sa’angrealen het eigendom van de Witte Toren. Het deed er niet toe wie ze momenteel bezat. De Toren maakte er zelden een punt van – zeker als ze waren opgeslagen in een ruimte als de Grote Borg, in deze Steen -, uiteindelijk zouden ze toch in handen van de Aes Sedai komen, en de Witte Toren kon zo nodig heel goed afwachten. Maar de angrealen die daadwerkelijk in handen van de Aes Sedai waren, waren schenkingen van de Zaal, van individuele Gezetenen. Leningen eigenlijk; ze werden bijna nooit gegeven. Elayne had geleerd droom-ter’angrealen na te maken, en zij en Nynaeve hadden er twee meegenomen, maar de rest was nu in bezit van de Zaal, evenals de andere soorten die Elayne gemaakt had. Met als gevolg dat Sheriam en haar groepje ze naar believen konden gebruiken. En in elk geval Lelaine en Romanda, hoewel die twee waarschijnlijk anderen stuurden in plaats van Tel’aran’rhiod zelf te betreden. Eeuwenlang had geen enkele Aes Sedai de droom meer betreden, en slechts kortgeleden was het voor het eerst weer gebeurd. Ze stuitten er op grote moeilijkheden, waarvan de meeste ontstonden door hun idee dat een Aes Sedai alles zelf kon leren. Desondanks waren Aes Sedai-gluurders wel het laatste dat Egwene vannacht bij haar ontmoeting wenste.
Alsof haar gedachte aan verspieders haar gevoeliger had gemaakt, werd ze zich ervan bewust door onzichtbare ogen bekeken te worden. Dat gevoel bestond altijd in Tel’aran’rhiod en zelfs de Wijzen wisten niet waarom. Hoewel er altijd verborgen ogen leken te zijn, konden er ook daadwerkelijk toeschouwers zijn. Het waren niet Romanda of Lelaine aan wie ze moest denken.
Met haar hand tegen de pilaar liep ze eromheen, terwijl haar ogen langzaam door het roodstenen woud gleden, dat in de zwarter wordende schaduwen verdween. Het licht rondom haar was niet echt. Iedereen in die schaduwen zou hetzelfde licht om zich heen zien, terwijl de schaduwen iedereen verborgen hielden. Er verschenen wel mensen, flikkerende beelden van mannen en vrouwen die zelden langer dan een paar tellen bestonden. Ze had geen belangstelling voor hen die de Wereld der Dromen in hun slaap aanraakten, want ieder kon er per ongeluk inkomen, maar gelukkig voor hen duurde dat uiterst kort, zelden lang genoeg om de gevaren het hoofd te hoeven bieden. De Zwarte Ajah bezat eveneens droom-ter’angrealen, gestolen uit de Toren, maar het ergste was dat Moghedien Tel’aran’rhiod even goed kende als elke droomloopster. Misschien wel beter. Ze hoefde er geen hand voor om te draaien om deze wereld met iedereen erin te overheersen.