Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Egwene wilde zichzelf voorhouden dat wat Selame als gehuiver zag in feite trillende woede was, maar ze voelde dat er een worm van vrees door haar maag kronkelde. Ze was al te ver gegaan en had nog te veel te doen om Nicola en Areina toe te staan een stok in haar wiel te steken.
Terwijl ze haar hoofd door de hals van het schone hemd wurmde, ving ze iets van het gebabbel van de magere vrouw op en keek haar met grote ogen aan. ‘Wat zei je? Ooienmelk?’
‘O, ja, Moeder. Uw huid is zo zacht en niets houdt die zo goed als een bad in ooienmelk.’
Misschien was ze echt achterlijk. Nadat ze de tegenstribbelende Selame naar buiten had gewerkt, borstelde Egwene zelf haar haren, zette haar veldbed goed, stopte de nu nutteloze a’dam-armband in het handgesneden ivoren kistje waarin ze haar weinige sieraden bewaarde, en blies de lampen uit. Helemaal zelf, met mijn eigen handen, dacht ze spottend in de duisternis. Selame en Meri zouden een toeval krijgen’. Voor ze zich echter te rusten legde, slofte ze naar de ingang en opende een klein spleetje tussen de tentflappen. Buiten hing de stilte van een kalme maanverlichte nacht, die werd verbroken door een nachtelijke reigerschreeuw die opeens in gekrijs overging. Even later bewoog zich iets in de schaduw van een tent aan de andere kant van de open plek. Het leek een vrouw.
Het kon Selame zijn, hoe achterlijk ze ook deed, maar evengoed de zuur kijkende Meri. Of nog iemand anders. Zelfs Nicola of Areina, al was dat heel onwaarschijnlijk. Ze liet de voorflap met een glimlach terugvallen. Wie de toeschouwster ook was, waar Egwene heen ging kon ze niet zien.
De manier waarop de Wijzen haar hadden geleerd zichzelf te laten slapen, was eenvoudig. Met gesloten ogen voelde ze hoe ieder deel van haar lichaam zich geleidelijk ontspande. Ze ademde gelijk op met haar hartslag, terwijl haar geest ongericht rondzwierf, met uitzondering van een klein hoekje in haar hoofd. Binnen enkele tellen werd ze overmand door de slaap van een droomloopster.
Vormloos zweefde ze in een oceaan van sterren, oneindig veel lichtpuntjes glinsterden in een oneindige zee van duisternis, ontelbaar veel vuurvliegjes flonkerden door een eindeloze nacht. Dat waren dromen, de dromen van iedereen die ergens lag te slapen, wellicht van iedereen in alle mogelijke werelden. Misschien was dit de leegte tussen de werkelijkheid en Tel’aran’rhiod, de ruimte die de wakende wereld scheidde van de Wereld der Dromen. Waar ze ook keek, verdwenen er tienduizenden vuurvliegjes doordat er mensen wakker werden en ontstonden er tienduizenden nieuwe om ze te vervangen. Een enorme, zich voortdurend wijzigende vertoning van fonkelende schoonheid.
Ze verknoeide echter geen tijd met bewondering. Het was hier vol gevaren en enkele daarvan waren dodelijk. Ze was er zeker van dat ze wist hoe ze die moest ontwijken, maar er was hier één gevaar dat recht op haar af zou komen wanneer ze te lang rondhing. Wanneer ze daarin verstrikt zou raken, zou het haar op zijn minst in grote verlegenheid brengen. Behoedzaam een oogje in het zeil houdend – als je hier kon spreken van ogen en zeilen – bewoog ze. Ze had geen gevoel van beweging. Ze leek stil te hangen en de glinsterende oceaan wervelde om haar heen tot er een lichtje onbeweeglijk voor haar bleef hangen. Ieder flikkerend sterretje leek precies op een ander, niettemin wist ze dat dit Nynaeves droom was. Hóé ze dat wist, was een andere zaak; zelfs de Wijzen begrepen niet hoe die herkenning mogelijk was.
Ze had overwogen Nicola’s en Areina’s dromen op te zoeken. Als ze die eenmaal had ontdekt, wist ze precies hoe ze de vrees van het Licht tot in hun merg moest laten doordringen, en het kon haar geen penner schelen dat zoiets streng verboden was. Ze was hier gekomen uit praktische overwegingen, niet uit vrees voor het verbodene. Ze had gedaan wat nooit eerder was gedaan en ze was er zeker van dat ze het zo nodig weer zou doen. Doe wat je moet doen, maar betaal de prijs ervoor. Dat had ze geleerd van dezelfde vrouwen die de verboden gebieden hadden aangeduid. Juist het ontkennen van schuld of de weigering die te delgen, veranderde noodzaak vaak in kwaad. Maar zelfs als die twee lagen te slapen, was het vinden van hun dromen de eerste keer op z’n best heel inspannend, terwijl je nooit zeker wist of het zou lukken. Dagenlange inspanningen – nachten eigenlijk – zouden heel waarschijnlijk niets opleveren. Dat was in elk geval zeker.
Langzaam kwam ze door de eeuwige duisternis naderbij, hoewel het wederom leek of zij stil hing en het lichtpuntje groeide: een gloeiende parel, een stralende appel, een volle maan, tot haar hele gezichtsveld helder was, de hele wereld licht. Ze raakte het echter niet aan, nog niet. Een ruimte dunner dan een haar bleef tussen hen bestaan. Uiterst zachtjes reikte ze over die kloof heen. Waarmee, nu ze geen lichaam had, was evenzeer een mysterie als hoe ze de ene droom van de andere kon onderscheiden. Door het te willen, zeiden de Wijzen, maar ze begrepen niet hoe dat mogelijk was. Ze raakte het licht aan alsof ze een vinger op een zeepbel legde. De glanzende muur glinsterde als gesponnen glas, klopte als een hart, teer en levend. Een iets steviger aanraking en ze zou in staat zijn ‘erin te kijken’ en te ‘zien’ wat Nynaeve droomde. Nog iets steviger en ze kon er daadwerkelijk binnenkomen en er deel van uitmaken. Dat leverde gevaren op, vooral als de dromer een sterke geest bezat, maar zowel het inkijken als het betreden van een droom kon je zeer in verlegenheid brengen. Als de dromer bijvoorbeeld toevallig droomde van een man waar ze bijzonder veel belangstelling voor had. Een verontschuldiging daarvoor kostte al een halve nacht. Met een soort hakkende beweging, alsof ze een breekbare knikker over een tafelblad rolde, kon ze Nynaeve in haar eigen droom sleuren, naar een deel van Tel’aran’rhiod waarin ze volledig de baas was. Ze wist zeker dat zoiets zou werken. Uiteraard was dat weer een van de verboden dingen en ze dacht niet dat Nynaeve het zou waarderen.
NYNAEVE, IK BEN HET, EGWENE. KEER ONDER GEEN VOORWAARDE TERUG TOT JE DE SCHAAL HEBT GEVONDEN. PAS NADAT IK EEN MOEILIJKHEID MET AREINA EN NICOLA HEB OPGELOST. ZIJ WETEN DAT JULLIE JE ALS ZUSTER HEBBEN VOORGEDAAN. IK ZAL HET UITLEGGEN WANNEER IK JULLIE DE VOLGENDE KEER IN DE KLEINE TOREN ZIE. PAS GOED OP. MOGHEDIEN IS ONTSNAPT.
De droom knipperde uit, de zeepbel was doorgestoken. Ondanks haar boodschap zou ze hebben gegiecheld wanneer ze een keel had gehad. Een lichaamsloze stem in je droom kon schokkend zijn, vooral wanneer je bang was dat de spreker ook naar binnen keek. Nynaeve was niet iemand die zoiets zou vergeten, zelfs niet als het per ongeluk gebeurde.
De met lichtjes bezaaide zee wervelde weer rond tot ze zich richtte op een tweede fonkelend speldenpuntje. Elayne. De twee vrouwen sliepen in Ebo Dar waarschijnlijk nog geen tien stappen bij elkaar vandaan, maar afstand had hier niets te betekenen. Of misschien had het een andere betekenis.
Ditmaal beefde en veranderde de droom, nadat ze haar boodschap had afgegeven. Uiterlijk was die nog hetzelfde, maar voor haar was de droom toch veranderd. Hadden haar woorden Elayne een andere droom gegeven? De woorden zouden echter blijven en bij het ontwaken herinnerd worden.
Nu de boogpezen van Nicola en Areina nat waren gemaakt, werd het tijd haar aandacht op Rhand te richten. Jammer genoeg was het vinden van zijn droom even nutteloos als het vinden van een Aes Sedai-droom. Hij schermde zich ongeveer net zo af als de zusters deden, hoewel een mannenschild blijkbaar verschilde van dat van een vrouw. Het schild van een Aes Sedai was een kristallen schaal, een naadloze bol geweven van Geest, maar al leek die nog zo doorzichtig, de bol kon van staal gemaakt zijn. Ze wist niet meer hoeveel tijd ze had verspild aan pogingen om door zijn scherm heen te kijken. Het schild van een zuster leek helder van dichtbij, maar dat van hem was schemeriger. Alsof je in modderwater tuurde. Soms kreeg je de indruk dat zich heel diep in die grijsbruine wervelingen iets bewoog, maar je kon nooit zeggen wat dat was.