Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Ik moet weg,’ zei ze ten slotte, en ze stond op. Haar lichaam lag in de tent te slapen, maar in Tel’aran’rhiod kreeg je nooit genoeg rust. De anderen kwamen eveneens overeind. ‘Ik hoop dat jullie allemaal heel voorzichtig zullen zijn. Moghedien haat me en ze zal zeker proberen iedere vriend en vriendin van mij kwaad te doen. Ze weet heel wat over de Wereld der Dromen. Minstens evenveel als Lanfir.’ Rechtstreekser kon ze hen niet waarschuwen zonder onverbloemd te zeggen dat Moghedien misschien meer wist dan de Wijzen. De Aieltrots kon heel gauw verwond worden. Ze begrepen het echter meteen, en zonder zich beledigd te voelen.
‘Als de Schaduwzielen van plan zijn ons te bedreigen,’ zei Melaine, ‘denk ik dat ze dat al hadden gedaan. Misschien beschouwen zij ons niet als een gevaar.’
‘We hebben flitsen van zowel droomloopsters als droomlopers opgevangen.’ Bair schudde ongelovig haar hoofd. Wat ze van de Verzakers wist, deed er niet toe; ze vond een droomloper even gewoon als een slang met poten. ‘Ze mijden ons. Allemaal.’
‘Ik denk dat wij even sterk zijn als zij,’ voegde Amys eraan toe. Met de Ene Kracht waren zij en Melaine niet sterker dan Theodrin en Faolain – verre van zwak en eigenlijk sterker dan de meeste Aes Sedai, maar lang niet zo sterk als een Verzaker. Maar in de Wereld der Dromen was kennis van Tel’aran’rhiod vaak even krachtig als saidar, een enkele keer sterker. Hier was Bair de gelijke van elke zuster. ‘Maar we zullen oppassen. Juist door een onderschatte vijand vind je de dood.’ Egwene nam de hand van Amys en Melaine en zou ook die van Bair hebben gepakt als dat had gekund. In plaats daarvan betrok ze haar er met een glimlach bij. ‘Ik zal jullie nooit duidelijk kunnen maken wat jullie vriendschap voor me betekent en wat jullie voor mij betekenen.’ Ondanks alles was dat de eenvoudige waarheid. ‘De hele wereld lijkt te veranderen zodra ik met mijn ogen knipper. Jullie drieën zijn een van de weinige stevige plekken.’
‘De wereld verandert echt,’ zei Amys droevig. ‘Zelfs bergen slijten door de wind en niemand kan dezelfde heuvel tweemaal beklimmen. Ik hoop dat we in jouw ogen altijd bevriend zullen blijven, Egwene Alveren. Moge je voortdurend water en schaduw vinden.’ Daarmee waren ze verdwenen en weer terug naar hun eigen lichaam.
Een tijdlang bleef ze fronsend naar Callandor kijken, maar zonder het echt te zien, tot ze geërgerd rilde. Ze had staan denken aan die eindeloze sterrenvlakte. Als ze daar te lang bleef, zou Gaweins droom haar weer vinden en haar opslokken, zoals zijn armen haar vlak daarna zouden omhelzen. Een prettige wijze om de rest van de nacht door te brengen. En een kinderachtige tijdverspilling.
Vastberaden bracht ze zichzelf terug naar haar slapende lichaam, maar niet naar haar gewone slaap. Dat deed ze nooit meer. Dat ene hoekje van haar hersens bleef volledig bij bewustzijn, bestudeerde haar dromen, bewaarde elke droom die de toekomst voorspelde of in elk geval enig inzicht bood in de mogelijke loop van toekomstige gebeurtenissen. Dat kon ze nu tenminste onderscheiden, hoewel ze tot dusver alleen de droom over Gawein had kunnen uitleggen, waarin hij haar zwaardhand werd. De Aes Sedai noemden het Dromen en de vrouwen die dat konden Droomsters. Alle bekende Droomsters waren allang dood. De vaardigheid had even weinig met de Ene Kracht te maken als droomlopen.
Het was onvermijdelijk dat haar eerste droom over Gawein ging, omdat ze aan hem had liggen denken.
Ze stond in een enorme schemerige ruimte waar alles vaag was. Alles, behalve Gawein die langzaam naar haar toeliep. Een lange knappe man – hoe had ze ooit kunnen denken dat zijn halfbroer Galad knapper was? – met goudblond haar en prachtige diepblauwe ogen. Hij moest nog een zekere afstand afleggen, maar hij kon haar zien. Zijn ogen waren op haar gericht als die van een boogschutter op zijn doel. Een zacht geluid van knarsen en knerpen was hoorbaar. Ze keek omlaag en voelde een inwendige schreeuw opborrelen. Gawein liep op blote voeten over een bodem van gebroken glas en bij elke langzame stap braken er scherven. Zelfs in dit zwakke licht kon ze het bloedspoor zien dat zijn zwaargewonde voeten achter lieten. Ze stak haar hand uit, probeerde hem toe te roepen stil te blijven staan, probeerde naar hem toe te hollen, maar even snel was ze weer ergens anders.
Zoals het in dromen gaat, zweefde ze boven een lange rechte weg door een grasvlakte en keek neer op een ruiter op een zwarte hengst. Gawein. Vervolgens stond ze op die weg voor hem en trok hij de teugels aan. Niet omdat hij haar zag, maar de weg die eerst recht was geweest, vertakte zich precies waar zij stond, en liep over een hoge heuvel verder, zodat niemand kon zien waar de takken heen liepen. Zij wist het echter. De ene tak voerde naar een gewelddadige dood, de andere tak naar een lang leven en een kalm overlijden in bed. Op de ene weg huwde hij haar, op de andere niet. Ze wist wat er voor hem lag, maar niet welke vertakking waarheen leidde. Opeens zag hij haar of leek haar te zien, glimlachte en stuurde zijn paard een van de aftakkingen op... En ze bevond zich in een andere droom. Een nieuwe droom. En weer een. En weer.
Niet alles had iets met de toekomst te maken. Dromen waarin ze Gawein kuste, waarin ze met haar zusters door een koele lentewei holde, zoals ze als kinderen hadden gedaan, volgden op nachtmerries. Hierin werd ze achtervolgd door Aes Sedai met strafrietjes in eindeloze gangen, waar misvormde wezens in alle schaduwen rondom haar neerhurkten. Of een grijnzende Nicola verried haar aan de Zaal van de Toren en Thom Merrilin stapte naar voren om het bewijs te leveren. Die nachtmerrie onderdrukte ze; de andere dromen bewaarde ze om later te bekijken, te bevoelen en betasten in de hoop de betekenis te leren.
Ze stond klauwend en krabbend voor een enorme muur en probeerde die met haar blote handen te vellen. De muur was niet van baksteen of rots, maar van ontelbare wit met zwarte schijven, het oeroude teken van de Aes Sedai. Zoals de zeven zegels die ooit de kerker van de Duistere afsloten. Sommige van die zegels waren nu gebroken, al kon zelfs de Ene Kracht cuendillar niet breken. Op de een of andere manier waren de andere verzwakt, maar de muur was hoog en sterk, hoe hard ze ook sloeg. Ze kon hem niet slechten. Misschien was het teken belangrijk. Misschien probeerde ze de Aes Sedai wel omver te krijgen, de Witte Toren. Misschien...
Mart zat op een nachtelijke heuveltop en keek naar een groot vuur-spel. Opeens schoot zijn hand omhoog en greep hij een ontploffende ster aan de hemel. Pijlen van vuur flitsten uit zijn samengeknepen hand en een gevoel van vrees vervulde haar. Door zijn daad zouden mensen sterven. De wereld zou veranderen. Maar de wereld veranderde al, veranderde voortdurend.
Banden om haar middel en schouder hielden haar stevig vast op een blok en de beulsbijl daalde neer, maar ze wist dat ergens iemand kwam aanrennen en als hij snel genoeg was, zou de bijl stoppen. Zo niet... In dat hoekje van haar gedachten voelde ze zich ijskoud.
Logain stapte lachend over iets op de grond en klom op een zwarte steen. Bij het omlaag kijken meende ze Rhands lichaam languit op een lijkbaar te zien liggen met zijn handen kruislings op de borst, maar toen ze zijn gezicht aanraakte, viel het als een papieren pop uit elkaar. Een gouden havik strekte de vleugels en raakte haar aan. Zij en de havik waren op de een of andere manier met elkaar verbonden. Ze wist alleen dat de havik een vrouw was. Een man lag op sterven in een smal bed en het was belangrijk dat hij niet doodging. Niettemin werd buiten een brandstapel opgebouwd en verhieven stemmen zich in zangen van vreugde en droefenis. Een donkere man hield in zijn hand een voorwerp dat zo fel glom, dat ze niet kon zien wat het was.