De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Met de gouden zon boven hun hoofd kwamen ze langs een vierkant, gepleisterd bakstenen bouwsel dat nog geen span van hun pad af stond. Het was niet hoog, niet meer dan een verdieping, zag Rhand, maar besloeg wel een flink oppervlak. Er hing een sfeer van eeuwenoude verlatenheid. Het dak was verdwenen, op een paar rijen pannen na die aan een overgebleven dakbalk hingen. Het grootste deel van het vroeger witte pleisterwerk was omlaag gestort en legde de verweerde stenen erachter bloot. Omgevallen muren onthulden binnenplaatsen en ingestorte vertrekken. Overal woekerde onkruid en er groeiden zelfs bomen in de scheuren van wat eens binnenplaatsen waren geweest.
‘Een landhuis,’ verklaarde Ingtar. Het hervonden vleugje humor verdween toen hij naar het bouwwerk keek. ‘Toen Harad Dakar nog bestond, denk ik dat de landheer landerijen met een oppervlak van minstens vier span bezat. Misschien boomgaarden. De Hardani waren dol op boomgaarden.’
‘Harad Dakar?’ vroeg Rhand en Ingtar snoof. ‘Leert niemand meer geschiedenis? Harad Dakar was de hoofdstad van Hardan. Zo heette dit land waar we nu doorheen trekken.’
‘Ik heb een oude kaart gezien,’ zei Rhand geprikkeld. ‘Ik ken de landen die er niet meer zijn. Maredo, Goaban en Caralain. Maar er stond geen Hardan op.’
‘Er waren ooit nog andere, die nu ook niet meer bestaan,’ zei Loial. ‘Mar Haddon, dat nu Haddon Mir is, en Almoth Kintara. Artur Haviksvleugels rijk werd door de Oorlog van de Honderd Jaren verscheurd tot vele grote en kleine landen. De kleine landen werden door de grote opgeslokt of met elkaar verenigd, zoals Altara en Morland. “Samengedwongen” is waarschijnlijk een beter woord dan “verenigd”, denk ik.’
‘Wat gebeurde er toen met ze?’ wilde Mart weten. Rhand had niet gemerkt dat Perijn en Mart bij hen waren komen rijden. Het laatste dat hij van ze gezien had, was dat ze in de achterhoede reden, zo ver mogelijk van hem vandaan.
‘Ze konden de landen niet verenigd houden,’ zei de Ogier. ‘Oogsten mislukten of de handel stokte. Mensen faalden. Hoe dan ook, iets ging er mis, en het land verkommerde. Vaak slokten buurlanden het land op toen de naties niet meer bestonden, maar dat was geen succes. Na verloop van tijd was het land werkelijk verlaten. Sommige dorpen bestaan nog, maar de meeste zijn opgeslokt door de wildernis. Het is bijna driehonderd jaar geleden sinds Harad Dakar verlaten werd, maar zelfs daarvoor was het niet meer dan een leeg omhulsel, met een koning die geen greep had op de gebeurtenissen binnen zijn stadsmuren. Ik meen dat Harad Dakar zelf nu volkomen verdwenen is. Alle grote en kleine steden van Hardan zijn verdwenen; de stenen zijn door boeren en dorpelingen weggehaald voor eigen gebruik. De meeste boerderijen en dorpen die ermee opgetrokken werden, zijn nu ook verdwenen. Dat heb ik gelezen, en ik heb niets gezien dat me doet twijfelen.’
‘Harad Dakar was één grote steengroeve, bijna honderd jaar lang,’ zei Ingtar bitter. ‘Uiteindelijk trokken de mensen weg, waarna de stad zelf steen voor steen werd weggekruid. Alles ging ten onder, en wat nog niet is verdwenen, zal ook ondergaan. Alles en overal. Er is bijna geen natie meer die werkelijk het land beheerst zoals het op de kaarten staat. Toen de Oorlog van de Honderd Jaren voorbij was, kon een man vrij van de ene natie naar de andere rijden, van de Verwording tot aan de Zee der Stormen. Nu trekken we door wildernissen waar geen enkele natie aanspraak op maakt. Wij in de Grenslanden voeren onze strijd met de Verwording en dat houdt ons sterk en verenigd. Misschien hadden die landen niet zoiets om ze sterk te houden. Zei u niet dat de mensen faalden, Bouwer? Jazeker, zij hebben gefaald. Maar welk land dat vandaag nog bestaat, zal morgen falen? Wij, de mensen, worden weggevaagd. Weggevaagd als wrakhout in een overstroming. Hoe lang duurt het voordat er niets meer over is van de Grenslanden? Hoe lang zal het duren voordat ook wij ten onder gaan en er slechts Trolloks en Myrddraal wonen, helemaal tot aan de Zee der Stormen?’
Er viel een geschokte stilte, die zelfs Mart niet verbrak. Ingtar reed door, verloren in zijn eigen donkere gedachten.
Na een tijdje kwamen de verkenners terug. Ze zaten rechtop in het zadel en hun lansen staken scherp af tegen de lucht. ‘Voor ons ligt een dorp, heer. We zijn niet gezien, maar het ligt precies op onze weg.’ Ingtar schudde zich los uit zijn sombere overpeinzingen, maar hij zei niets tot ze de top van een lage heuvelrand bereikten. Daar gaf hij enkel het bevel halt te houden, terwijl hij een kijkglas uit zijn zadeltas haalde en ermee naar het dorp tuurde.
Rhand bestudeerde het dorp vol belangstelling. Het was even groot als Emondsveld, hoewel dat weer niet zo groot was als je het vergeleek met sommige steden die hij sinds zijn vertrek uit Tweewater had gezien. De huizen waren laag en bepleisterd met witte klei. Er scheen gras te groeien op de schuine daken. Verspreid door het dorp stond een tiental windmolens; hun grote, met zeil bespannen wieken maalden lui rond en flitsten wit op in het zonlicht. Het dorp was omringd door een lage aarden wal die tot borsthoogte reikte. Daarbuiten lag een brede greppel met puntige staken die dicht opeen in de bodem waren gestoken. Hij zag één opening in de muur, zonder poort, maar hij bedacht dat die snel door een kar of wagen kon worden afgesloten. Hij kon geen mensen zien.
‘Zelfs geen hond te zien,’ zei Ingtar, zijn kijkglas terugstekend in zijn zadeltas. ‘Weten jullie zeker dat ze jullie niet gezien hebben?’ vroeg hij aan de verkenners.
‘Heel zeker, heer, tenzij ze het geluk van de Duistere zelf hebben,’ zei een van de mannen. ‘We zijn de helling niet opgereden. En wij zagen niets bewegen, heer.’ Ingtar knikte. ‘Het spoor, Hurin?’
Hurin haalde diep adem. ‘Naar het dorp toe, heer. Voor zover ik het van hieruit kan zeggen: het loopt er recht op af.’
‘Kijk goed uit,’ beval Ingtar terwijl hij de teugels weer opnam. ‘En neem niet aan dat ze ons vriendelijk gezind zijn alleen omdat ze glimlachen. Als er al iemand is.’ Hij leidde hen stapvoets naar het dorp in het dal en reikte over zijn rug om het zwaard in de schede losser te maken.
Rhand hoorde achter zich de geluiden van anderen die hetzelfde deden. Even later deed hij het ook. In leven blijven was niet hetzelfde als de held uithangen, bedacht hij.
‘Gelooft u dat deze mensen Duistervrienden zouden helpen?’ vroeg Perijn aan Ingtar. De Shienaraan nam de tijd voor zijn antwoord. ‘Ze dragen de Shienaranen geen warm hart toe,’ zei hij ten slotte.
‘Ze vinden dat wij hen zouden moeten beschermen. Wij of de Cairhienin. Cairhien eiste na de dood van de laatste koning van Hardan dit land inderdaad op. Helemaal tot aan de Erinin. Maar ze konden het niet behouden. Ze gaven zo’n honderd jaar geleden hun aanspraken op. Die paar mensen die hier wonen, hoeven zich geen zorgen over Trolloks te maken, zo diep in het zuiden. Maar er zijn genoeg gewone schurken. Daarom hebben ze die muur en de greppel. Alle dorpen hebben die. Hun velden zullen wel in de dalen rond ons verborgen zijn, maar niemand woont buiten de muren. Ze zullen trouw zweren aan iedere koning die hun bescherming zou bieden, maar wij moeten al het mogelijke tegen de Trolloks inzetten. Desondanks mogen ze ons niet.’ Toen ze de opening in de lage muur naderden, zei hij opnieuw: ‘Kijk goed uit!’
Alle straten leidden naar een dorpsplein, maar er was niemand te zien, niemand die uit een raam keek. Er bewoog geen enkel dier. Levenloos. Open deuren zwaaiden krakend in de wind en begeleidden het regelmatige gepiep van de windmolens. De paardenhoeven klonken luid op de ingeklonken grond van de straat. ‘Net als bij de pont,’ mompelde Hurin, ‘en toch anders.’ Hij zat ineengezakt in het zadel, met gebogen hoofd, alsof hij zich tussen zijn eigen schouders wilde verbergen. ‘Er is geweld gepleegd, maar... ik weet het niet. Het was hier erg. Het ruikt erg.’
‘Uno,’ zei Ingtar, ‘doorzoek met een groep de huizen. Als je mensen aantreft, breng je ze naar het plein. Maar schrik ze deze keer niet af. Ik wil antwoorden, geen mensen die voor hun leven rennen.’ Hij leidde de overige lansiers naar het midden van het dorp, terwijl Uno tien mannen liet afstijgen.