Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 51 52 53 54 55 56 57 58 59 ... 203
Перейти на страницу:

Mart keek hem nijdig aan, liet zijn ogen minachtend over Rhands mooie rode mantel glijden en draaide zich toen om. Rhand zuchtte. ‘Het zal allemaal weer in orde komen, Rhand,’ zei Loial zacht. ‘Hoe dan ook.’

De stroming greep het pontje toen het van de oever werd getrokken en met een klap trok het touw strak. De lansiers waren een vreemd soort veerlieden, met hun helmen en harnassen en zwaarden op hun rug, maar ze trokken de boot kundig de rivier over. ‘Zo zijn we ook van huis gegaan,’ zei Perijn plotseling. ‘Bij Tarenveer. De stampende laarzen van de veerlieden op het dek en het klotsende water rond de boot. Zo zijn we vertrokken. Maar ditmaal wordt het erger.’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Rhand, maar Perijn gaf geen antwoord. Hij zocht de overkant af en zijn gouden ogen leken bijna te schitteren, maar niet van blijheid.

Na een tijdje vroeg Mart: ‘Hoezo, het wordt erger?’

‘Dat zal het zijn. Ik kan het ruiken,’ was alles wat Perijn kwijt wilde. Hurin keek hem aan. Hij was niet op zijn gemak, maar dat leek Hurin al vanaf hun vertrek uit Fal Dara te zijn. Met een doffe dreun van dik hout tegen harde klei stootte de veerboot tegen de zuidoever, bijna onder overhangende boomtakken, en de Shienaranen die de boot getrokken hadden, stegen weer op hun paarden, op twee na, die van Ingtar de pont moesten terugbrengen voor de anderen. De rest volgde Ingtar de oever op. ‘Vijftig pas tot een grote steeneik,’ zei Ingtar toen ze tussen de bomen reden. Zijn stem klonk te effen. Als Ragan het niet eens kon beschrijven... Sommige krijgslieden voelden aan het zwaard op hun rug en hielden de lans in de aanslag.

Eerst dacht Rhand dat de gestalten die aan hun armen aan de dikke grijze boomtakken van de steeneik hingen, vogelverschrikkers waren. Bloedrode vogelverschrikkers. Toen herkende hij de twee gezichten. Changu en de ander die met hem op wacht had gestaan, Nidao. Hun ogen staarden in de verte en hun tanden waren ontbloot, verstard in een grimas van pijn. Nadat de marteling was begonnen, hadden ze nog lange tijd geleefd.

Uit Perijns keel klonk een gesmoord geluid. Het klonk bijna als een grauw.

‘Zo erg heb ik het nog nooit gezien, heer,’ zei Hurin zwakjes. ‘Zo erg heb ik het nog nooit geroken, behalve die nacht in de kerker van Fal Dara.’

Rhand probeerde uit alle macht de leegte te vinden. De vlam maakte het lastig en het zwakke licht flakkerde net zo moeizaam als hij probeerde te slikken, maar hij bleef volhouden tot hij zichzelf in de leegte had gehuld. Toch bleef het holle gevoel aanwezig, zelfs in de leegte. Nu niet aan de buitenkant, maar binnenin. Geen wonder als je zoiets ziet. De gedachte siste langs de leegte als een waterdruppel op een heet rooster. Wat is er met ben gebeurd? ‘Levend gevild,’ hoorde hij iemand achter zich zeggen, en het geluid van iemand die overgaf. Hij dacht dat het Mart was, maar het was allemaal ver bij hem vandaan, ver van de leegte. Maar ook daarbinnen voelde het geflakker wee en misselijk. Hij moest ook bijna braken.

‘Snij ze los,’ zei Ingtar ruw. Hij aarzelde even en voegde er toen aan toe: ‘Begraaf ze. We weten niet zeker of ze Duistervrienden zijn. Ze kunnen gevangen zijn genomen. Dat kan. Schenk hun ten minste de laatste omarming van de moeder.’ Mannen met messen reden behoedzaam naar voren; zelfs voor geharde Shienaraanse krijgslieden was het niet gemakkelijk om de gevilde lichamen van mannen die ze kenden, neer te halen. ‘Gaat het, Rhand?’ vroeg Ingtar.

‘Ik... het gaat wel, Ingtar.’ Rhand liet de leegte verdwijnen. Zonder dat voelde hij zich minder ziek; zijn maag speelde nog steeds op, maar het ging wat beter. Ingtar knikte en wendde zijn paard, zodat hij zijn mannen aan het werk kon zien.

Het was een simpele begrafenis. Er werden twee kuilen in de grond gegraven en de lichamen werden erin gelegd, terwijl de overige Shienaranen in stilte toekeken. De gravers schoven zonder veel plichtplegingen de aarde in de kuilen.

Rhand was geschokt, maar Loial legde het fluisterend uit. ‘Shienaranen geloven dat wij allen uit de aarde zijn voortgekomen en in de aarde moeten terugkeren. Ze gebruiken nimmer kisten of lijkwaden, en de lichamen worden nooit gekleed. De aarde zelf kleedt het lichaam. Zij noemen het de laatste omarming van de moeder. En er worden geen woorden bij gesproken, behalve “Moge het Licht op je schijnen en de Schepper je behoeden. De laatste omarming van de moeder heet je thuis welkom”.’ Loial zuchtte en schudde zijn grote hoofd. ‘Ik denk niet dat iemand deze woorden nu zal zeggen. Wat Ingtar ook zegt, Rhand, het lijdt geen twijfel dat Changu en Nidao de wachten bij de Hondenpoort hebben omgebracht en de Duistervrienden de burcht hebben binnengelaten. Zij moeten voor dat alles verantwoordelijk zijn geweest.’

‘Maar wie schoot dan die pijl op... op de Amyrlin Zetel af?’ vroeg Rhand en slikte. Wie schoot er op mij? Loial zei niets. Toen de laatste aarde in de grafkuilen werd geschept, kwam Uno aan met de andere mannen en de pakpaarden. Iemand vertelde hem van hun vondst en de eenogige man spuwde op de grond. ‘Die geiten-neukende Trolloks doen dat soms in de Verwording. Als ze je goed zenuwachtig willen maken. Of je bloedduidelijk willen maken dat je de achtervolging maar beter kunt opgeven. Bloedvuur, maar deze methoden werken hier niet.’

Voordat ze wegreden, hield Ingtar stil voor de naamloze graven; twee kale hoopjes aarde die te klein leken om mensen te bevatten. Even later zei hij: ‘Moge het Licht op jullie schijnen en de Schepper jullie behoeden. De laatste omarming van de moeder heet jullie thuis welkom.’ Toen hij zijn hoofd ophief, keek hij ieder van zijn mannen aan. Ieder gezicht stond uitdrukkingsloos, dat van Ingtar nog het meest. ‘Bij Tarwins Kloof hebben zij heer Agelmar gered,’ zei hij. Een paar lansiers knikten. Ingtar keerde zijn paard. ‘Welke kant op, Hurin?’

‘Naar het zuiden, heer.’

‘Volg het spoor! Op jacht!’

Weldra maakte het woud plaats voor een zacht glooiende vlakte waar soms een ondiep beekje stroomde in een bedding met hoge oevers. Een landschap met ondiepe dalen en lage heuvels die nauwelijks die naam verdienden. Geschikt terrein voor paarden. Ingtar deed er zijn voordeel mee en gaf een regelmatig tempo, waarin ze vele spannen aflegden. Van tijd tot tijd zag Rhand in de verte iets wat een boerderij kon zijn, en één keer dacht hij op een paar span afstand een dorpje te zien waar rook uit de schoorstenen opsteeg, en iets wat wit opflitste in het zonlicht, maar het land om hen heen bleef leeg. Het was grasland met kreupelhout en hier en daar een boom. Soms was er een bos, maar nooit groter dan honderd pas. Ingtar stuurde verkenners uit. Twee man reden vooruit en waren alleen te zien als ze boven op een heuveltop kwamen. Om Ingtars borst hing een zilveren fluit, waarmee hij ze kon terugroepen als Hurin zei dat het spoor afboog, maar dat gebeurde niet. Zuid. Steeds naar het zuiden.

‘In dit tempo zullen we over drie of vier dagen het Veld van Talidar bereiken,’ zei Ingtar onder het rijden. ‘Daar heeft Artur Haviksvleugel zijn grootste zege behaald op de Halfmensen en Trolloks uit de Verwording. Zes dagen en nachten duurde de slag en toen het voorbij was, vluchtten de Trolloks terug naar de Verwording en durfden ze het nooit meer tegen hem op te nemen. Bij Talidar richtte hij ter ere van zijn overwinning een gedenkteken op, een spits van honderd pas hoog. Hij stond niet toe dat zijn naam erop werd gezet, maar wilde in plaats daarvan de namen van alle gevallenen. Er moest een gouden zon op, ten teken dat het Licht over de Schaduw had getriomfeerd.’

‘Ik zou het graag willen zien,’ zei Loial. ‘Ik heb nog nooit van dit gedenkteken gehoord.’

Ingtar was even stil en toen hij weer sprak, klonk zijn stem zacht. ‘Het staat er niet meer, Bouwer. Na Haviksvleugels dood konden degenen die om zijn rijk vochten, de gedachte niet verdragen dat er nog een teken van een van zijn overwinningen bestond, ook al stond zijn naam er niet op. Er bleef niets van over. Alleen de heuvel waarop het gedenkteken heeft gestaan. Die kunnen we over drie of vier dagen nog wel bekijken.’ De klank van zijn stem nodigde niet uit tot verder gepraat.

1 ... 51 52 53 54 55 56 57 58 59 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)