De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Uiteindelijk moest zelfs Ingtar erkennen dat de paarden deze snelheid niet vol konden houden. Rhand hoorde gesmoord gevloek en zag Ingtar met een gepantserde vuist op zijn dij slaan, maar ten slotte beval hij iedereen af te stijgen. Ze leidden hun paarden een span lang de heuvels op en af, stegen op en reden verder. Dan stegen ze weer af en liepen. Een span lopen, een span rijden. Lopen, rijden.
Rhand zag verbaasd dat Loial grinnikte toen ze te voet een heuvel op zwoegden. Toen ze elkaar voor het eerst hadden ontmoet, vond de Ogier paardrijden niet echt geweldig. Hij gaf de voorkeur aan zijn eigen voeten, maar Rhand dacht dat hij daar allang overheen was. ‘Hou je van hardlopen, Rhand?’ lachte Loial. ‘Ik wel. Ik was de snelste in stedding Shangtai. Ik heb één keer zelfs harder gelopen dan een paard.’
Rhand schudde slechts het hoofd. Hij wilde zijn adem niet aan praten verspillen. Hij zocht Mart en Perijn, maar die hingen nog steeds in de achterhoede rond en er waren te veel mannen tussen hen in om ze te kunnen zien. Hij vroeg zich af hoe de Shienaranen dit in hun harnas konden volhouden. Niemand liep langzamer of klaagde. Uno zag er zelfs niet bezweet uit en de vaandrager liet de Grijze Uil nimmer zakken.
Ze stapten snel door, maar toen de schemering inviel, was er nog steeds niets anders dan het spoor van hun prooi. Ten slotte liet Ingtar met tegenzin halt houden om in het bos een nachtkamp op te slaan. De Shienaranen legden kampvuren aan en kluisterden hun paarden met een gemak dat veel ervaring verried. Ingtar zette op drie punten een paar krijgslieden uit voor de eerste wacht. Rhand haalde meteen zijn bundel uit de rieten manden van de pakpaarden. Hij was niet moeilijk te vinden – er zaten maar weinig persoonlijke bezittingen bij de voorraden – maar toen hij hem opende, slaakte hij een kreet, waardoor iedereen in het kamp met het zwaard in de hand overeind schoot.
Ingtar kwam aanhollen. ‘Wat is er? Vrede, is er iemand het kamp binnengeslopen? Ik heb de wachten niet gehoord.’
‘Nee, deze mantels,’ gromde Rhand en bleef staren naar wat hij uitgepakt had. Een ervan was zwart, met zilverborduursel, de ander vertoonde goudstiksels. Beide mantels hadden reigers op de kragen en beide zagen er even koninklijk uit als de purperrode mantel die hij aanhad. ‘De dienaren zeiden dat ik twee goede, bruikbare mantels bij me had. Moet je dit zien!’
Ingtar liet het zwaard terugglijden in de schede op zijn rug. De andere mannen maakten het zich weer gemakkelijk. ‘Nou, je kunt ze toch gebruiken?’
‘Ik kan ze niet dragen. Ik kan toch niet de hele tijd zo rondlopen.’
‘Je kunt ze aan. Een mantel is een mantel. Ik heb begrepen dat Moiraine Sedai zelf op het inpakken van jouw spullen heeft toegezien.
Misschien begrijpt een Aes Sedai niet helemaal wat een man in velddienst draagt.’ Ingtar grinnikte. ‘Als we die Trolloks hebben gepakt, kunnen we misschien een feestje vieren. Je zult er tenminste op gekleed zijn en wij niet.’ Hij wandelde terug naar de reeds opvlammende kookvuren.
Rhand had zich niet meer bewogen sinds Ingtar Moiraine genoemd had. Hij staarde naar de mantels. Waar is ze mee bezig? Hoe dan ook, ik laat me niet gebruiken. Hij rolde alles weer in elkaar en propte de bundel terug in de mand. Ik kan nog altijd in m’n blootje gaan, dacht hij verbitterd.
In het veld kookten de Shienaranen om de beurt, en Masema was in de ketel aan het roeren toen Rhand naar de vuren terugkwam. Het kamp geurde naar een stamppot van knolletjes, ui en gedroogd vlees. Ingtar werd als eerste bediend en daarna Uno. De anderen sloten zich gewoon aan in de rij zoals het uitkwam. Masema kletste een grote pollepel stamppot op Rhands bord. Rhand stapte snel achteruit om te voorkomen dat het teveel op zijn mantel terechtkwam, terwijl hij plaats maakte voor de volgende in de rij en op zijn aangebrande duim zoog. Masema staarde hem aan, met een strakke grijns die zijn ogen niet bereikte, tot Uno naar voren stapte en hem een oorvijg verkocht. ‘We hebben om de donder niet zoveel meegenomen dat jij het op de bloedgrond kunt verknoeien!’ De eenogige man keek naar Rhand en verdween. Masema wreef over zijn oor terwijl zijn woeste blik Rhand volgde.
Rhand voegde zich bij Ingtar en Loial, die onder een brede eik op de grond zaten. Ingtar had zijn helm afgedaan en deze naast zich neergezet, maar verder hield hij zijn volledige wapenrusting aan. Mart en Perijn zaten daar al gulzig te eten. Mart wierp een snierende blik op Rhands mantel, maar Perijn keek nauwelijks op. Zijn gouden ogen glansden in het flakkerende licht van de vuren voordat hij zich weer over zijn bord boog.
Deze keer gaan ze tenminste niet ergens anders zitten. Hij ging met gekruiste benen aan de andere kant van Ingtar zitten, ik wou dat ik wist waarom Uno steeds zo naar me blijft kijken. Het zal die vervloekte mantel wel zijn.’
Ingtar zat al kauwend even na te denken. Eindelijk zei hij: ‘Uno vraagt zich ongetwijfeld af of jij een reigerzwaard waardig bent.’ Mart snoof luid, maar Ingtar ging onverstoorbaar door. ‘Laat je door Uno niet van de wijs brengen. Als hij kon, zou hij zelfs heer Agelmar nog als beginneling aanpakken. Nou ja, die misschien niet, maar ieder ander zeker. Hij vloekt als een Duistervriend maar hij geeft goede raad. Dat mag ook wel, hij was al in krijgsdienst voor ik was geboren. Volg zijn raad op; stoor je niet aan zijn tong en je kunt bij Uno geen kwaad meer doen.’
‘Ik dacht dat hij net zo was als Masema.’ Rhand at met grote happen. Het was te heet, maar hij slikte het toch door. Na Fal Dara hadden ze niet meer gegeten en hij had die ochtend te veel zitten piekeren om te eten. Zijn maag knorde en herinnerde hem eraan dat het te lang geleden was. Hij vroeg zich af of het zou helpen als hij Masema zei dat het eten lekker was. ‘Masema lijkt een hekel aan me te hebben en dat begrijp ik niet.’
‘Masema heeft drie jaar in de Oostelijke Grenslanden gediend,’ zei Ingtar. ‘In Ankor Dail, tegen de Aiel.’ Hij speelde nadenkend met zijn lepel in de stamppot, ik stel geen vragen, hoor. Als Lan Dai Shan en Moiraine Sedai zeggen dat je een Andoraan bent en uit Tweewater komt, dan ben je dat ook. Maar als Masema jou ziet, denkt hij voortdurend aan een Aiel...’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik stel geen vragen.’
Rhand liet zuchtend zijn lepel in het bord vallen, iedereen denkt dat ik iets ben wat ik niet ben. Ik kom uit Tweewater, Ingtar. Ik verbouwde tobak met... met mijn vader en hoedde zijn schapen. Dat ben ik. Een boer en een schaapherder uit Tweewater.’
‘Hij komt uit Tweewater’ zei Mart snerend, ik ben met hem opgegroeid, hoewel je dat nu niet meer zou zeggen. U stopt al die Aiel-onzin in zijn hoofd bij alle gekkigheid die er al zit, en het Licht weet wat eruit komt. Misschien wel een Aielheer.’
‘Nee,’ zei Loial, ‘hij lijkt erop. Weet je nog, Rhand, dat ik er ooit iets over gezegd heb? Hoewel ik toen dacht dat het kwam omdat ik niet genoeg wist van jullie mensen. Weet je het nog? “Tot de schaduw heen is, tot het water weg is, de Schaduw in, met ontblote tanden, tartend tot de laatste ademtocht, spuwend in het oog van Zichtzieder: de Laatste Dag.” Je herinnert het je nog, Rhand.’ Rhand staarde in zijn bord. Wikkel een sjoefa om je hoofd en je zou het evenbeeld zijn van een Aielman. Dat was Gawein geweest, de broer van Elayne, de erfdochter van Andor. Iedereen denkt dat ik iets ben wat ik niet ben.