De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Ik zal mijn eigen boontjes moeten doppen,’ zei hij boos. Hij keerde de wijnkan om boven de zilveren beker en zag verbaasd dat die al leeg was. In plaats daarvan schonk hij melk in. ‘Egwene en Nynaeve willen Aes Sedai worden.’ Hij was het vergeten tot hij het hardop uitsprak. ‘Rhand volgt Moiraine op de voet en noemt zich de Herrezen Draak. Het Licht mag weten waar Perijn mee bezig is. Die doet gek sinds zijn ogen zo vreemd geel werden. Ik zal mijn eigen boontjes moeten doppen.’ Bloed en as, ik moet wel’. Ik ben van ons allemaal de laatste die nog normaal is. Ik ben de enige.
Tar Valon. Nou ja, men zei dat het de rijkste stad ter wereld was, het middelpunt van handel tussen de Grenslanden en het zuiden, de machtsbasis van de Aes Sedai. Hij dacht niet dat hij een Aes Sedai ooit zou kunnen overhalen om te dobbelen. Maar als dat wel lukte, zou hij niet kunnen vertrouwen op het rollen van de stenen of de kleur van de speelkaarten. Maar er moesten kooplui zijn en andere mensen met zilver en goud. De stad zelf zou ook best de moeite waard zijn er enkele dagen in rond te kijken. Hij wist dat hij na zijn vertrek uit Emondsveld een lange reis had gemaakt, maar afgezien van enkele vage herinneringen aan Caemlin en Cairhien kon hij zich geen grote stad meer herinneren. Hij had er altijd een willen bezoeken. ‘Maar geen stad die barst van de Aes Sedai,’ mompelde hij zuur, terwijl hij de laatste botererwtjes op zijn vork schoof. Hij verzwolg ze en nam nog een hap vlees.
Opeens kwam de gedachte in hem op of de Aes Sedai hem niet de robijn uit de dolk van Shadar Logoth zouden willen geven. Hij herinnerde zich de dolk slechts heel vaag, maar zelfs dat leek op een herinnering aan een verschrikkelijke wond. Zijn maag en darmen verkrampten en een scherpe pijn boorde zich in zijn slapen. Toch stond de robijn hem duidelijk voor ogen, even groot als zijn duimnagel, zo donker als een bloeddruppel, glinsterend als een vuurrood oog. Hij had er toch zeker meer recht op dan zij en thuis in Tweewater zou hij evenveel waard zijn als tien boerderijen.
Ze zullen waarschijnlijk zeggen dat de steen ook besmet is. Dat was waarschijnlijk ook zo. Toch was het een mooie wensdroom de robijn met enkele Kopins te ruilen voor hun beste stukken land. De meeste Kopins – herrieschoppers vanaf hun geboorte, en dieven en leugenaars – verdienden wat hun toekwam en meer. Hij geloofde eigenlijk niet echt dat de Aes Sedai de robijn aan hem zouden teruggeven en als ze dat wel zouden doen, geloofde hij ook niet echt dat hij hem helemaal naar Emondsveld zou meenemen. De grootste boerderij in Tweewater te bezitten was niet meer zo’n opwindend idee als vroeger. Dat was als kind zijn grootste wens geweest, net zoals hij een even goede paardenkoper als zijn vader wilde worden. Nu leek dat allemaal heel onbelangrijk. Zo beperkt, nu de hele wijde wereld voor hem openstond. Hij besloot als eerste Egwene en Nynaeve op te zoeken. Misschien zijn ze weer bij hun volle verstand. Misschien hebben ze die dwaze droom opgegeven dat ze Aes Sedai kunnen worden. Hij dacht van niet, maar hij wilde pas vertrekken als hij hen had gesproken. Hij wilde weg, dat was zeker. Een bezoekje aan hen, een dag om de stad te bekijken, misschien wat dobbelen om zijn beurs te spekken en dan zou hij ervandoor gaan, ergens waar geen Aes Sedai waren. Voor hij naar huis terugging – Ik ga op een dag weer naar huis. Op een goeie dag, zeker – was hij van plan iets van de wereld te zien, zonder dat de Aes Sedai hem naar hun pijpen lieten dansen.
Terwijl hij keek of er nog iets te eten op het dienblad lag, besefte hij geschokt dat afgezien van wat likjes mosterd en wat kruimeltjes brood en kaas, alles op was. Beide kannen waren leeg. Verbaasd loerde hij naar zijn maag. Als hij dat alles had opgegeten, zou hij tot zijn oren vol moeten zitten, maar het voelde aan of hij niks had gehad. Hij schoof met duim en wijsvinger de laatste stukjes kaas bij elkaar. Toen hij het naar zijn mond bracht, verstarde zijn hand opeens. Ik heb op de Hoorn van Valere geblazen! Zachtjes floot hij een wijsje en brak het af toen de woorden hem te binnen schoten:
Ik zit op de bodem van de put.
Het is nacht; en de regen slaat weer neer.
De wanden storten in.
Ik heb niets, geen touw om mee te klimmen. Ik zit op de bodem van de put.
‘Ik mag branden als ik zelf geen klimtouw vind,’ fluisterde hij en liet de kaaskruimeltjes op het blad terugvallen. Heel even voelde hij zich weer ziek. Vastberaden probeerde hij zijn hoofd te gebruiken en de mist weg te blazen die zijn gedachten nevelig maakte. Verin had de Hoorn van Valere mee naar Tar Valon genomen, maar hij kon zich niet meer herinneren of zij wist dat hij erop had geblazen. Ze had nooit iets gezegd waar hij dat uit kon opmaken. Dat wist hij zeker. Hij meende het zeker te weten. Maar wat dan nog als ze het weet? Wat dan nog als ze het allemaal weten? Tenzij Verin er iets mee heeft gedaan waar ik niets van weet, hebben zij de Hoorn. Ze hebben me niet nodig. Maar wie kon zeggen wat de Aes Sedai nodig vonden? ‘Als ze het vragen,’ zei hij grimmig, ‘dan heb ik hem nooit aangeraakt. Als ze het weten... Als ze het weten... nou ja, ik zie wel wat er dan gebeurt. Bloed en as, ze kunnen niet alles van me vragen. Dat kunnen ze niet!’
Een zacht klopje op de deur deed hem opveren, klaar om weg te vluchten. Als er een plekje was waar hij heen kon en als het hem lukte meer dan drie stappen te zetten. Maar er was geen plekje en hij was uitgeput.
De deur ging open.
20
Bezoekers
De vrouw die binnenkwam, was geheel in witte zijde en zilver gekleed. Ze sloot de deur, bleef ertegenaan leunen en nam Mart op met de zwartste ogen die hij ooit had gezien. Ze was zo mooi dat hij haast vergat adem te halen, met nachtzwarte haren die werden bijeengehouden met een geweven haarband van zilverdraad. Ze stond even sierlijk als een andere vrouw danste. Hij meende haar vaag te herkennen, maar verwierp dat idee meteen weer. Geen enkele man zou zo’n vrouw vergeten.
‘Je kunt ermee door, neem ik aan, als je weer wat aangekomen bent,’ zei ze, ‘maar ik raad je aan iets aan te trekken.’ Heel even stond Mart haar aan te kijken, en toen besefte hij opeens dat hij naakt in de kamer stond. Met een vuurrood hoofd schuifelde hij naar het bed, trok de deken als een mantel om zich heen en plofte meer op de matras neer dan dat hij erop ging zitten. ‘Het spijt me dat... Ik bedoel... eh... ik had niet gedacht... ik... ik...’ Hij haalde diep adem. ‘Ik wil me verontschuldigen voor het feit dat u me zo aantreft.’ Hij kon nog steeds zijn warme wangen voelen. Heel even wilde hij dat Rhand – wat er ook van hem geworden was – of zelfs Perijn hem hier raad kon geven. Zij leken altijd heel goed om te springen met vrouwen. Zelfs de meisjes die wisten dat Rhand zo goed als beloofd was aan Egwene, bleven hem vaak aangapen, en leken te denken dat Perijns trage manier van doen zachtmoedig en aantrekkelijk was. Terwijl hij zich bij zijn pogingen bij meisjes altijd voor gek zette. Zoals daarnet.
‘Ik zou je niet zomaar hebben bezocht, Mart, maar ik was hier... in de Witte Toren...’ – ze glimlachte alsof de naam haar vermaakte – ‘voor een ander doel, en ik wilde jullie bekijken.’ Marts gezicht werd weer rood en hij trok de deken nog strakker om zich heen, maar ze leek hem niet te plagen. Nog sierlijker dan een zwaan gleed ze naar de tafel. ‘Je hebt honger. Dat was ook te verwachten, gezien de manier waarop zij dingen doen. Zorg ervoor dat je alles opeet wat ze je voorzetten. Je zult verbaasd staan hoe snel je weer op gewicht bent en je kracht terug hebt.’