De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Met een luid gekraak van scheurend leer rees de vergulde dolk uit Marts riem omhoog en bleef een voet boven zijn worstelende lichaam hangen. De robijn glinsterde, leek vuurrode vonken te spatten, alsof die de Heling eveneens bestreed.
Marts ogen gingen open en hij keek de vrouwen om hem heen woest aan. ‘Mia ayende, Aes Sedai! Caballein misain ye! Inde muagdhe Aes Sedai misain ye! Mia ayende!’ Toen begon hij te schreeuwen, een razend gebrul dat maar bleef doorgaan, tot Egwene zich afvroeg of er nog enige adem in dat lichaam restte.
Haastig bukte Anaiya zich om een zwart metalen kistje onder de tafel te pakken en tilde het op of het zwaar was. Toen ze het naast Mart had gezet en het deksel had opengedaan, werd een kleine holte zichtbaar tussen de duimdikke wanden. Weer bukte Anaiya zich, pakte een tang, zoals een huisvrouw in de keuken zou gebruiken, en greep daarmee de zwevende dolk. Ze deed even voorzichtig alsof het een giftige slang was.
Marts gebrul werd uitzinnig. De robijn schitterde woest en flitste bloedrood.
De Aes Sedai schoof de dolk in het kistje, sloeg het deksel dicht en slaakte een luide zucht toen dat met een klik sloot. ‘Smerig ding,’ zei ze.
Zodra de dolk was verdwenen, stopte Marts gebrul en viel hij neer alsof zijn botten en spieren in water waren veranderd. Een ogenblik later verdween de gloed die rond de Aes Sedai en de tafel hing. ‘Gedaan,’ zei de Amyrlin hees alsof ze de hele tijd had geschreeuwd. ‘Het is gedaan.’
Enkele Aes Sedai zakten in elkaar en op meerdere voorhoofden was zweet zichtbaar. Anaiya trok een simpele linnen zakdoek uit haar mouw en veegde openlijk haar gezicht droog. De koel kijkende Witte zuster depte bijna voortdurend haar wangen af met een stukje Lugardkant.
‘Boeiend,’ zei Verin, ‘dat vandaag de dag het Oude Bloed nog zo sterk in iemand kan stromen.’ Zij en Serafelle staken de hoofden bij elkaar voor een zacht gesprek, waarbij ze druk gebaarden, is hij geheeld?’ vroeg Nynaeve. ‘Blijft hij... leven?’ Mart lag erbij alsof hij sliep, maar zijn gezicht leek met die holle wangen nog steeds ingevallen. Egwene had nog nooit gehoord dat een Heling niet alles heelde. Tenzij alleen al zijn scheiding van die dolk alle Kracht vereiste die ze konden aanwenden. Licht! ‘Brendas,’ zei de Amyrlin, ‘wil jij ervoor zorgen dat hij naar zijn kamer wordt gebracht?’
‘Zoals u beveelt, Moeder,’ zei de vrouw met de koele ogen. Haar kniebuiging was al even gevoelloos als zijzelf. Toen ze wegging om de dragers te halen, verlieten enkele andere Aes Sedai, waaronder Anaiya, eveneens het vertrek. Verin en Serafelle volgden, nog steeds met elkaar pratend, maar zo zacht dat Egwene en de andere twee haar niet konden verstaan.
‘Is Mart in orde?’ wilde Nynaeve weten. Sheriam trok haar wenkbrauwen op.
De Amyrlin Zetel wendde zich tot het drietal. ‘Hij is zo gezond als mogelijk is,’ zei ze koel. ‘Slechts de tijd zal het leren. Als je iets met de smet van Shadar Logoth zo lang bij je draagt als hij... niemand weet welke gevolgen dat voor hem zal hebben. Misschien geen enkel, misschien veel. We moeten afwachten. Maar de band met de dolk is verbroken. Nu heeft hij rust nodig en zoveel eten als hij kan verdragen. Hij zou nu in leven moeten blijven.’
‘Wat was hij aan het roepen, Moeder?’ vroeg Elayne en voegde er toen haastig aan toe: ‘Als ik dat mag vragen.’
‘Hij gaf bevelen aan soldaten.’ De Amyrlin nam de jongeman op de tafel keurend op. Hij had zich, nadat hij was neergevallen, niet meer bewogen, maar Egwene meende te zien dat hij gemakkelijker ademde en dat zijn borst regelmatiger op en neer ging. ‘In een veldslag van tweeduizend jaar geleden, zou ik zeggen. Het Oude Bloed roert zich.’
‘Niet alles kwam van de veldslag. Ik hoorde hem Aes Sedai zeggen. Dat was niet van een veldslag,’ zei Nynaeve. ‘Moeder,’ voegde ze er te laat aan toe.
Heel even leek de Amyrlin dingen te overwegen, misschien wat ze moest zeggen, misschien of ze wel iets wilde zeggen. ‘Een tijdlang,’ zei ze ten slotte, ‘denk ik, waren verleden en heden een. Hij was daar en hij was hier en hij wist wie wij waren. Hij beval ons hem vrij te laten.’ Weer zweeg ze. ‘Hij zei: “Ik ben een vrij man, Aes Sedai. Ik ben geen Aes Sedai-knecht.” Dat was het.’
Leane snoof luid en enkele andere Aes Sedai mompelden boos. ‘Maar Moeder,’ zei Egwene. ‘Hij kan het nooit zo hebben bedoeld. Manetheren was een bondgenoot van Tar Valon.’
‘Manetheren was een bondgenoot, kind,’ zei de Amyrlin, ‘maar wie kent het hart van een man? Hij kent het zelf niet eens, vermoed ik. Een man is het gemakkelijkste dier om te breidelen en het moeilijkste om ongebreideld te laten. Ook als hij daar zelf voor kiest.’
‘Moeder,’ zei Sheriam. ‘Het is laat. De keuken zal deze helpsters verwachten.’
‘Moeder,’ vroeg Egwene bezorgd, ‘mogen we niet bij Mart blijven? Als hij toch nog sterft...’
De blik van de Amyrlin verried niets, haar gezicht was uitdrukkingsloos. ‘Je hebt werk te doen, kind.’
Ze bedoelde absoluut niet het boenen. Dat wist Egwene zeker. ‘Ja, iMoeder.’ Ze maakte een kniebuiging en haar rok ritselde langs die van Nynaeve en Elayne toen die hetzelfde deden. Ze keek nog een laatste keer naar Mart en volgde toen Sheriam naar buiten. Mart had zich nog steeds niet bewogen.
19
Ontwaken
Mart deed langzaam zijn ogen open en staarde omhoog naar het witgepleisterde plafond. Hij vroeg zich af waar hij was en hoe hij hier was gekomen. Een ingewikkelde fries van vergulde bladeren liep rond het plafond en de veren matras onder zijn rug voelde lekker zacht aan. Dus een plaats waar ze rijk waren. Ergens waar ze geld hadden. Maar zijn hoofd was leeg over het waar en hoe en hij miste nog een heleboel andere dingen.
Hij had gedroomd en delen van die dromen tuimelden nog rond tussen de herinneringen in zijn hoofd. Hij kon het een niet van het ander onderscheiden. Iets over een wilde vlucht en gevechten, over vreemde mensen van over de oceaan. Over saidinwegen en Portaalstenen en delen van andere levens, zaken die zo uit een speelmansverhaal leken te komen, dus moesten het wel dromen zijn. Hij dacht tenminste van wel. Maar Loial was geen droom en dat was een Ogier. Brokstukken van gesprekken dreven in zijn geheugen rond, gesprekken met zijn vader, met vrienden, met Moiraine, met een prachtige vrouw en met een schipper en een goed geklede man die vaderlijk met hem sprak en hem wijze raad gaf. Die waren vermoedelijk echt. Maar het waren allemaal flarden en brokken. Op drift.
‘Muad’drin tia dar allende caba’drin rhadiem,’ mompelde hij. De woorden vormden slechts klanken, maar toch sprankelden ze, lieten ze iets ontvlammen.
De dicht aaneengesloten linies piekeniers strekten zich ruim een span links en rechts onder hem uit, een en al vaandels en banieren van stadjes en steden en lagere Huizen. De rivier beveiligde zijn linkerflank, poelen en slikken zijn rechterflank. Vanaf de helling keek hij neer op de strijd van de piekeniers tegen de Trollokhorden die probeerden door te breken, tien keer zoveel Trolloks als er mannen stonden. Pieken doorboorden zwarte Trollokmaliën en strijdbijlen sloegen bloedige wonden in de menselijke gelederen. De wind voerde geschreeuw en gekreun aan. In de wolkeloze hemel brandde de zon en hittenevels stegen boven de strijdlinie op. Nog steeds regenden vijandelijke pijlen neer en troffen zowel mensen als Trolloks. Hij had zijn eigen boogschutters teruggetrokken, maar de Gruwheren deerde het niet dat er Trolloks stierven, zolang de menselijke verdedigingslijn maar werd doorbroken. Op de heuvelrand achter hem wachtte de Hartwacht op zijn bevel en de paarden stampten ongeduldig. Het metaal op mannen en dieren glansde als zilver in het zonlicht; man en dier konden de hitte niet veel langer verdragen.