De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Ze zouden hier winnen of sterven. Hij stond bekend als een gokker; het werd tijd de stenen te werpen. Met een stem die over het tumult in de diepte heen schalde, gaf hij het bevel, terwijl hij zich in het zadel zwaaide. ‘Voetvolk! Klaar voor doorgang ruiters!’ Zijn vaandrager reed vlak naast hem, de banier van de Rode Adelaar wapperde boven zijn hoofd, en het bevel werd in de linie herhaald en doorgegeven. Onder hem schoven de piekeniers opeens ordelijk opzij, ze sloten zich aaneen in dichte formaties, waardoor brede doorgangen ontstonden. Gaten waar de Trolloks met beestachtig gebrul in doorstootten, als een zwarte zwellende doodsvloed.
Hij trok zijn zwaard en hief het hoog. ‘Voorwaarts de Hartwacht!’ Hij spoorde zijn paard aan en het ros sprong de helling af. Achter hem roffelden de hoeven ten aanval. ‘Voorwaarts!’ Hij was de eerste die op de Trolloks stootte, zijn zwaard rees en daalde, zijn banierdrager vlak achter hem. ‘Voor de eer van de Rode Adelaar!’ De Hartwacht donderde door de openingen tussen de piekeniers, slechtte de vloed, joeg die terug. ‘De Rode Adelaar!’ Halfmenselijke gezichten grauwden en beten naar hem, vreemd gebogen zwaarden zochten hem, maar hij vocht zich steeds dieper hun rangen in. Winnen of sterven. ‘Manetheren!’
Marts hand beefde toen hij die tegen zijn voorhoofd hield. ‘Los Valdar Cuebiyari,’ mompelde hij. Hij meende bijna zeker te weten wat dat betekende – ‘Voorwaarts de Hartwacht’, misschien ‘De Hartwacht trekt op’ – maar dat was onmogelijk. Moiraine had enkele woorden van de Oude Spraak voor hem vertaald en dat waren de enige woorden die hij kende. De rest kon evengoed ekstergekwetter zijn. ‘Waanzin,’ zei hij ruw. ‘Het is waarschijnlijk de Oude Spraak helemaal niet. Enkel onzin. Die Aes Sedai is gek. Het was alleen een droom.’ Aes Sedai. Moiraine. Opeens besefte hij hoe dun zijn polsen waren en hoe uitgeteerd zijn handen. Hij was ziek geweest. Had iets te maken met een dolk. Een dolk met een robijn in het heft en een reeds lang dode, besmette stad die Shadar Logoth werd genoemd. Het was allemaal vaag en ver en eigenlijk kon hij er geen touw aan vastknopen, maar hij wist dat het geen droom was. Egwene en Nynaeve hadden hem naar Tar Valon gebracht om geheeld te worden. Dat herinnerde hij zich nog wel.
Hij probeerde overeind te komen en viel weer neer, zo zwak als een pasgeboren lammetje. Moeizaam trok hij zich op en schoof de wollen deken opzij. Zijn kleren waren verdwenen; misschien lagen ze in de met bladeren en ranken besneden kleerkast tegen de muur. Maar op dit moment gaf hij niet veel om kleren. Hij ging moeizaam staan en wankelde over het bloementapijt naar een leunstoel met een hoge rug, waar hij zich aan vastklampte. Vandaar strompelde hij naar de tafel met vergulde poten en mooi houtsnijwerk opzij. Waskaarsen, vier in iedere staande kandelaar met spiegeltjes achter de kaarsvlammen, gaven het vertrek een gezellig licht. Een grotere spiegel aan de muur boven de glanzend gewreven wastafel bood hem zijn spiegelbeeld, ingevallen en uitgeteerd, met holle wangen en diep verzonken ogen, het haar plakkerig van het zweet. Hij stond zo gebogen als een oude man, bevend als weidegras in een lentebries. Hij ging rechtop staan, maar dat verbeterde niet veel.
Vlak naast zijn handen stond een grote schaal onder een doek en zijn neus ving de geur van voedsel op. Hij trok de doek opzij, waardoor twee grote zilveren kannen en schalen van dun groen porselein zichtbaar werden. Hij had gehoord dat het Zeevolk voor zulk porselein het gewicht in zilver vroeg. Hij had een lichte soep verwacht, of zachte bolletjes, het soort eten dat zieken werd voorgezet. Maar op de schaal lagen hoge stapels rosbiefplakken tussen bakjes bruine mosterd en mierikswortel. Op andere zag hij gebakken aardappelen, suikerbonen met ui, kool en botererwten. Zuur en een stuk gele kaas. Dikke sneden kruimig brood en een schaaltje boter. Een van de twee kannen was gevuld met melk en er parelden nog steeds koude druppels vocht aan de buitenkant; de andere bevatte iets wat naar kruidenwijn geurde. Van alles was er genoeg voor vier personen. Hij watertandde en zijn maag knorde.
Eerst uitzoeken waar ik ben. Maar hij rolde een plakje vlees op en doopte dat in de mosterd voor hij zich van de tafel wegduwde naar de drie hoge smalle ramen.
Aan de buitenkant zaten bewerkte luiken, maar door de gaten kon hij zien dat het buiten nacht was. Lichten uit andere vensters maakten vlekjes in het zwart. Heel even zakte hij teleurgesteld tegen de witte stenen vensterbank aan, maar toen begon hij na te denken. Wat je hart het ergste vreest, kan je hoofd benutten, zei zijn vader altijd, en Abel Cauton was zeker de beste paardenkoper van Tweewater. Iemand die meende ten koste van hem een voordeeltje te hebben behaald, bleek naderhand toch aan het kortste eind te hebben getrokken. Niet dat Abel Cauton iets oneerlijks deed, maar zelfs het volk van Tarenveer moest het tegen hem afleggen, en iedereen wist hoe die mensen je konden scheren. Het kwam ongetwijfeld doordat zijn vader de zaak eerst van alle kanten bekeek.
Tar Valon. Dit moest Tar Valon zijn. Dit vertrek hoorde bij een paleis. Het Domani-tapijt met de bloemen kostte waarschijnlijk al meer dan een boerderij. Bovendien voelde hij zich niet meer ziek en hij had gehoord dat Tar Valon de enige plaats was waar hij beter kon worden. Hij had zich eigenlijk nooit echt ziek gevoeld, naar zijn beste weten niet, zelfs niet toen Verin – weer een naam die uit het waas naar voren kwam – iemand had verteld dat hij stervende was. Nou, hij voelde zich zo zwak als een zuigeling en had honger als een paard, maar op de een of andere manier wist hij dat de Heling achter de rug was. Ik voel me... gezond en wel, dat is alles. Ik ben geheeld. Hij grinnikte naar de luiken.
Geheeld. Dat betekende dat ze de Ene Kracht op hem hadden gebruikt. Die gedachte bezorgde hem kippenvel over zijn hele lijf, maar hij had geweten dat het gedaan moest worden. ‘Beter dan doodgaan,’ zei hij tegen zichzelf. Er drongen zich enkele verhalen over de Aes Sedai in hem op. ‘Het moet beter zijn dan te sterven. Zelfs Nynaeve dacht dat ik zou sterven. Het is in ieder geval gedaan en als ik me daar nu zorgen over ga maken, zal dat niets veranderen.’ Hij besefte dat hij het vlees op had en het vleesnat van zijn vingers stond te likken. Onzeker liep hij weer terug naar de tafel. Er stond een kruk onder. Hij trok die naar zich toe en ging zitten. Hij bekommerde zich niet om mes en vork en rolde opnieuw een plak vlees op. Hoe kon hij zijn verblijf in Tar Valon – In de Witte Toren. Dat kan niet anders - tot zijn eigen voordeel benutten?
Tar Valon betekende Aes Sedai. Zeker geen reden om langer te blijven. Precies het tegenovergestelde. Wat hij zich van de tijd bij Moiraine herinnerde, en later bij Verin, gaf maar weinig aanwijzingen. Hij kon zich niet herinneren of een van hen echt iets verschrikkelijks had gedaan, maar ja, van die dagen kon hij zich maar bar weinig herinneren. In ieder geval deden Aes Sedai dingen om hun eigen redenen. ‘En dat is niet altijd de reden die jij denkt,’ mompelde hij, een mond vol aardappelen doorslikkend. ‘Een Aes Sedai liegt nooit, maar de waarheid uit de mond van een Aes Sedai is haar waarheid, niet de jouwe. Daar kan ik maar beter goed aan denken: ik kan er niet van op aan, zelfs niet als ik meen het zeker te weten.’ Het was geen plezierige conclusie. Hij nam enkele grote happen botererwtjes. Zijn gedachten over Aes Sedai brachten herinneringen tot leven. De zeven Ajahs: Blauw, Rood, Bruin, Groen, Geel, Wit en Grijs. Rood was het ergst. Afgezien van die Zwarte Ajah, waarvan ze allemaal zeggen dat die niet bestaat. Maar de Rode Ajah vormde geen bedreiging voor hem. Ze hadden alleen belangstelling voor mannen die konden geleiden.
Rhand. Bloed en as, hoe kon ik dat vergeten? Waar is hij? Zou het goed met hem zijn? Hij zuchtte spijtig en smeerde boter op een snee warm brood. Ik vraag me af of hij al gek is geworden. Maar zelfs als hij de antwoorden wist, kon hij toch niets voor Rhand doen. Hij wist niet eens zeker of hij het zou kunnen. Rhand kon geleiden en Mart was opgegroeid met verhalen over mannen die geleidden, verhalen om kinderen bang te maken. Verhalen die ook volwassenen angst aanjoegen, omdat sommige maar al te waar waren. Weten wat Rhand kon, was net zoiets geweest als de ontdekking dat je beste vriend kleine dieren martelde en baby’s vermoordde. Als je dat eindelijk had aanvaard, was het moeilijk hem nog langer je vriend te noemen.