Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 47 48 49 50 51 52 53 54 55 ... 203
Перейти на страницу:

Een lichtstaaf uit de Eeuw der Legenden, dat beweerde men tenminste. Zeker was dat niemand deze staven meer kon maken. Heel duur en zeldzamer dan een eerlijke magistraat. Het voorwerp zag eruit als een gewone glazen staaf, dikker dan zijn duim en iets korter dan zijn onderarm, maar als je hem in je hand hield, gloeide hij even helder als een lantaarn. Lichtstaven versplinterden ook als glas. Hij was de Schuimvlok bijna kwijtgeraakt bij een brand die was ontstaan door zijn eerste lichtstaaf. Een klein, door de eeuwen vergeeld, ivoren beeldje van een man die een zwaard vasthield. De verkoper had beweerd dat je je warm ging voelen als je het lang genoeg vasthield. Het was Domon of een van de andere scheepsmaten die hij het liet vasthouden, nooit gelukt, maar het was oud en dat was genoeg voor hem. Een ander voorwerp was de schedel van een kat, zo groot als van een leeuw, en zo oud dat hij in steen was veranderd. Maar geen leeuw had ooit hoektanden gehad van wel een voet lang. Het leken wel slagtanden. En hij had een massieve schijf gekocht, bijna een hand breed. De ene helft was wit en de andere zwart, beide gescheiden door een kronkellijn. De winkelier in Maradon had gezegd dat het uit de Eeuw der Legenden stamde – wat hijzelf niet geloofde – maar Domon had maar weinig op de prijs afgedongen. Hij had het herkend en de winkelier duidelijk niet. Het was het oude teken van de Aes Sedai, uit de tijd van vóór het Breken van de Wereld. Niet echt een veilig bezit, maar ook niet iets dat iemand met een hartstocht voor het oude kon laten liggen.

En het was hartsteen. De winkelier had dat nooit aan zijn verhaal durven toevoegen, omdat een koper zoiets zeker als een leugen zou beschouwen. In Maradon kon geen enkele winkelier aan de waterkant zich zelfs het kleinste stukje cuendillar veroorloven. De schijf voelde hard en glad aan, en was eigenlijk alleen vanwege de ouderdom waardevol, maar hij was bang dat zijn achtervolgers op dit voorwerp uit waren. Lichtstaven, ivoren snijwerk en zelfs versteende botten had hij op andere tijden en in andere plaatsen gezien. Maar ook al wist hij wat ze in handen wilden krijgen, het waarom wist hij nog steeds niet. Bovendien wist hij ook niet meer zeker wie zijn achtervolgers waren. Goud uit Tar Valon en een oud teken van de Aes Sedai. Hij wreef over zijn lippen en zijn tong proefde de bittere smaak van vrees.

Een klop op de deur. Hij legde de schijf neer en schoof er een uitgerolde kaart over. ‘Kom erin.’

Jarin kwam de kajuit in. ‘We zijn de golfbrekers voorbij, schipper.’ Iets van verbazing flitste door Domon heen en toen boosheid op zichzelf. Hij had zich nooit zo in zijn bezittingen mogen verdiepen dat hij het rollen van de Schuimvlok op de golven niet had gevoeld. ‘Koers west, Jarin. Zorg ervoor.’

‘Ebo Dar, schipper?’

Niet ver genoeg. Minstens vijfhonderd zeeroeden verder. ‘We leggen lang genoeg aan om kaarten te krijgen en de watervaten bij te vullen, en dan zeilen we westwaarts.’

‘Naar het westen, schipper? Tremalkin? Het Zeevolk maakt het kooplieden niet gemakkelijk, alleen hun eigen mensen.’

‘De Arythische Oceaan, Jarin. Er is genoeg handel tussen Tarabon en Arad Doman en er zijn amper Taraboonse of Domaanse schepen, te weinig om ons zorgen te maken. Ik heb gehoord dat ze niet van de zee houden. En dan hebben we nog de kleine stadjes op de Kop van Toman die bij geen enkel land willen horen. We kunnen zelfs bont en ijspepers uit Saldea inladen die naar Bandar Eban zijn vervoerd.’

Jarin schudde langzaam het hoofd. Hij was somber van aard maar een goed zeeman. ‘Bont en pepers zullen ons daar meer kosten dan als we het zelf halen, schipper. En ik heb gehoord dat daar een soort oorlog aan de gang is. Als Tarabon en Arad Doman aan het vechten zijn geslagen, kan er weleens helemaal geen handel zijn. Ik betwijfel of die plaatsen op de Kop van Toman op zichzelf veel winst opleveren, zelfs als het er veilig is. Falme is de grootste stad en die is niet groot.’

‘De Taraboners en de Domani hebben altijd al ruzie gemaakt over de Vlakte van Almoth en de Kop van Toman. Zelfs als het deze keer tot strijd heeft geleid, kan een behoedzaam man nog handel vinden. Naar het westen, Jarin.’

Toen Jarin weer naar boven was gegaan, legde Domon de zwart-witte schijf snel in de bergplaats en stouwde de rest weer onder in de kist. Duistervrienden of Aes Sedai, ik ga niet die kant op die zij willen. Het Fortuin hale me, nee’.

Voor het eerst in maanden voelde Domon zich veilig. Hij ging aan dek terwijl de Schuimvlok in de wind draaide en haar boeg op de zwarte zee naar het westen wendde.

10

De jacht begint

Aanvankelijk zette Ingtar er flink de pas in, zo flink dat Rhand zich zorgen om de paarden maakte. De dieren konden een draf urenlang volhouden, maar het grootste deel van de dag lag nog voor hen, en waarschijnlijk zouden er nog heel wat meer dagen volgen. Maar aan het vastberaden gezicht van Ingtar te zien, hoopte hij de dieven van de Hoorn meteen de eerste dag, het liefst nog het eerste uur, te pakken te krijgen. Rhand herinnerde zich Ingtars stem toen hij zijn eed aan de Amyrlin Zetel uitsprak en het had hem niet mogen verbazen. Hij hield echter zijn mond, want heer Ingtar leidde de achtervolging. Hoe vriendelijk hij ook tegen Rhand was, de raad van een schaapherder zou hij niet waarderen.

Hurin reed een pas achter Ingtar, maar de snuiver wees Ingtar de weg naar het zuiden. Het land trok aan hen voorbij, begroeide heuvels vol sparren, lederbladbomen en eiken. Het pad dat Hurin aangaf, was bijna kaarsrecht en week niet af, behalve bij enkele hogere heuvels, waar het duidelijk was dat erlangs sneller was dan eroverheen. De banier met de Grijze Uil wapperde in de wind. Rhand probeerde naast Mart en Perijn te gaan rijden, maar toen hij zijn paard inhield, stootte Mart Perijn aan en galoppeerden ze met tegenzin naar de kop van de stoet. Rhand mompelde in zichzelf dat het geen zin had om achteraan te rijden en reed weer naar voren. Opnieuw gebaarde Mart naar Perijn en ze lieten zich weer naar de achterhoede terugzakken.

Bloedvuur! Ik wil alleen maar zeggen dat het me spijt. Hij voelde zich eenzaam. Het hielp niet dat hij wist dat het zijn eigen schuld was.

Boven op een heuvel steeg Uno af en onderzocht de grond die door hoeven was omgewoeld. Hij pookte met een takje in wat paardenmest en gromde. ‘Ze gaan bloedhard, heer.’ Hij had een bulderende stem, ook als hij gewoon sprak. ‘We zijn nog geen uur op hen ingelopen. Bloed en as, we hebben misschien een vervloekt uur op ze verloren. Ze brengen hun bloedpaarden nog om zeep als ze zo blijven rijden.’ Zijn vinger pookte in een hoefafdruk. ‘Dat is geen paard. Da’s een smerige Trollok. En daar een paar gore geitenhoeven.’

‘We zullen ze krijgen,’ zei Ingtar grimmig.

‘Onze paarden, heer. Het zal ons niet helpen als we ze kapotrijden voor we ze ingehaald hebben, heer. Zelfs als ze hun paarden doodrijden, kunnen die rottige Trolloks het langer volhouden dan de paarden.’

‘We zullen ze krijgen. Opstijgen, Uno.’

Uno keek met zijn ene oog naar Rhand, haalde zijn schouders op en klom in het zadel. Ingtar leidde hen naar beneden, half dravend, half glijdend, en galoppeerde de volgende heuvel op. Waarom keek hij zo naar mij? vroeg Rhand zich af. Uno was een van degenen die hem nooit veel vriendelijkheid hadden getoond. Het was niet hetzelfde als Masema’s openlijke afkeer; Uno was tegen niemand vriendelijk behalve tegen een paar veteranen die even grijs waren als hijzelf. Hij zal toch niet geloven dat ik van hoge afkomst ben? Uno bleef voortdurend het land voor hen bestuderen, maar toen hij in de gaten kreeg dat Rhand naar hem keek, staarde hij even hardnekkig terug zonder ook maar iets te zeggen. Dat betekende niet veel. Hij zou Ingtar ook aanstaren. Zo was Uno nu eenmaal. Het pad dat de Duistervrienden – en wat nog meer, vroeg Rhand zich af, want Hurin bleef maar mopperen over iets ‘ergers’ – volgden, leidde nooit langs een dorp. Op de toppen van de heuvels in de vele spannen die onder hun hoeven wegroffelden, zag Rhand dorpjes liggen, maar ze lagen te ver weg om de mensen in de straten te kunnen zien. Dus zouden die mensen nooit een naar het zuiden trekkende ruitertroep kunnen ontdekken. Er waren ook boerderijen, met lage huizen en grote schuren en rokende schoorstenen. Ze lagen op heuveltoppen, op hellingen en in dalen, maar nooit zo dichtbij dat een boer hun prooi had kunnen zien.

1 ... 47 48 49 50 51 52 53 54 55 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)