De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Hij knikte afwezig, al was zijn kroes nog bijna vol, en ze schommelde weg. Ze was een vriendin en zou niets zeggen over wat ze had gezien. Hij staarde naar de leren buidel. Er werd nog een kroes gebracht voor hij ertoe kon komen de beurs zo ver te openen dat hij de geldstukken kon bekijken. Met een eeltige wijsvinger rommelde hij erin rond. De goudstukken glinsterden in het lamplicht en elk droeg die vervloekte Vlam van Tar Valon. Haastig knoopte hij de beurs dicht. Gevaarlijke munten. Een of twee kon nog wel, maar met zoveel munten zouden de meeste mensen hardop zeggen wat Nieda dacht. Er waren Kinderen van het Licht in de stad, en hoewel geen enkele wet in Illian de handel met Aes Sedai verbood, zou hij nooit een stadsbestuurder bereiken als de Witmantels hiervan hoorden. Deze lieden zorgden ervoor dat hij niet gewoon met het goud in Illian kon blijven rondhangen.
Terwijl hij hierover zat te tobben, kwam Jarin Maeldan, zijn sombere bootsman op ooievaarsbenen, de Das binnen met diepe rimpels in z’n voorhoofd. Hij boog zich over het tafeltje van de schipper heen. ‘Carn is dood, schipper.’
Domon staarde hem verstoord aan. Driemaal had hij een opdracht om naar het oosten te zeilen geweigerd, driemaal was een scheepsmaat van de Schuimvlok vermoord. De magistraten hadden er niets aan gedaan; de straten waren ’s nachts gevaarlijk, zeiden ze, en zeelieden waren ruwe, ruzie zoekende klanten. Magistraten bekommerden zich zelden om wat er in het Geurende Kwartier gebeurde, zolang er maar geen achtenswaardige burgers werden gewond. ‘Maar deze keer nam ik de opdracht aan,’ mompelde hij niet-begrijpend.
‘Da’s nog niet alles, schipper,’ zei Jarin. ‘Ze hebben Carn met messen bewerkt, alsof ze hem wilden dwingen iets te zeggen. En nog geen uur geleden probeerden enkele lieden aan boord van de Schuimvlok te sluipen. De havenwacht heeft ze verjaagd. Dit is al de derde keer in drie dagen! Nooit havenratten gekend die zo volhardend zijn. Meestal laten ze de opwinding wegebben voordat ze het opnieuw proberen. En iemand heeft gisteravond mijn kamer in de Zilveren Dolfijn overhoop gehaald. Heeft wat zilver meegepikt, dus ik denk dat het dieven zijn, maar ze lieten mijn gesp liggen, u weet wel, die met de granaten en maanstenen, en die lag zo voor het grijpen. Wat is er aan de hand, schipper? De mannen zijn bang en ik word zelf ook wat zenuwachtig.’
Domon ging staan. ‘Por de bemanning op, Jarin. Zoek ze en zeg ze dat de Schuimvlok uitvaart zodra er genoeg mannen aan boord zijn om uit te varen.’ Hij propte het perkament in zijn jaszak, graaide de buidel met goud van tafel en duwde zijn bootsman de deur uit. ‘Por ze op, Jarin, want laatkomers blijven op de kade achter.’ Domon gaf Jarin een duw om hem aan te sporen en beende zelf naar de dokken. Zelfs struikrovers die het rinkelen van de buidel hoorden, bleven uit zijn buurt, want nu liep hij als een man die een moord gaat plegen.
Toen hij aankwam, klauterden er al scheepsmaten aan boord, en nog meer kwamen op blote voeten over de stenen kade aangehold. Zij wisten niets van zijn vrees voor wat hem achtervolgde, maar ze wisten dat hij goeie winsten maakte, en naar Illiaanse gewoonte deelde de bemanning in de winst.
De Schuimvlok was tachtig voet lang, had twee masten en was breed gebouwd, met ruimte voor lading op het dek en in de ruimen. Ondanks Domons verhaal tegen de Cairhienin – als ze uit Cairhien kwamen – dacht hij dat ze open water best aankon. De Zee der Stormen was kalmer in de zomer.
‘Ze zal wel moeten,’ gromde hij en stapte naar zijn hut benedendeks. Hij gooide de goudbuidel op zijn bed, dat net als de andere meubels in zijn strenge kajuit tegen de romp was aangebouwd. Hij haalde het perkament te voorschijn, stak de lantaarn aan de balk aan en bestudeerde het verzegelde document. Hij draaide het rond, alsof hij zo kon lezen wat erin stond zonder het te openen. Een klop op de deur deed hem geërgerd opkijken. ‘Binnen.’
Jarin stak zijn hoofd om de deurpost. ‘Ze zijn allemaal aan boord, op drie na, die ik niet kon vinden. Maar ik heb een boodschap in iedere herberg, hut en hoek van het kwartier achtergelaten. Ze zullen aan boord zijn voor ’t licht genoeg is om de rivier op te varen.’
‘De Schuimvlok vaart nú uit. Naar zee.’ Domon sneed Jarins protesten af, over licht en getijden en de niet voor open zee geschikte Schuimvlok. ‘Nu! De Schuimvlok kan de zandbanken zelfs met doodtij ruimen. Je hebt het koersen op de sterren toch nog niet verleerd, hè? Breng haar naar buiten, Jarin. Breng haar nú naar buiten en kom terug als we voorbij de golfbrekers zijn.’
Zijn bootsman aarzelde. Domon voer nooit een gevaarlijk stuk zonder dat hijzelf op het dek stond en de bevelen gaf. De Schuimvlok in de nacht laten uitvaren, zou gevaarlijk zijn, weinig diepgang of niet. Toen knikte Jarin echter en verdween. Even later drong het geschreeuw van Jarins bevelen en het geroffel van hollende blote voeten in Domons hut door. Hij negeerde ze, zelfs toen het schip op het tij begon te deinen.
Uiteindelijk opende hij de lantaarn en hield een mes in de vlam. Een kringeltje rook ontsnapte toen de olie op de kling vlam vatte, maar voor het metaal roodgloeiend kon worden, schoof hij zijn kaarten opzij en drukte het perkament plat op de tafel. Langzaam werkte hij het hete staal onder de zegellak. De bovenste flap kwam omhoog. Het was een eenvoudig document, zonder aanhef of groet, en het veroorzaakte zweetdruppels op zijn voorhoofd.
Drager dezes is een Duistervriend die in Cairhien gezocht wordt voor moord en andere smerige misdaden, waarvan diefstal van eigendommen Onzes Persoons nog de minste is. Wij verzoeken u deze man vast te nemen, met alles wat hij bezit, tot het kleinste aan toe. Onze vertegenwoordiger zal komen en meenemen wat hij van Ons heeft gestolen. Laat alles wat hij bezit, behalve datgene wat Wij opeisen, u deelachtig worden als beloning voor zijn aanhouding. Laat deze smerige misdadiger onmiddellijk ophangen, opdat zijn door de Schaduw uitgebroede smerigheid niet langer het Licht besmeurt.
Gezegeld door Onze Hand Galdrian su Riatin Rie Koning van Cairhien Verdediger van de Drakenmuur
Onder de handtekening waren in dunne rode lak de zegels afgedrukt van de Rijzende Zon van Cairhien en van de Vijf Sterren van Huis Riatin.
‘Verdediger van de Drakenmuur, mijn ouwe grootmoeder,’ riep Domon schril. ‘Wat geeft die man het recht zich zo’n titel aan te matigen?’
Hij bestudeerde de zegels en handtekening nauwkeurig en hield het document dicht bij de lamp, waardoor zijn neus het perkament bijna raakte. Hij kon er echter geen fouten in ontdekken en hij had geen idee hoe Galdrians handschrift eruitzag. Als de koning niet zelf had ondertekend, mocht hij ervan uitgaan dat de onbekende schrijver de hanenpoten van Galdrian goed had nagemaakt. Het maakte hoe dan ook geen enkel verschil. In Tyr zou de brief in handen van een Illia-ner onmiddellijk fataal zijn. Ook in Mayene, waar de Tyreense invloed zo sterk was. Er was momenteel geen oorlog en boten uit beide havens voeren vrijelijk in en uit, maar er bestond in Tyr even weinig liefde voor de Illianers als omgekeerd. Vooral niet met zoiets als dit schrijven voor hem.
Even dacht hij erover om het perkament in de vlam van de lantaarn te steken. Het was gevaarlijk zoiets bij je te hebben, in Tyr of Illian of waar dan ook. Uiteindelijk stopte hij het zorgvuldig weg in een geheime bergplaats achter zijn tafel, die verborgen werd door een paneel dat alleen hij wist te openen. ‘Mijn bezittingen, hè?’
Hij verzamelde oude dingen, voor zover dat mogelijk was voor iemand die op een boot leefde. Wat hij niet kon kopen omdat het te duur of te groot was, bewaarde hij na lang kijken in zijn geheugen. Al die overblijfselen uit voorbije tijden, die wonderen overal ter wereld hadden hem ooit als jongen aan boord van een schip gelokt. Bij zijn laatste bezoek aan Maradon had hij vier dingen aan zijn verzameling toegevoegd, en toen waren de Duistervrienden hem gaan achtervolgen. Een tijdlang ook Trolloks, en hij had gehoord dat Wittebrug na zijn vertrek tot de grond toe was afgebrand. En er waren geruchten geweest over Myrddraal en Trolloks. Al deze feiten bij elkaar hadden hem ervan overtuigd dat hij zich geen dingen inbeeldde. Daardoor was hij op zijn hoede geweest toen hem die eerste vreemde opdracht werd aangeboden. Er werd te veel geld geboden voor een simpele vaart naar Tyr, met een te mager verhaaltje als reden. Hij keek in zijn kist en zette zijn aankopen uit Maradon op tafel.