Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 44 45 46 47 48 49 50 51 52 ... 203
Перейти на страницу:

Ingtar merkte Rhands blikken op. ‘Dat is Hurin, onze snuiver. Het was niet nodig de Aes Sedai over hem in te lichten. Niet dat wat hij doet verkeerd is, begrijp me goed. De koning heeft een snuiver in Fal Moran en er is er nog een in Ankor Dail. Het is gewoon zo dat de Aes Sedai het zelden prettig vinden als ze iets niet begrijpen, en omdat hij een man is... Het heeft natuurlijk niets met de Kracht te maken. Ach! Vertel het hem zelf maar, Hurin.’

‘Ja, heer Ingtar,’ zei de man. Hij boog vanuit zijn zadel diep voor Rhand. ‘Het is mij een eer u te dienen, heer.’

‘Noem me Rhand.’ Rhand stak zijn hand uit en na enige aarzeling schudde Hurin hem grinnikend de hand.

‘Zoals u wenst, heer Rhand. Heer Ingtar en heer Kajin geven niks om iemands manieren – en heer Agelmar ook niet, natuurlijk – maar in de stad zeggen ze dat u een uitheemse prins uit het zuiden bent. Sommige uitheemse heren zijn heel streng; ieder dient zijn plaats te kennen.’

‘Ik ben geen heer.’ Daar ben ik nu tenminste van verlost. ‘Gewoon Rhand.’

Hurin knipperde met de ogen. ‘Zoals u wenst, heer... eh... Rhand. Ik ben een snuiver, ziet u. Vier jaar, gerekend deze Zonnedag. Ik had daarvoor nog nooit van zoiets gehoord, maar ik hoor dat er nog een paar lieden zoals ik zijn. Begon ongemerkt, ving slechte geuren op waar niemand anders wat rook, en het werd sterker. Kostte een heel jaar voor ik besefte wat het was. Ik kon geweld ruiken, het doden en verwonden. Opsnuiven waar het gebeurde. Het spoor ruiken van de dader. Elk spoor ruikt anders, zodat er geen kans is dat ik ze door elkaar haal. Heer Ingtar hoorde ervan en nam me in dienst om ’s konings recht te dienen.’

‘Jij kunt geweld ruiken?’ zei Rhand. Hij keek onwillekeurig naar Hurins neus. Het was een gewone neus, niet groot, niet klein. ‘Je bedoelt dat je echt iemand kunt volgen die, ik noem maar iets, een ander gedood heeft? Door zijn geur?’

‘Dat kan ik, heer... eh, Rhand. Mettertijd vervaagt het, maar hoe erger het geweld, hoe langer het blijft hangen. Ai-ai-ai, ik kan een slagveld van tien jaar terug ruiken, hoewel de sporen van de lieden die er waren, verdwenen zijn. Daarginds in de Verwording verdwijnen de sporen van de Trolloks bijna nooit. Een Trollok is een en al moord en mishandeling. Maar een vechtpartij in een herberg, met misschien een gebroken arm... die geur is na een paar uur verdwenen.’

‘Ik begrijp waarom je niet wilt dat de Aes Sedai erachter komen.’

‘Ah, heer Ingtar had het bij het goeie eind over de Aes Sedai, het Licht verlichte hen, eh... Rhand. Vroeger heb ik er een in Cairhien ontmoet, een van de Bruine Ajah, maar ik zweer dat ik dacht dat ze een Rode was voor ze me liet gaan. Ze hield me een maand lang vast en probeerde uit te vinden hoe ik het deed. Ze vond het niet leuk dat ze het niet snapte. Ze bleef maar mopperen: “Is dit het oude dat is weergekeerd of is het nieuw?” En ze bleef me maar aankijken tot je zou denken dat ik écht de Ene Kracht gebruikte. Liet me bijna aan mezelf twijfelen. Maar ik ben niet gek geworden en ik dóé niks. Ik ruik het gewoon.’

Ondanks alles deed dit Rhand aan Moiraine denken. Oude grenzen vervagen. Er heerst iets van ontbinding en verandering in onze dagen. Oude dingen waren weer rond en nieuwe dingen worden geboren. Misschien maken we bet eind van een eeuw mee. Hij huiverde. ‘Dus de dieven van de Hoorn volgen we met jouw neus.’ Ingtar knikte. Hurin grinnikte trots en zei: ‘Dat doen we, eh, Rhand. Ik heb ooit een moordenaar tot in Cairhien gevolgd, en een ander helemaal tot aan Maradon, om ze voor ’s konings gerecht te brengen.’ Zijn grijns verdween en hij keek bezorgd. ‘Maar dit is het ergste wat ik ben tegengekomen. Moord ruikt smerig en het spoor van een moordenaar is ervan vergeven, maar dit...’ Zijn neus rimpelde. ‘Er waren vannacht mannen bij die Duistervrienden moeten zijn, maar op zijn geur alleen kun je geen Duistervriend onderscheiden. Wat ik zal volgen, zijn Trolloks en Halfmensen. En iets wat nog erger is.’ Zijn stem stierf weg. Hij keek somber en zat in zichzelf te mompelen, maar Rhand kon het verstaan, iets wat nog erger is! Moge het Licht me bijstaan.’

Ze bereikten de stadspoorten en even voorbij de muren hief Hurin zijn gezicht op naar de bries. Hij sperde zijn neusvleugels open en snoof van afkeer. ‘Die kant op, heer Ingtar.’ Hij wees naar het zuiden. Ingtar keek verrast. ‘Niet naar de Verwording?’

‘Nee, heer Ingtar. Bah!’ Hurin veegde zijn mond aan zijn mouw af. ‘Ik kan ze bijna proeven. Ze zijn naar het zuiden gegaan.’

‘Dan had de Amyrlin Zetel gelijk,’ zei Ingtar langzaam. ‘Een grote en wijze vrouw, die betere dienaren dan mij verdient. Leid ons langs het spoor, Hurin.’

Rhand draaide zich om en tuurde door de poort de straat in tot aan de burcht. Hij hoopte dat het met Egwene in orde was. Nynaeve houdt wel een oogje op haar. Misschien is het zo beter. Zoals een klare breuk: te snel om pijn te doen tot het gebeurd is. Hij reed achter Ingtar en de banier met de Grijze Uil aan, naar het zuiden. De wind werd sterker, koud tegen zijn rug, ondanks de zon. Hij dacht dat hij er gelach in hoorde, vaag en spottend.

De opkomende maan verlichtte de dampige, donkere straten van IIIian, waar nog steeds het feestgedruis van overdag opklonk. Over enkele dagen zou de Grote Jacht op de Hoorn met pracht en praal worden ingezet. Men zei dat die traditie nog van de Eeuw der Legenden stamde. De feestelijkheden voor de jagers waren overgegaan in het Feest van Teven, met de befaamde wedstrijd en prijzen voor de beste speelmannen. De grootste prijs ging altijd naar de beste verteller van De Grote Jacht op de Hoorn.

Op deze avond bezochten de speelmannen de paleizen en herenhuizen van de stad, tot vermaak van de groten en machtigen. De jagers die de Hoorn van Valere zouden zoeken, kwamen uit alle windstreken aanrijden. Zelfs als ze die niet zouden vinden, wachtten hen in ieder geval onsterfelijkheid in zang en verhaal. Er was muziek en dans, en waaiers en ijs voor wat koelte in de eerste echte warmte van het jaar. Het volksfestijn spoelde in het zwoele maanlicht van de nacht door de straten. Tot de Jacht uitreed, vierde het volk elke dag en elke nacht feest.

Langs Baile Domon renden gemaskerde mensen in bizarre en speelse kledij die vaak te veel huid liet zien. Ze renden gillend en zingend voorbij, nu eens een handvol of giechelende paartjes die elkaar vastgrepen, dan weer een dolle troep van twintig of meer. Vuurwerk spatte hoog aan de zwarte hemel in gouden en zilveren uitbarstingen uiteen. Er waren bijna evenveel vuurwerkers als speelmannen in de stad. Domon schonk het vuurwerk of de Jacht weinig aandacht. Hij was onderweg naar een ontmoeting met lieden van wie hij dacht dat ze hem om zeep wilden brengen.

Hij stak de Bloemenbrug over, die een van de vele stadsgrachten overspande, en liep naar het Geurende Kwartier, de havenwijk van Illian. Het kanaal rook naar te veel kamerpotten en nergens viel uit op te maken dat er ooit bloemen bij de brug hadden gebloeid. Het kwartier rook naar hennep en pek van de scheepswerven en havens, en naar zilte modder. De drukkende, bijna vochtige hitte was zo erg dat je de lucht leek te kunnen drinken. Domons ademhaling ging zwaar. Elke keer wanneer hij uit het noorden terugkwam, verbaasde hij zich over de vroege Illiaanse zomerhitte, terwijl hij hier toch was geboren. In de ene hand had hij een stevige knuppel en de andere rustte op het gevest van het korte zwaard dat hij vaak had gebruikt om zijn vrachtschip te verdedigen tegen rivierkapers. Er slopen veel rovers rond in deze feestnacht, omdat de buit groot was en de meeste slachtoffers te diep in de wijnkan hadden gekeken. Maar Domon was een breedgeschouderde, gespierde man en wie erop uit was goud te vangen, vond zijn alledaagse mantel er niet duur genoeg uitzien om zijn postuur en zijn knuppel te riskeren. De enkeling die een duidelijke glimp van hem opving als hij een verlicht raam passeerde, dook weg tot Domon een stuk verder was. Donker, tot zijn schouders reikend haar en een zware ringbaard omlijstten zijn ronde, maar krachtige gezicht. Het stond nu zo grimmig alsof hij dwars door een muur wilde stormen. Hij moest bepaalde lieden spreken en daar was hij niet gelukkig mee.

1 ... 44 45 46 47 48 49 50 51 52 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)