De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
De Amyrlin keek hen een voor een aan voordat ze iets zei. Haar blik bleef niet langer op Rhand rusten dan op de anderen. ‘Moge vrede je zwaard begunstigen, heer Ingtar,’ zei ze ten slotte. ‘Eer aan de Bouwers, Loial Kiseran.’
‘U eert ons, Moeder. Moge vrede Tar Valon ten deel vallen.’ Ingtar boog in zijn zadel en de andere Shienaranen volgden zijn voorbeeld. ‘Alle eer aan Tar Valon,’ zei Loial en hij boog. Alleen Rhand en zijn vrienden aan de andere kant van de groep bleven kaarsrecht in het zadel. Rhand vroeg zich af wat ze tegen zijn vrienden had gezegd. Leane keek hen afkeurend aan en Agelmar keek met grote ogen toe, maar de Amyrlin leek het niet op te merken. ‘Jullie rijden uit om de Hoorn van Valere te vinden,’ zei ze, ‘en de hoop van de wereld vergezelt jullie. De Hoorn mag niet in verkeerde handen blijven, zeker niet in de handen van Duistervrienden. Zij die de roep van de Hoorn beantwoorden, zullen zich verzamelen rond de hoornblazer. Ze zijn gebonden aan de Hoorn, niet aan het Licht.’ Er ging een onrustige beweging door haar gehoor. Iedereen had aangenomen dat de helden uit het graf voor het Licht zouden vechten. Als ze daarentegen voor de Schaduw zouden strijden... De Amyrlin praatte verder, maar Rhand luisterde niet langer. De onzichtbare gluurder was terug. De haartjes in zijn nek gingen overeind staan. Hij tuurde naar de volgepakte schuttersgalerijen hoog boven het plein en de rijen toeschouwers op de burchtwallen. Ergens tussen hen bevond zich een paar ogen dat hem ongezien had gevolgd. De blik bleef als zwarte smeer aan hem kleven. Het kan geen Schim zijn, niet hier. Maar wie dan? Of wat? Hij verschoof in zijn zadel, liet Rood rondstappen en keek speurend rond. De vos begon weer te dansen.
Plotseling flitste er iets langs Rhands gezicht. Een man die achter de Amyrlin langsliep, gaf een schreeuw en viel neer met een zwartgevederde pijl in zijn zij. De Amyrlin bleef kalm staan terwijl ze een scheur in haar mouw bekeek. Over de grijze zijde druppelde bloed. Ergens schreeuwde een vrouw en opeens schalden er overal kreten en uitroepen over de binnenplaats. De mensen op de muren verdrongen elkaar wild en iedere man op de binnenplaats had zijn zwaard getrokken. Zelfs Rhand, tot zijn eigen verbazing. Agelmar schudde dreigend zijn opgeheven wapen. ‘Vind hem!’ brulde hij. ‘Breng hem bij me!’ Zijn vuurrode gezicht werd krijtwit toen hij het bloed op de mouw van de Amyrlin zag. Hij viel op zijn knieën en boog. ‘Vergeef me, Moeder. Ik heb gefaald in mijn bescherming. Ik ben beschaamd.’
‘Onzin, Agelmar,’ zei de Amyrlin. ‘Leane, doe niet zo bezorgd en bekommer je om die man daar. Ik heb mezelf vaker en dieper gesneden als ik vis schoonmaakte, en hij heeft nu hulp nodig. Agelmar sta op. Sta op, heer van Fal Dara. Je hebt niet gefaald, en je hebt geen reden je te schamen. Vorig jaar werd ik in de Witte Toren door een man belaagd terwijl mijn eigen wachten bij elke poort stonden en ik omringd was door zwaardhanden. Hij wist met een mes op nog geen vijf pas afstand van me te komen. Ongetwijfeld een Witmantel, hoewel ik het niet kan bewijzen. Sta alsjeblieft op of ík ga me nog schamen.’ Terwijl Agelmar langzaam overeind kwam, voelde ze aan de scheur in haar mouw. ‘Een slecht schot voor een Witmantel; zelfs voor een Duistervriend.’ Haar blik schoot naar boven en kruiste die van Rhand. ‘Als ik zijn doelwit was.’ Haar blik was alweer weg voor hij iets in haar gezicht had kunnen lezen, maar opeens wilde hij afstijgen en zich verbergen.
Die pijl was niet op haar gericht, en zij weet het. Leane richtte zich op uit haar knielende houding. Iemand had een mantel over het gezicht van de getroffen man gelegd. ‘Hij is dood, Moeder.’ Ze klonk vermoeid. ‘Hij was al dood toen hij de grond raakte. Zelfs als ik naast hem had gestaan...’
‘Je hebt gedaan wat je kon, dochter. Voor de dood bestaat geen Heling.’
Agelmar kwam dichterbij. ‘Moeder, als er Witmantels of Duistervrienden rondwaren, moet u me toestaan mannen met u mee te sturen. Op zijn minst tot aan de rivier. Ik zou het niet kunnen verdragen als u in Shienar iets overkwam. Keer alstublieft terug naar de vrouwenvertrekken. Ik sta er met mijn leven voor in dat ze bewaakt worden tot u gereed bent voor uw vertrek.’
‘Rustig maar,’ zei ze tegen hem. ‘Deze schram zal me geen moment ophouden. Ja, ja, als je erop staat, zal ik je mannen tot aan de rivier graag aanvaarden. Maar laat dit ook het vertrek van heer Ingtar geen moment ophouden. Elke hartslag telt tot de Hoorn teruggevonden is. Heb ik uw toestemming, heer Agelmar, om uw gezworenen te bevelen ?’
Hij boog instemmend het hoofd. Op dat moment zou hij haar Fal Dara hebben gegeven, als ze erom had gevraagd. De Amyrlin wendde zich weer tot Ingtar en de mannen die achter hem verzameld waren. Zij keek geen tweede keer naar Rhand. Verbaasd zag hij haar opeens glimlachen.
‘Ik wed dat Illian zijn Grote Jacht naar de Hoorn niet zo roerig laat beginnen,’ zei ze. ‘Maar de uwe is de ware Grote Jacht. U bent met weinigen zodat u snel kunt reizen, maar met genoeg om te doen wat u moet doen. Ik gelast u, heer Ingtar van Huis Shinowa, ik gelast u allen de Hoorn van Valere te vinden, en laat niets u daarvan weerhouden.’
Ingtar rukte zijn zwaard uit de schede op zijn rug en kuste de kling. ‘Bij mijn leven en ziel, bij mijn Huis en eer, dat zweer ik, Moeder.’
‘Rijd uit, dan.’
Ingtar keerde zijn paard naar de poort.
Rhand groef zijn hielen in Roods flanken en galoppeerde achter de stoet aan die door de poort verdween.
De piekeniers en boogschutters van de Amyrlin hielden, onwetend van het gebeuren, een doorgang open van de poort naar de stad. De Vlam van Tar Valon prijkte op hun borst. Haar trommelaars en herauten wachtten bij de poorten en stonden klaar om zich aan te sluiten als ze zou vertrekken. Achter de rijen geharnaste krijgslieden stond de opeengepakte massa op het plein voor de burcht. Enkelen juichten Ingtars banier toe en anderen dachten ongetwijfeld dat dit het vertrek van de Amyrlin Zetel inleidde. Een aanzwellend gebrul volgde Rhand over het plein.
Hij haalde Ingtar in tussen de lage huizen en winkels, waar nog meer mensen dicht opeengepakt langs de geplaveide straat stonden. Ook hier juichten enkele mensen. Mart en Perijn hadden bij Ingtar en
Loial aan de kop van de stoet gereden, maar zij lieten zich terugvallen toen Rhand zich bij hen voegde. Hoe kan ik me ooit verontschuldigen als ze niet lang genoeg bij me blijven om iets te kunnen zeggen? Bloedvuur, Mart ziet er niet uit alsof hij stervende is. ‘Changu en Nidao zijn verdwenen,’ zei Ingtar abrupt. Hij klonk koud en kwaad, maar ook geschokt. ‘Gisteravond telden we ieder hoofd in de burcht, dood of levend, en vanmorgen weer. Zij zijn de enigen die vermist worden.’
‘Changu had gisteren de wacht bij de kerkers,’ zei Rhand langzaam. ‘En Nidao. Ze hadden de tweede wacht. Ze waren altijd bij elkaar, zelfs als ze met een ander moesten ruilen of langer dienst moesten doen. Ze hadden geen wacht toen het gebeurde, maar... Ze hebben bij Tarwins Kloof gevochten, een maand geleden, en heer Agelmar gered toen diens paard midden tussen de Trolloks neerstortte. En nu dit. Duistervrienden.’ Hij haalde diep adem. ‘Alles valt uit elkaar.’ Een ruiter stuurde zijn paard door de menigte langs de straat en sloot zich achter Ingtar bij de stoet aan. Aan zijn kleren te zien was het een burger – mager en met een verweerd gezicht en lange grijzende haren. Achter zijn zadel waren een bundel en waterflessen vastgebonden; een kort zwaard en een veel gebruikte hartsvanger hingen aan zijn riem, samen met een knuppel.