De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Bijna, Nynaeve. Ik vind het bijna jammer dat we gaan. Ik denk niet dat we in Tar Valon veel kans hebben die mooie jurken van Amalisa te dragen.’ Ze lachte kort. ‘Toch, Wijsheid, een bad waarin ik niet voortdurend hoef rond te loeren, zal ik zeker niet missen.’
‘Veel beter om alleen te baden,’ zei Nynaeve stug. Haar gezicht bleef hetzelfde maar haar wangen kleurden rood.
Egwene glimlachte. Ze denkt aan Lan. Het was nog steeds wat vreemd om te denken dat Nynaeve, de Wijsheid, hunkerde naar een man. Ze dacht niet dat het verstandig zou zijn om dat zó tegen Nynaeve te zeggen, maar de laatste tijd deed de Wijsheid soms net zo raar als elk ander meisje dat haar zinnen op een bepaalde man had gezet. En een man met te weinig verstand om haar waardig te zijn. Ze houdt van hem en ik kan zien dat hij van haar houdt, dus waarom doet hij niet verstandig en spreekt hij zich niet uit? ‘Ik vind dat je mij geen Wijsheid meer moet noemen,’ zei Nynaeve opeens.
Egwene knipperde met haar ogen. Het was niet echt verplicht en Nynaeve stond er nooit op, tenzij ze boos was of heel vormelijk deed, maar dit... ‘Waarom dat nou weer?’
‘Je bent nu een vrouw.’ Nynaeve keek even naar Egwenes losse haren en Egwene weerstond de aandrang om ze snel te vlechten. Aes Sedai droegen het kapsel dat ze wilden, maar voor haar was loshangend haar een teken van een nieuw leven geworden. ‘Je bent een vrouw,’ herhaalde Nynaeve nadrukkelijk. ‘We zijn twee vrouwen die heel ver van Emondsveld zijn en het zal nog lang duren voor we weer thuis zijn. Het is beter als je me gewoon Nynaeve noemt.’
‘We komen weer thuis, Nynaeve. Echt.’
‘Probeer de Wijsheid niet te troosten, meisje,’ zei Nynaeve bars, maar ze glimlachte.
Er werd op de deur geklopt, maar voordat Egwene hem kon openen, kwam Nisura binnen met een gejaagde uitdrukking op haar gezicht. ‘Egwene, die jongeman van je probeert de vrouwenvertrekken binnen te dringen.’ Ze klonk geschokt. ‘En hij draagt een zwaard. Alleen omdat de Amyrlin hem zo ontving... Heer Rhand zou beter moeten weten. Hij veroorzaakt een rel. Egwene, je moet met hem praten.’
‘Heer Rhand,’ snoof Nynaeve. ‘Die jongeman groeit uit z’n broek van verwaandheid. Als ik hem in m’n handen krijg, zal ik hem heren.’
Egwene legde een hand op Nynaeves arm. ‘Laat mij met hem praten, Nynaeve. Alleen.’
‘Vooruit dan maar. Zelfs de beste mannen moeten dringend aangelijnd worden.’ Nynaeve zweeg even en voegde er toen, half tegen zichzelf, aan toe: ‘Maar de beste zijn de moeite van het bedwingen wel waard.’ Egwene schudde het hoofd terwijl ze Nisura volgde. Nog geen half jaar geleden zou Nynaeve dat laatste nooit hebben gezegd. Maar ze zal Lan nooit aan de lijn kunnen leggen. Haar gedachten keerden terug naar Rhand. Een rel veroorzaken, hè? ‘Dwingen?’ mompelde ze. ‘Als hij nu nog geen manieren heeft geleerd, vil ik hem levend.’
‘Soms is dat er voor nodig,’ zei Nisura, die gehaast voor haar uit liep. ‘Voor hun bruiloft kennen mannen amper enige beschaving.’ Ze keek Egwene zijdelings aan. ‘Ben je van plan heer Rhand te huwen? Ik wil niet nieuwsgierig zijn, maar je gaat naar de Witte Toren en Aes Sedai huwen zelden – eigenlijk heb ik zoiets alleen van de Groene Ajah gehoord, en dan zijn het er nog niet veel, en...’ Egwene kon de rest wel raden. Ze had de praatjes in de vrouwenvertrekken over een passende vrouw voor Rhand gehoord. In het begin had ze de afgunst en nijd voelen steken. Al sinds hun kinderjaren was hij haar vrijwel toegezegd. Maar ze zou een Aes Sedai worden, en hij was wat hij was. Een man die kon geleiden. Ze kon met hem trouwen, en toekijken hoe hij waanzinnig werd, hoe hij stierf. Dat kon alleen worden voorkomen door hem te stillen. Dat kan ik hem niet aandoen. Dat kan ik niet! ‘Ik weet het niet,’ zei ze bedroefd.
Nisura knikte. ‘Niemand stroopt waar jij rechten hebt, maar je gaat naar de Toren en hij zal een goede echtgenoot zijn. Als hij leert zich te bedwingen. Daar is hij.’
De vrouwen die zich bij de toegang tot de vrouwenvertrekken hadden verzameld, keken allemaal naar drie mannen in de gang. Rhand, met zijn zwaard vastgegord over zijn rode mantel, werd tegengehouden door Agelmar en Kajin. Geen van hen droeg een zwaard; zelfs na wat er de afgelopen nacht was gebeurd, waren dit nog steeds de vrouwenverblijven. Egwene bleef achter de groep staan. ‘Je begrijpt waarom je niet naar binnen kunt gaan,’ zei Agelmar juist, ik weet dat het in Andor anders toegaat, maar begrijp je het?’ ik probeerde niet naar binnen te gaan.’ Rhand klonk alsof hij dit al meerdere malen had uitgelegd, ik zei tegen vrouwe Nisura dat ik Egwene wilde spreken, en ze zei dat Egwene het druk had en dat ik zou moeten wachten. In heb haar alleen maar vanuit de deuropening geroepen. Ik probeerde niet naar binnen te gaan. Licht, je zou haast denken dat ik de Duistere had genoemd, zoals ze allemaal op me af kwamen.’
‘Vrouwen hebben hun eigen manieren,’ zei Kajin. Voor Shienaraanse begrippen was hij lang, bijna zo lang als Rhand, en mager en grauw. Zijn haarknot was zo zwart als teer. ‘Zij maken de regels voor de vrouwenvertrekken en wij gehoorzamen ze, ook als ze dwaas zijn.’ Onder de vrouwen werden wenkbrauwen opgetrokken en hij schraapte haastig zijn keel. ‘Je moet een boodschap naar binnen sturen als je een van de vrouwen wilt spreken, maar die wordt afgeleverd wanneer zij willen, en tot dan moet je wachten. Dat is onze gewoonte.’
‘Ik moet haar zien,’ zei Rhand koppig. ‘We gaan spoedig weg. Niet snel genoeg voor mij, maar ik moet eerst Egwene spreken. We zullen de Hoorn van Valere en de dolk te pakken krijgen en dan is het afgelopen. Maar ik wil haar spreken voor ik ga.’ Egwene fronste de wenkbrauwen; zijn stem klonk vreemd.
‘Geen reden om zo heetgebakerd te zijn,’ zei Kajin. ‘U en Ingtar zullen de Hoorn wel of niet vinden. Zo niet, dan zal een ander hem terugvinden. Het Rad weeft wat het Rad wil en wij vormen slechts draden in het Patroon.’
‘Laat de Hoorn je gedachten niet overheersen, Rhand,’ zei Agelmar. ‘Hij kan een man in zijn ban krijgen – ik weet hoe dat kan – maar dat is niet de manier. Een man moet zijn plicht doen, geen roem zoeken. Wat gebeurt, gebeurt. Als de Hoorn van Valere bedoeld is om te schallen voor het Licht, dan zal dat geschieden.’
‘Daar komt je Egwene,’ zei Kajin, die haar gezien had. Agelmar keek om zich heen en knikte toen hij haar bij Nisura zag. ‘Ik zal je onder haar hoede laten, Rhand Altor. Onthoud dat haar woorden hier wet zijn, niet de jouwe. Vrouwe Nisura, wees niet te hard voor hem. Hij wilde slechts zijn jonge vrouw spreken en hij kent onze gewoonten niet.’
Egwene volgde Nisura toen de Shienaraanse zich een pad door de toekijkende vrouwen baande. Nisura boog haar hoofd kort voor Agelmar en Kajin; Rhand betrok ze er overduidelijk niet in. Haar stem klonk kortaf. ‘Heer Agelmar, heer Kajin. Hij zou nu genoeg van onze gewoonten moeten weten, maar hij is te groot voor een pak slaag, dus laat ik hem over aan Egwene.’
Agelmar gaf Rhand een vaderlijk schouderklopje. ‘Zie je wel. Je kunt haar spreken, hoewel misschien niet op de manier die je je had voorgesteld. Kom, Kajin, we moeten nog veel bespreken. De Amyrlin staat er nog steeds op...’ Zijn stem stierf weg toen beide mannen wegliepen. Rhand stond daar maar en keek naar Egwene. De vrouwen keken nog steeds, besefte Egwene. Zowel naar haar als naar Rhand. Ze stonden af te wachten wat ze ging doen. Dus ik word verondersteld hem aan te pakken, hè? Maar haar hart ging naar hem uit. Zijn haar had een borstel nodig. Ze zag woede, koppigheid en vermoeidheid in zijn gezicht. ‘Loop met me mee,’ zei ze. Achter hen steeg een geroezemoes op, terwijl hij naast haar de gang af liep, weg van de vrouwenvertrekken. Rhand leek met zichzelf te worstelen en woorden te zoeken voor wat hij wilde zeggen, ik heb gehoord van je... daden,’ zei ze. ‘Gisteravond met een getrokken zwaard door de vrouwenvertrekken rennen. Een zwaard dragen als je ontvangen wordt door de Amyrlin Zetel.’ Zwijgend liep hij naast haar. Hij keek somber naar de vloer. ‘Ze heeft... je toch niets gedaan?’ Ze had de moed niet om te vragen of hij was gestild. Hij zag er helemaal niet stil uit, maar ze had geen idee hoe een man er dan uit zou zien.