De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Ik kan een proef doen, Moeder.’
‘Neem het zwaard dan mee en beproef het, dochter.’ De drie vrouwen keken niet eens naar hem. Rhand deed een stap achteruit en hield het gevest stevig beet. ‘Mijn vader heeft me dit zwaard gegeven,’ zei hij boos. ‘Niemand neemt het me af.’ Toen pas besefte hij dat Verin niet van haar stoel was opgestaan. Hij keek verward van de een naar de ander en probeerde zijn kalmte te hervinden.
‘Dus je hebt ook pit van jezelf,’ zei de Amyrlin Zetel, ‘naast wat Lan je heeft bijgebracht. Goed. Je zult het nodig hebben.’ ik ben wat ik ben, Moeder,’ zei hij kalm. ‘Ik ben gereed voor wat komt.’
De Amyrlin Zetel vertrok haar gezicht. ‘Lan hééft je bewerkt. Luister naar me, jongen. Over een paar uur vertrekt Ingtar om de gestolen Hoorn terug te vinden. Jouw vriend Mart zal met hem meegaan.
Ik verwacht dat je andere vriend – Perijn? – ook meegaat. Wil je hen vergezellen?’
‘Gaan Mart en Perijn? Waarom?’ Nog net op tijd herinnerde hij zich dat hij er eerbiedig ‘Moeder’ aan toe moest voegen. ‘Je weet van de dolk van je vriend?’ Haar vertrokken mond vertelde Rhand wat zij ervan vond. ‘Die dolk is ook gestolen. Hij moet worden gevonden, anders kan de band tussen Mart en de dolk niet verbroken worden en zal hij sterven. Je kunt met hen uitrijden als je wilt of je kunt hier blijven. Heer Agelmar zal je ongetwijfeld zo lang je wilt als gast laten blijven. Ik vertrek vandaag eveneens. Moiraine Sedai zal me begeleiden, evenals Egwene en Nynaeve, dus dan ben je hier verder alleen als je blijft. De keus is aan jou.’ Rhand staarde haar aan. Ze zegt dat ik kan gaan waar ik wil. Heeft ze me hiervoor geroepen? Mart gaat dood! Hij keek naar Moiraine, die stil met haar handen in haar schoot zat. Het leek of ze zich nergens wat van aantrok, laat staan waar hij heen zou gaan. Welke weg moet ik van je inslaan, Aes Sedai? Bloedvuur, dan kies ik een andere. Maar als Mart sterft... ik kan hem niet in de steek laten. Licht, hoe kunnen we die dolk vinden?
‘Je hoeft niet meteen te kiezen,’ zei de Amyrlin Zetel. Zij leek er zich evenmin om te bekommeren. ‘Maar je moet kiezen voordat Ingtar uitrijdt.’
‘Ik rijd met Ingtar mee, Moeder.’
De Amyrlin Zetel knikte afwezig. ‘Nu dat geregeld is, kunnen we op belangrijker zaken overgaan. Ik weet dat je kunt geleiden, jongen. Wat weet je er zelf van?’
Rhands mond viel open. Zijn gedachten waren nog bij Mart en haar achteloze woorden troffen hem als een molenwiek. Alle raadgevingen van Lan dansten wervelend in hem rond. Hij staarde haar aan en bevochtigde zijn lippen. Het was één ding om te denken dat ze het wist, maar iets heel anders om te horen dat zij dat ook werkelijk deed. Het zweet brak hem uit.
Ze boog zich naar voren en wachtte op antwoord, maar hij had het gevoel dat ze eigenlijk meer afstand wilde scheppen. Hij herinnerde zich wat Lan had gezegd. Als ze bang voor je is... Hij wilde lachen. Zij bang voor hém?
‘Nee, ik kan het niet. Ik bedoel... ik deed het niet met opzet. Het gebeurde gewoon. Ik wil het niet... de Kracht geleiden. Ik doe het nooit meer, ik zweer het.’
‘Je wilt het niet,’ zei de Amyrlin Zetel. ‘Nou, dat is verstandig van je. En ook dwaas. Sommigen kunnen leren hoe ze moeten geleiden, maar de meesten kunnen dat niet. Slechts enkelen bezitten die kiem al bij hun geboorte. Vroeg of laat gaan zij de Ene Kracht gebruiken, of ze willen of niet, dat is zo zeker als kuit verandert in vis. Je zult blijven geleiden, jongen. Je kunt het niet helpen. En je kunt maar beter léren geleiden, leren het te beheersen, of je zult niet lang genoeg leven om krankzinnig te worden. De Ene Kracht doodt wie haar stroom niet kan beheersen.’
‘Hoe moet ik dat leren?’ vroeg hij. Moiraine en Verin zaten doodstil en sloegen hem onverstoorbaar gade. Net spinnen. ‘Hoe? Moiraine zegt dat ze me niets kan leren, en ik weet niet hoe of wat ik moet leren. Ik wil het trouwens helemaal niet. Ik wil het kwijt. Kunt u dat niet begrijpen? Kwijt!’
‘Ik heb je de waarheid verteld, Rhand,’ zei Moiraine. Het klonk of ze een onderhoudend gesprek voerde. ‘De mannelijke Aes Sedai hadden het jou kunnen bijbrengen, maar die zijn al drieduizend jaar dood. Geen enkele levende Aes Sedai kan je leren saidin te geleiden, net zo min als jij zou kunnen leren hoe je saidar kunt geleiden. Een vogel kan een vis niet leren vliegen, noch een vis een vogel leren zwemmen.’ ik heb dat altijd een onzinnig spreekwoord gevonden,’ zei Verin plotseling. ‘Er zijn vogels die duiken en zwemmen. En in de Zee der Stormen leven vissen die kunnen vliegen, met grote vinnen die als armen uitslaan en met bekken als zwaarden...’ Haar woorden stierven weg en ze werd rood. Moiraine en de Amyrlin Zetel keken haar uitdrukkingsloos aan.
Rhand gebruikte de onderbreking om iets van zijn zelfbeheersing terug te vinden. Zoals Tham hem lang geleden had geleerd, vormde hij een enkele vlam in zijn geest en voedde die met zijn angst. Hij zocht het niets, de stilte van de leegte. De vlam leek te groeien tot hij alles omvatte. Als hij zo groot was, kon je hem niet meer bevatten. Dan verdween de vlam, een vredig gevoel achterlatend. Aan de randen flikkerden nog steeds als zwarte inktvlekken zijn gevoelens van vrees en woede, maar de leegte hield stand. Gedachten scheerden over het oppervlak als steentjes over het water. De aandacht van de Aes Sedai was slechts een moment afgeleid, maar toen ze zich weer tot hem wendden, was zijn gezicht kalm.
‘Waarom praat u zo tegen me, Moeder?’ zei hij. ‘U zou me moeten stillen.’
De Amyrlin Zetel fronste en keek naar Moiraine. ‘Heeft Lan hem dit geleerd?’
‘Nee, Moeder. Hij heeft het van Tham Altor.’
‘Waarom?’ wilde Rhand opnieuw weten.
De Amyrlin Zetel keek hem recht aan en zei enkeclass="underline" ‘Omdat je de Herrezen Draak bent.’
De leegte beefde. De wereld schudde. Alles om hem heen scheen te draaien. Hij richtte al zijn aandacht op het niets en de leegte kwam terug. De wereld kwam tot stilstand. ‘Nee, Moeder. Ik kan geleiden, het Licht helpe me, maar ik ben geen Raolin Duistervaan, geen Guaire Amalasin, geen Jurian Steenboog. U kunt me stillen of doden of laten gaan, maar ik wil geen tamme Draak zijn aan de leiband van Tar Valon.’
Hij hoorde Verin naar adem snakken en de ogen van de Amyrlin werden groter. Haar blauwe ogen stonden graniethard. Het deerde hem niet; het gleed langs de leegte in hem.
‘Waar heb je die namen gehoord?’ vroeg de Amyrlin. ‘Wie heeft jou verteld dat Tar Valon een valse Draak aan de lijn legt?’
‘Een vriend, Moeder,’ zei hij. ‘Een speelman. Zijn naam was Thom Merrilin. Hij is dood.’ Moiraine maakte een geluidje en hij keek haar even aan. Ze beweerde dat Thom niet dood was, maar ze had er nooit een bewijs van gegeven. Hij nam aan dat geen enkele man een lijf-aan-lijf-gevecht met een Schim kon overleven. De gedachte was bespottelijk en verdween. Alleen de leegte en de eenheid bleven. ‘Jij bent geen valse Draak,’ zei de Amyrlin op besliste toon. ‘Jij bent de ware Herrezen Draak.’
‘Ik ben een schaapherder uit Tweewater, Moeder.’
‘Dochter, vertel hem het verhaal. Een wáár verhaal, jongen. Luister goed.’
Moiraine begon. Rhand hield zijn ogen gericht op het gezicht van de Amyrlin, maar hij luisterde.
‘Bijna twintig jaar geleden staken de Aiel de Rug van de Wereld over, de Drakenmuur, de enige keer dat ze dit ooit hebben gedaan. Ze trokken plunderend door Cairhien, vernietigden ieder leger dat tegen hen optrok en brandden de stad Cairhien plat; hun strijd bereikte zelfs Tar Valon. Het was winter en het sneeuwde, maar kou en hitte deren een Aiel niet. De laatste slag, de laatste die werkelijk telde, werd gestreden voor de Glanzende Muren, in de schaduw van de Drakenberg. Na drie dagen en drie nachten werden de Aiel ten slotte verdreven. Of liever: bliezen zij zelf de aftocht. Zij hadden immers hun doel bereikt en koning Laman van Cairhien gedood voor het vellen van de Boom. En hier begint mijn verhaal. En het jouwe.’ Ze kwamen als een vloedgolf over de Drakenmuur. Helemaal tot aan de Glanzende Muren... Rhand wachtte tot de herinneringen zouden vervagen, maar het was Thams stem die hij hoorde, de stem van een zieke, wartaal uitslaande Tham, die geheimen uit zijn verleden prijsgaf. De stem klampte zich vast aan de leegte, wilde er binnendringen.