De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Ik sta je toe te gaan, mijn zoon.’
Hij richtte zich op en bleef een ogenblik staan. ‘Ik laat me niet gebruiken,’ zei hij tegen hen. Er viel een lange stilte toen hij zich omdraaide en vertrok.
De stilte bleef na Rhands vertrek hangen, tot ze verbroken werd door een diepe zucht van de Amyrlin. ‘Ik kan niet zeggen dat ik het prettig vind wat we zojuist hebben gedaan,’ zei ze. ‘Het was noodzakelijk, maar... Werkte het, dochters?’
Moiraine schudde nauwelijks zichtbaar het hoofd, ik weet het niet. Maar het was noodzakelijk en dat is het nog steeds.’
‘Noodzakelijk,’ stemde Verin in. Ze raakte haar voorhoofd aan en tuurde toen naar het zweet op haar vingers. ‘Hij is sterk. En zo koppig als je vertelde, Moiraine. Veel sterker dan ik verwachtte. Misschien moeten we hem toch stillen voor...’ Haar ogen werden groot. ‘Maar we kunnen het niet, nee hè? De Voorspellingen. Het Licht vergeve ons voor wat we op de wereld loslaten.’
‘De Voorspellingen,’ zei Moiraine en knikte. ‘Naderhand zullen we doen wat we moeten doen. Net als nu.’
‘Wat we moeten doen,’ zei de Amyrlin. ‘Ja. Maar wanneer hij leert geleiden, moge het Licht ons allen bijstaan.’ De stilte keerde terug.
Er hing een storm in de lucht. Nynaeve kon het voelen. Een zware storm, erger dan ze ooit had gezien. Ze kon luisteren naar de wind en horen wat het weer zou doen. Alle Wijsheden gingen prat op deze kunde, maar velen konden het niet. Nynaeve had zich meer op haar gemak gevoeld met haar aanleg voor ze hoorde dat het een uiting was van de Ene Kracht. Iedere vrouw die naar de wind kon luisteren, kon geleiden. Maar de meesten waren vermoedelijk net als zij vroeger: ze waren zich nergens van bewust en maakten zich de kunde onbeheerst en ongewild eigen.
Maar deze keer was er iets mis. Buiten was de ochtendzon een gouden bal in een helderblauwe lucht en vogels zongen in de tuinen, maar dat was het niet. Het luisteren naar de wind zou niet veel voorgesteld hebben als ze het weer niet kon voorspellen voor de tekens zichtbaar werden. Maar deze keer was er iets mis met dat gevoel, iets was niet helemaal als gewoonlijk. De storm leek ver weg te zijn, te ver om die te kunnen voelen. Desondanks voelde het of uit de hemel boven haar regen en sneeuw en hagel zouden moeten vallen, alles tegelijk, met gierende winden die de stenen van de burcht deden schudden. Ze kon ook het aanhoudende mooie weer voelen, maar het lag verborgen onder dat andere.
Een blauwvink streek neer in een vensternis, als een bespotting van haar weergevoel, en tuurde de hal in. Toen de vogel haar zag, verdween hij in een flits van witte en blauwe veren. Ze staarde naar de plek waar de vogel had gezeten. Er is een storm en er is geen storm. Het heeft wat te betekenen. Maar wat? Helemaal aan de andere kant van de zaal vol vrouwen en kleine kinderen zag ze Rhand wegbenen. Zijn gevolg van vrouwen moest haast rennen om hem bij te houden. Nynaeve knikte nadenkend. Als er een storm was die geen storm was, dan vormde hij de kern. Ze tilde haar rokken op en haastte zich achter hem aan.
Diverse vrouwen waarmee ze sinds haar aankomst in Fal Dara vriendschap had gesloten, probeerden haar aan te spreken. Ze wisten dat Rhand bij haar hoorde en dat ze allebei uit Tweewater kwamen. Ze wilden weten waarom de Amyrlin Zetel hem had ontboden. De Amyrlin Zetel! Ze voelde iets ijzigs in haar maag en begon te hollen, maar voordat ze de vrouwenvertrekken uit was, had ze hem door te veel hoeken en te veel mensen al uit het oog verloren. ‘Waar ging hij naar toe?’ vroeg ze aan Nisura. Ze hoefde niet te zeggen wie ze bedoelde. Ze hoorde Rhand noemen in de gesprekken van de andere vrouwen die rond de boogdeuren bij elkaar stonden, ik weet het niet, Nynaeve. Hij verdween of Hartsvloek hem zelf op de hielen zat. Dat kan hij ook maar beter doen met een zwaard aan zijn zij. Na zoiets is de Duistere wel de minste van zijn zorgen. Waar gaat het met de wereld naar toe? En dat nog wel toen hij voor de Amyrlin werd geleid, in haar eigen vertrekken! Zeg eens, Nynaeve, is hij echt een prins in jullie land?’ De gesprekken van de andere vrouwen verstomden; ze bogen zich naar hen toe om te luisteren. Nynaeve wist niet zeker wat ze antwoordde. Iets waardoor ze uit hun buurt kon komen. Ze haastte zich met gebalde vuisten de vrouwenvertrekken uit, in elke dwarsgang kijkend of hij daar was. Licht, wat hebben ze met hem gedaan? Ik had hem van Moiraine vandaan moeten houden, hoe dan ook. Het Licht verblinde haar. Ik ben zijn Wijsheid.
Ben je dat? spotte een stemmetje. Je hebt Emondsveld in de steek gelaten. Zij moeten het nu alleen zien te rooien. Kun je je nog steeds bun Wijsheid noemen?
Ik heb ze niet in de steek gelaten, zei ze fel tegen zichzelf. Ik heb Mavra Mallen uit Devenrit laten halen om een oogje in het zeil te houden tot ik terug ben. Ze kan de dorpsmeester en de mannen van de raad best aan, en ze kan het goed vinden met de vrouwenkring. Mavra zal eens naar haar dorp moeten terugkeren. Geen dorp kan het lang zonder zijn Wijsheid stellen. Inwendig kromp Nynaeve ineen. Ze was al maanden weg uit Emondsveld. ‘Ik ben de Wijsheid van Emondsveld!’ zei ze hardop. Een dienaar met een rol stof keek haar verbaasd aan en boog diep alvorens hij zich verder haastte. Aan zijn gezicht te zien wilde hij dolgraag ergens anders zijn.
Nynaeve bloosde en keek om zich heen of iemand het had gemerkt. In de gang bevonden zich slechts enkele mannen, druk in gesprek, en er liepen een paar vrouwen rond in het zwart-en-goud die hun eigen bezigheden hadden. Ze bogen voor haar of maakten een knix als ze langsliepen. Ze had deze tweestrijd al honderd keer gevoerd, maar dit was de eerste keer dat ze hardop in zichzelf praatte. Ze mompelde iets onverstaanbaars en perste haar lippen stevig op elkaar toen ze in de gaten kreeg wat ze deed.
Ze besefte dat haar speurtocht zinloos was, toen ze op Lan stuitte. Hij stond met zijn rug naar haar toe en keek door een schietgat naar het voorplein, waar geluiden opstegen van paarden en mannen, van hinniken en schreeuwen. Lans aandacht was er zo sterk op gericht dat hij haar eerst niet leek te horen. Ze haatte het dat ze hem nooit kon besluipen, hoe zacht ze ook liep. In Emondsveld vond men haar een ster in woudlopen, hoewel maar weinig vrouwen belangstelling voor die vaardigheid hadden.
Ze stond stil en drukte haar handen tegen haar buik om de vlinders tot bedaren te brengen. Ik zou mezelf een portie rannel en schapentongwortel moeten toedienen, dacht ze schamper. Het was een drankje dat ze iedereen gaf die zat te kniezen, zich heel zielig vond of als een kip zonder kop rondliep. Rannel en schapentongwortel vrolijkten je een beetje op en het deed geen kwaad, maar het voornaamste was dat het afschuwelijk smaakte en dat bleef je de hele dag bij. Het was het volmaakte middel tegen dwaasheid.
Onopgemerkt bestudeerde ze hem van top tot teen terwijl hij tegen de muur leunde, over zijn kin streek en keek naar wat er beneden gebeurde. Hij is te lang, om maar iets te noemen, en vervolgens ook oud genoeg om mijn vader te kunnen zijn. Een man met zo’n gezicht moet wel wreed zijn. Nee, dat is hij niet. Nooit. En hij was een koning. Zijn land was vernietigd toen hij een kind was en hij zou de kroon niet opeisen, maar desondanks was hij echt koning. Wat moet een koning met een dorpsvrouw? En een zwaardhand bovendien. Gebonden aan Moiraine. Ze heeft zijn trouw tot aan zijn dood en is nauwer met hem verbonden dan geliefden, en ze heeft hem. Ze heeft alles wat ik wil, het Licht vertere haar! Hij draaide zich om en ze wilde wegvluchten. ‘Nynaeve.’ Zijn stem greep haar en hield haar vast als een strop, ik wilde je alleen spreken. Je lijkt altijd in de vrouwenvertrekken te zijn of in gezelschap.’