De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Rhand voelde het zuur in zijn maag. Eén blik op onze zwaarden en ze sturen ons weg. Nou, dat wil ik toch? Als ze ons wegsturen, kan ik misschien nog ontsnappen. Als ze er tenminste de wacht niet bijhalen. Hij klampte zich vast aan de houding die Lan hem had toegeroepen, alsof het een reddende tak bij een overstroming was. Slechts door zich daaraan vast te klampen voorkwam hij dat hij er met de staart tussen de benen vandoor ging.
Nisura, uit het gevolg van vrouwe Amalisa, legde haar borduurwerk weg en stond op toen ze stil hielden. Haar ogen flitsten langs hun zwaarden en ze kneep haar lippen op elkaar, maar zei er niets van. Alle vrouwen hielden op met hun werk en keken zwijgend en doordringend.
‘Eer aan u beiden,’ zei Nisura en boog haar hoofd. Ze blikte even naar Rhand, zo vlug dat hij er niet eens zeker van was. Het deed hem denken aan wat Perijn had gezegd. ‘De Amyrlin Zetel verwacht u.’ Ze gebaarde en twee andere vrouwen – geen dienaressen, ze kregen een buiging – kwamen naar voren om hen te begeleiden. De vrouwen bogen iets dieper dan Nisura en gebaarden hen onder de deurboog door te gaan. Ze keken allebei even zijdelings naar Rhand en besteedden toen geen aandacht meer aan hem. Zochten ze ons drieën of alleen mij? Waarom ons alledrie? Binnen keken de ogen zoals Rhand had verwacht. Twee mannen in de vrouwenvertrekken, waar zelden mannen kwamen! Vanwege hun zwaarden werden meerdere wenkbrauwen hoog opgetrokken, maar niemand zei er iets van. De twee mannen lieten roezemoezende groepjes achter, maar ze spraken te zacht voor Rhand. Lan liep naast hem alsof het hem niet opviel. Rhand hield hun begeleidsters bij en wilde maar dat hij iets op kon vangen.
Toen kwamen ze bij de vertrekken van de Amyrlin Zetel, waar drie Aes Sedai in de hal voor de deur stonden. De lange Aes Sedai, Leane, had in haar ene hand de staf met de gouden vlam. Rhand kende de andere twee niet. Aan de franje te zien hoorde er een bij de Witte Ajah en een bij de Gele. Maar hij herkende hun gezichten die hem hadden aangestaard toen hij deze gang was doorgerend. Rimpelloze Aes Sedai-gezichten met alwetende ogen. Ze namen hem op met opgetrokken wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. Hun begeleidsters maakten een knix en lieten hen bij de Aes Sedai achter. Leane bekeek Rhand met een vage glimlach, maar desondanks klonk haar stem streng. ‘Wat breng je vandaag voor de Amyrlin Zetel, Lan Gaidin? Een leeuwenwelp? Je kunt er maar beter voor zorgen dat zo’n jonge Groene hem niet ziet, anders is hij in een zucht gebonden. De Groene Ajah bindt ze graag op jeugdige leeftijd.’ Rhand vroeg zich af of het echt mogelijk was van binnen te zweten. Het voelde alsof dat nu gebeurde. Hij wilde naar Lan kijken, maar herinnerde zich toen wat de zwaardhand hem hierover had aangeraden. ‘Ik ben Rhand Altor, zoon van Tham Altor, uit Tweewater, dat eens Manetheren was. Zoals ik ontboden ben door de Amyrlin Zetel, zo ben ik gekomen. Ik ben gereed.’ Hij merkte verbaasd dat zijn stem niet één keer had getrild.
Leane knipperde met haar ogen en haar glimlach kreeg iets nadenkends. ‘En hij zou een schaapherder zijn, Lan Gaidin? Vanmorgen was hij niet zo zeker van zichzelf.’
‘Hij is een man, Leane Sedai,’ zei Lan nadrukkelijk, ‘niet meer en niet minder. Wij zijn wat wij zijn.’
De Aes Sedai schudde het hoofd. ‘De wereld wordt met de dag vreemder. Straks draagt de smid een kroon en spreekt hij in Hoge Zang. Wacht hier.’ Ze verdween naar binnen om hen aan te kondigen. Ze bleef slechts kort weg, maar Rhand voelde onbehaaglijk hoe de ogen van de nog aanwezige Aes Sedai op hem bleven gericht. Hij probeerde hun blik net zo rustig te beantwoorden als Lan hem had gezegd, en zij staken hun hoofden bij elkaar en fluisterden. Wat zeggen ze? Wat weten ze? Licht, gaan ze me stillen? Heeft Lan dat bedoeld met het onder ogen zien van wat er gebeurt?
Leane kwam terug en gebaarde Rhand naar binnen te gaan. Toen Lan hem wilde volgen, hield ze hem met haar staf voor zijn borst tegen. ‘Jij niet, Lan Gaidin. Moiraine Sedai heeft een taak voor je. Jouw welp zal veilig genoeg zijn.’
De deur viel achter Rhand dicht, maar niet voordat hij Lans stem had gehoord, fel en doordringend, maar toch ook zo zacht dat alleen hij het hoorde: ‘TAI’SHAR MANETHEREN!’
Moiraine zat aan de ene kant van de kamer en de Bruine zuster, die hij in de kerker gezien had, zat aan de andere kant, maar het was de vrouw in de hoge stoel achter de brede tafel die zijn aandacht trok. De gordijnen achter haar waren gedeeltelijk voor de schietgaten getrokken en lieten net zoveel licht door dat hij haar gezicht vaag kon onderscheiden. Maar hij herkende haar. De Amyrlin Zetel. Snel viel hij op één knie, met zijn linkerhand op de greep van het zwaard; de knokkels van de rechterhand vonden steun op het tapijt en hij boog zijn hoofd. ‘Zoals u mij ontboden hebt, Moeder, ben ik gekomen. Ik ben gereed.’ Hij hief het hoofd en zag hoe ze haar wenkbrauwen optrok.
‘Ben je dat, jongen?’ Er klonk enig vermaak in haar woorden door. En nog iets anders, iets wat hij geen naam kon geven. Ze zag er zeker niet vermaakt uit. ‘Sta op, jongen, en laat me jou bekijken.’ Hij richtte zich op en probeerde zijn gezicht ontspannen te houden. Hij moest moeite doen om zijn handen niet tot vuisten te ballen. Drie Aes Sedai. Hoeveel zijn er nodig om een man te stillen? Ze hebben er meer dan tien op Logain afgestuurd. Gaat Moiraine mij dit aandoen? Hij beantwoordde de blik van de Amyrlin Zetel. Ze knipperde niet eenmaal met haar ogen.
‘Zit, jongen,’ zei ze ten slotte en gebaarde naar een stoel met een hoge rug die precies voor de tafel stond. ‘Dit gaat tijd kosten, vrees ik.’
‘Dank u, Moeder.’ Hij boog zijn hoofd, zoals Lan hem had geleerd, keek naar de stoel en raakte zijn zwaard aan. ‘Met uw verlof, Moeder, blijf ik staan. De wacht is nog niet voorbij.’ De Amyrlin Zetel slaakte een geërgerde zucht en keek Moiraine aan. ‘Heb je Lan op hem losgelaten, dochter? Dit zal al moeilijk genoeg zijn zonder dat hij zich als een zwaardhand gedraagt.’
‘Lan heeft alle jongens onderricht, Moeder,’ zei Moiraine kalm. ‘Hij heeft wat meer tijd aan deze jongeman besteed, omdat hij een zwaard draagt.’
De Bruine Aes Sedai verschoof op haar stoel. ‘De Gaidin zijn koppig en trots, Moeder, maar bruikbaar. Ik zou Tomas niet willen kwijtraken en u zou Alric niet willen missen. Ik heb eens een paar Roden horen zeggen dat ze soms ook wel een zwaardhand zouden willen hebben. En de Groenen, natuurlijk...’
De drie Aes Sedai negeerden hem nu volledig. ‘Dit zwaard,’ zei de Amyrlin Zetel, ‘draagt het reigerteken. Hoe is hij eraan gekomen, Moiraine?’
‘Tham Altor heeft Tweewater als jongen verlaten, Moeder. Hij sloot zich aan bij het Illiaanse leger en diende in de Witmantel-oorlog en de laatste twee oorlogen tegen Tyr. Mettertijd klom hij op tot zwaardmeester en tweede kapitein van de Gezellen. Na de Aiel-oorlog keerde Tham Altor terug naar Tweewater met een vrouw uit Caemlin en een pasgeboren kind. Het had ons veel tijd bespaard als ik dit eerder geweten had, maar ik weet het sinds kort.’ Rhand staarde Moiraine aan. Hij wist dat Tham Tweewater had verlaten en van daarginds was teruggekomen met een vrouw en het zwaard, maar al het andere... Waar heb je dit allemaal gehoord? Niet in Emondsveld. Tenzij Nynaeve je meer verteld heeft dan ze mij ooit heeft gezegd. Een klein kind. Ze zegt niet ‘zoon’. Maar dat ben ik wel.
‘Tegen Tyr,’ zei de Amyrlin Zetel fronsend. ‘Wel, in die oorlogen treft beide zijden evenveel blaam. Dwazen die liever wilden vechten dan praten. Kun je me zeggen of dat wapen een echt reigerzwaard is, Verin?’