De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Met tegenzin trok Rhand het grove wollen werkhemd over zijn hoofd. ‘Ik voel me een dwaas,’ mopperde hij. ‘Een zijden hemd! Ik heb nog nooit van m’n leven een zijden hemd gedragen. En ik heb nog nooit zo’n opzichtige mantel gedragen... zelfs niet op een feestdag.’ Licht, als Perijn me hierin ziet... Drakenvuur, na al dat stomme geklets over hoge heren... Als hij me hierin ziet, wil hij nooit meer met me praten.
‘Je kunt niet voor de Amyrlin Zetel staan als een stalknecht, schaapherder. Laat me je laarzen zien. Die kunnen ermee door. Nou, schiet op. Je laat de Amyrlin niet wachten. Doe je zwaard om.’
‘Mijn zwaard!’ Het zijden hemd over zijn hoofd dempte Rhands kreet. Hij trok het hemd snel naar beneden. ‘In de vrouwenvertrekken? Lan, als ik naar een onderhoud met de Amyrlin Zetel ga – de Amyrlin Zetel! – terwijl ik een zwaard draag, zal ze...’
‘Niets doen,’ vulde Lan hem droog aan. ‘Als de Amyrlin bang voor je is – en daar kun je maar beter niet vanuit gaan, omdat die vrouw volgens mij nergens bang voor is – dan zal het niet voor je zwaard zijn. Nou, onthou dit: je knielt als je voor haar geleid wordt. Maar op één knie, denk eraan,’ voegde hij er scherp aan toe. ‘Je bent geen koopman die op valse gewichten is betrapt. Misschien kun je beter even oefenen.’
‘Ik weet hoe het moet, denk ik. Ik heb gezien hoe de gardisten voor koningin Morgase knielden.’
De schaduw van een glimlach gleed over de lippen van de zwaardhand. ‘Ja, doe het maar zoals zij. Dat zal ze wat te denken geven.’ Rhand trok zijn wenkbrauwen op. ‘Waarom zeg je me dit, Lan? Je bent een zwaardhand. Je doet alsof je aan mijn kant staat.’ ik sta aan jouw kant, schaapherder. Een beetje. Genoeg om je wat te helpen.’ Het gezicht van de zwaardhand stond steenhard en door de harde stem klonken zijn bemoedigende woorden vreemd. ‘Die paar oefenlessen die je hebt gehad, kreeg je van mij en ik wil niet dat je daar in het stof ligt te snotteren. Het Rad weeft ons allemaal in het Patroon zoals het wil. Je bent er minder vrij door dan de meeste mensen, maar bij het Licht, je kunt het nog steeds rechtop en fier onder ogen zien. Onthoud wie de Amyrlin Zetel is, schaapherder, en toon haar de verschuldigde eerbied. Maar doe wat ik je zeg en kijk haar recht in de ogen. Nou, sta niet zo te gapen. Doe je hemd goed.’ Rhand sloot zijn mond en stopte het hemd in zijn broek. Onthouden wie ze is? Bloedvuur, wat zou ik er niet voor over hebben om te vergeten wie ze is!
Lan gaf de ene goede raad na de andere, terwijl Rhand de rode mantel omsloeg en zijn zwaard omgespte. Wat hij moest zeggen en tegen wie, en wat hij vooral niet moest zeggen. Hij wist niet of hij het allemaal kon onthouden – het meeste klonk nogal vreemd en was makkelijk te vergeten. Hij was er zeker van dat het juist de dingen zouden zijn die de Aes Sedai boos zouden maken. Als ze dat al niet zijn. Als Moiraine het aan de Amyrlin Zetel heeft verteld, aan wie nog meer?
‘Lan, waarom kan ik er niet vandoor gaan zoals ik had bedacht? Tegen de tijd dat ze weet dat ik niet kom opdagen, kan ik in volle draf al een roede ver buiten de muren zijn.’
‘En ze zou spoorzoekers achter je aan sturen voor je er tweee had afgelegd. Wat de Amyrlin wil, schaapherder, gebeurt.’ Hij verschikte Rhands zwaardgordel zodat de zware gesp in het midden zat. ‘Wat ik doe, is het beste wat ik voor je kan doen. Geloof me maar.’
‘Maar waarom dit allemaal? Wat betekent het? Waarom leg ik mijn hand op mijn hart als de Amyrlin opstaat? Waarom moet ik alles weigeren behalve water? Ik wil niet eens met haar aan tafel! En waarom moet ik dan wat op de vloer gieten en zeggen: “Het land is dorstig.”? En als ze vraagt hoe oud ik ben, waarom moet ik dan zeggen hoelang ik mijn zwaard draag? Ik begrijp nog niet de helft van wat je me verteld hebt.’
‘Drie druppels, schaapherder, niet gieten. Je sprénkelt niet meer dan drie druppels water. Later zul je het begrijpen, zolang je er nú maar aan denkt. Zie het maar als het in ere houden van een traditie. De Amyrlin zal met je doen wat ze moet doen. Als je gelooft dat je daar onderuit kunt komen, dan geloof je ook dat je zoals Len naar de maan kunt vliegen. Je kunt niet ontsnappen, maar misschien kun je je een poosje staande houden, en misschien kun je tenminste je trots behouden. Het Licht brande me; ik verdoe waarschijnlijk m’n tijd, maar ja, wat kan ik beter doen? Sta stil.’ De zwaardhand trok een lang, dik gouden koord met kwasten uit zijn zak en bond het met een ingewikkelde knoop om Rhands linkerarm. In de knoop stak hij een speld van rood email, een adelaar met gespreide vleugels, ik heb dit voor jou laten maken, en nu is een even geschikt moment als later. Dat zal ze wat te denken geven.’ Er was nu geen twijfel mogelijk. De zwaardhand glimlachte.
Rhand keek bezorgd naar de speld. Caldazar. De Rode Adelaar van Manetheren. ‘Een doorn in de voet van de Duistere,’ mompelde hij, ‘en een angel in zijn hand.’ Hij keek naar de zwaardhand. ‘Manetheren is al heel lang dood en vergeten, Lan. Het is nu niet meer dan een naam in een boek. Tweewater is alles wat is overgebleven. Wat ik verder ook mag zijn, ik ben een schaapherder en een boer. Dat is alles.’
‘Wel, het zwaard dat niet gebroken kon worden, werd ten slotte verbrijzeld, schaapherder, maar het bevocht de Schaduw tot het einde. Manhaftig bevochten en dat stijgt boven alle andere regels uit. Wat er ook gebeurt, hou je hoofd hoog en zie het onder ogen. Nou, ben je klaar? De Amyrlin Zetel wacht.’
Met een kille knoop in zijn buik volgde Rhand de zwaardhand de gang in.
8
De Herrezen Draak
Stijfjes en aanvankelijk zenuwachtig liep Rhand naast de zwaardhand. Houd het hoofd hoog en zie het onder ogen. Lan had makkelijk praten. Hij had geen oproep gekregen om voor de Amyrlin Zetel te verschijnen. Hij hoefde zich niet af te vragen of hij gestild zou worden voor de dag om was, of erger. Rhand voelde een brok in zijn keel; hij wilde verschrikkelijk graag slikken maar hij kon niet. Het was druk in de gangen; dienaren waren bezig met hun ochtendwerk en er liepen krijgslieden die zwaarden droegen over hun gemakkelijke kleren. Een paar jongens met kleine oefenzwaarden liepen achter de ouderen aan en deden hun manier van lopen na. Van de opwinding van de vorige avond was niets meer te merken, al hing er een sfeer van waakzaamheid die zelfs de kinderen had aangestoken. De volwassenen leken net katten die op een troep ratten wachtten.
Ingtar keek Rhand en Lan eigenaardig, bijna bezorgd aan. Hij wilde iets zeggen, maar toen ze langsliepen, hield hij zijn mond. De boomlange, magere en bleke Kajin hief zijn vuisten op en riep: ‘TAI’SHAR MALKIER! TAI’SHAR MANETHEREN!’ Het ware bloed van Malkier. Het ware bloed van Manetheren.
Rhand schrok op. Licht, waarom zei hij dat? Wees geen dwaas, zei hij tegen zichzelf. Ze kennen hier allemaal Manetheren. Ze kennen elk verhaal van vroeger waarin gevochten wordt. Bloedvuur, ik moet mijn zenuwen beter in bedwang houden.
Lan hief zijn vuisten en antwoordde: ‘TAI’SHAR SHIENAR!’
Als hij het op een lopen zette, kon hij zich dan lang genoeg tussen de mensen verstoppen om zijn paard te bereiken? Als ze speurders achter me aan stuurt... Met elke stap werd hij meer gespannen.
Toen ze de vrouwenvertrekken naderden, blafte Lan plotseling: ‘Kat sluipt over binnenhof.’
Geschrokken nam Rhand onwillekeurig de houding aan die hem was geleerd; een rechte rug, maar alle spieren ontspannen, alsof hij aan een draad aan zijn hoofd hing. Het was een ontspannen, bijna hooghartige manier van lopen. Ontspannen aan de buitenkant, maar zeker niet van binnen. Hij had geen tijd om zich af te vragen wat hij aan het doen was. Naast elkaar sloegen ze af, de laatste gang in. De vrouwen bij de toegang tot de vrouwenvertrekken keken bij hun nadering kalm op. Enkelen zaten achter tafeltjes lange lijsten na te kijken en schreven soms wat op. Anderen waren aan het breien of borduurden met naald en borduurraam. Zowel vrouwen in zijde als vrouwen in livrei hielden hier de wacht. De deuren onder de boog stonden open en werden alleen door vrouwen bewaakt. Geen Shienaraan zou hier ongenood binnentreden en elke man zou bereid zijn die deur in nood te verdedigen, al zou hij zich heel ontzet voelen over zoiets.