De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Wie weten hier nog meer van?’ De stem van de Amyrlin klonk zwakjes, maar nog steeds scherp. ‘Serafelle, neem ik aan. Wie nog meer, Verin?’
‘Niemand, Moeder. Serafelle stelt niet echt belang in kennis die niet reeds in een boek, liefst heel oud, is vastgelegd. Zij gelooft dat her en der tien keer zoveel oude boeken en manuscripten en fragmenten zijn vergeten of vergaan dan wat we in Tar Valon hebben bijeengebracht. Ze is er zeker van dat er genoeg oude kennis is die we slechts moeten vinden om...’
‘Genoeg, zuster,’ zei Moiraine. Ze verbrak haar band met de Ware Bron en voelde even later dat de Amyrlin haar voorbeeld volgde. Het voelde altijd als een verlies wanneer de Kracht wegsijpelde, zoals bloed en leven uit een open wond stromen. Een deel van haar wilde blijven vasthouden, maar in tegenstelling tot sommige zusters had ze zich geoefend om er niet te afhankelijk van te worden. ‘Ga zitten, Verin, en vertel ons wat je weet en hoe je erachter bent gekomen. Laat niets weg.’
Terwijl Verin een stoel nam – met een blik naar de Amyrlin om toestemming te vragen om in haar aanwezigheid te zitten – keek Moiraine haar droevig aan.
‘Het is onwaarschijnlijk,’ begon Verin, ‘dat iemand die de oude verslagen niet grondig bestudeerd heeft, iets zou hebben opgemerkt, behalve dat jullie je enigszins vreemd gedroegen. Vergeef me, Moeder. Het was bijna twintig jaar geleden, tijdens de belegering van Tar Valon, dat ik op mijn eerste aanwijzing stuitte, en dat kwam alleen maar...’
Het Licht helpe me, Verin, maar ik hield van je, vanwege de zoetigheid, en omdat ik bij jou kon uithuilen. Maar ik zal doen wat ik moet doen. Dat moet ik.
Perijn loerde om de hoek naar de verdwijnende rug van de Aes Sedai. Ze rook naar lavendelzeep, hoewel de meesten het zelfs van dichtbij niet zouden hebben geroken. Zodra ze uit zicht was, haastte hij zich naar de deur van de ziekenkamer. Hij had al een keer eerder geprobeerd Mart te bezoeken en die Aes Sedai – hij had haar Leane horen noemen – had z’n hoofd er bijna afgebeten zonder zelfs maar te kijken wie hij was. Hij voelde zich niet op z’n gemak in de nabijheid van een Aes Sedai, vooral niet als die naar zijn ogen begon te kijken.
Hij bleef voor de deur staan. Hij kon nergens in de gang voetstappen horen, ook niet aan de andere kant van de deur, dus ging hij naar binnen en deed de deur zachtjes dicht.
De ziekenkamer was een langgerekt vertrek met witte muren en aan beide kanten lieten de toegangen tot de boogschuttersomloop veel licht naar binnen. Mart lag in een van de smalle bedden langs de muur. Na de vorige avond had Perijn verwacht dat de meeste bedden bezet zouden zijn, maar toen bedacht hij dat de burcht vol Aes Sedai zat. Het enige dat een Aes Sedai niet met Heling kon genezen, was de dood. Voor Perijn bleef de kamer toch naar ziekte ruiken. Perijns gezicht vertrok bij die gedachte. Mart lag stil, zijn ogen waren gesloten en zijn handen lagen roerloos op de deken. Hij zag er uitgeput uit. Niet echt ziek, meer alsof hij drie dagen op het land had gewerkt en nu pas kon uitrusten. Maar hij rook... verkeerd. Het was niet iets waaraan Perijn een naam kon geven. Alleen maar verkeerd. Perijn ging voorzichtig op het bed naast dat van Mart zitten. Hij deed de dingen altijd voorzichtig. Hij was groter dan de meeste mensen en zolang hij zich kon herinneren, was hij groter geweest dan de andere jongens. Hij moest voorzichtig zijn, zodat hij niet iemand per ongeluk verwondde of dingen brak. Het was een tweede natuur voor hem geworden. Hij wilde ook graag dingen overdenken en ze soms met iemand doorpraten. Nu Rhand denkt dat hij een hoge heer is, kan ik niet met hem praten, en Mart heeft voorlopig zeker niet veel te zeggen.
Gisteravond was hij een tuin ingelopen om de dingen te overdenken. Hij schaamde zich er nog steeds een beetje voor. Als hij dat niet had gedaan, was hij in zijn kamer geweest en met Egwene en Mart meegegaan, en had hij misschien kunnen voorkomen dat ze gewond waren geraakt. Maar waarschijnlijk zou hij ook in een van deze bedden zijn beland, net als Mart, of zijn gedood, maar dat veranderde niets aan hoe hij zich voelde. Nou ja, hij was naar de tuin gegaan en het feit dat hij zich zorgen maakte, had niets te maken met de Trollokaanval.
Terwijl hij daar in het donker in de tuin zat, was hij gevonden door een groep dienaressen. Vrouwe Timora van Amalisa’s gevolg was erbij geweest en die had met spoed een dienares weggestuurd. Hij had haar horen zeggen: ‘Zoek Liandrin Sedai! Vlug!’ Ze hadden hem in het oog gehouden alsof ze dachten dat hij als een speelman in een rookwolk zou verdwijnen. Toen was de eerste noodklok gaan luiden en begon iedereen in de burcht rond te hollen. ‘Liandrin,’ mompelde hij nu. ‘Een Rode Ajah. Die jagen alleen maar op mannen die kunnen geleiden. Ze gelooft toch niet dat ik er zo een ben? Wat denk je?’ Mart gaf uiteraard geen antwoord. Perijn wreef spijtig over zijn neus. ‘Nou zit ik al in mezelf te praten. Dat heb ik naast al het andere niet nodig.’
Marts ogen knipperden. ‘Wie...? Perijn? Wat is er gebeurd?’ Zijn ogen gingen niet helemaal open en zijn stem klonk alsof hij nog half in slaap was.
‘Weet je het niet meer, Mart?’
‘Weten?’ Slaperig bewoog Mart een hand naar zijn gezicht en liet hem toen met een zucht weer vallen. Zijn ogen vielen weer half dicht. ‘Weet nog... Egwene. Vroeg me... naar beneden... Fajin zien.’ Hij lachte, maar de lach ging over in een geeuw. ‘Ze vroeg het niet. Zei het me... Weet niet meer wat er gebeurde na...’ Zijn lippen maakten een smakkend geluid en Perijn hoorde de diepe, gelijkmatige ademhaling van de slaap.
Hij sprong op toen zijn oren het geluid van naderende voetstappen opvingen, maar hij kon nergens naartoe. Hij stond nog steeds naast Marts bed toen Leane binnenkwam. Ze bleef staan, zette de handen in haar zij en nam hem langzaam van top tot teen op. Ze was bijna even groot als hij.
‘Nou, jij bent een leuke kerel,’ zei ze zacht maar ferm, ‘bijna leuk genoeg om te wensen dat ik een Groene was. Bijna. Maar als je deze zieke jongen hebt lastig gevallen... Wel, ik heb mijn broers aangepakt die bijna net zo groot waren als jij voordat ik naar de Toren ging. Dus denk maar niet dat die schouders je zullen helpen.’ Perijn schraapte zijn keel. De helft van de tijd had hij geen idee wat vrouwen bedoelden als ze zoiets zeiden. Nee, dan Rhand. Die weet altijd wat hij tegen meisjes moet zeggen. Hij besefte dat hij nijdig keek en onderdrukte het haastig. Hij wilde niet aan Rhand denken en hij wilde zeker geen Aes Sedai op stang jagen, vooral niet eentje die ongeduldig met haar voet begon te tikken. ‘Eh... ik heb hem niet gestoord. Hij slaapt nog steeds. Ziet u?’
‘Inderdaad. Maar goed ook voor jou. Nou, wat doe je hier nog? Ik herinner me dat ik je al een keer weggejaagd heb. Denk maar niet dat ik dat vergeten ben.’