Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 33 34 35 36 37 38 39 40 41 ... 203
Перейти на страницу:

‘Ik wou alleen maar weten hoe het met hem is.’

Ze aarzelde. ‘Hij slaapt, zo is het met hem. En over een paar uur is hij dat bed uit en zul je denken dat er met hem nooit iets mis is geweest.’

Die aarzeling zette zijn haren overeind. Ergens loog ze. Aes Sedai logen nooit, maar ze vertelden niet altijd de waarheid. Hij wist niet zeker wat er gaande was – Liandrin die hem zocht, Leane die tegen hem loog – maar hij vond het tijd aan de Aes Sedai te ontsnappen. Voor Mart kon hij nu niets meer doen.

‘Dank u,’ zei hij. ‘Dan kan ik hem beter laten slapen. Mag ik?’ Hij probeerde langs haar naar de deur te glippen, maar opeens schoten haar handen uit en hield ze zijn hoofd achterover, zodat ze in zijn ogen kon kijken. Er scheen iets door hem heen te gaan, een soort warme golf die vanaf zijn kruin naar zijn tenen stroomde en weer terug. Hij trok zijn hoofd uit haar handen.

‘Je bent zo gezond als een jong wild dier,’ zei ze met getuite lippen. ‘Maar als jij met die ogen bent geboren, ben ik een Witmantel.’

‘Het zijn de enige ogen die ik ooit heb gehad,’ gromde hij. Hij schrok een beetje dat hij op die toon tegen een Aes Sedai sprak. Hij was even verbaasd als zij toen hij haar zacht bij haar armen pakte en opzij tilde. Ze staarden elkaar aan en hij vroeg zich af of zijn ogen even groot van schrik waren als de hare. ‘Mag ik,’ zei hij nogmaals en sloeg toen bijna op de vlucht.

Mijn ogen. Mijn Licbtvervloekte ogen! De ochtendzon ving zijn ogen, die glinsterden als glanzend goud.

Rhand lag in zijn bed te woelen en probeerde een gemakkelijke houding te vinden op de dunne matras. Het zonlicht stroomde door de schietgaten en beschilderde de kale stenen muren. De rest van de nacht had hij niet meer in slaap kunnen komen. Hij wist zeker dat hij nu niet meer kon slapen, hoe vermoeid hij ook was. Het leren wambuis lag op de vloer tussen zijn bed en de muur, maar verder was hij volledig gekleed. Hij droeg zelfs zijn nieuwe laarzen. Zijn zwaard was tegen het bed gezet en zijn boog en pijlkoker stonden in een hoek tegen de ingepakte mantels.

Hij kon het gevoel niet kwijt dat hij de kans die Moiraine hem had geboden, had moeten pakken en meteen had moeten vertrekken. Hij had de hele nacht die drang gehad. Twee keer was hij zo ver gekomen dat hij in de deuropening stond. De gangen waren leeg geweest, op enkele nog laat werkende dienaren na; de kust was vrij geweest. Maar hij moest het weten.

Perijn kwam geeuwend en met gebogen hoofd binnen. Rhand ging overeind zitten. ‘Hoe is het met Egwene? En Mart?’

‘Ze slaapt; dat zeggen ze tenminste. Ze lieten me niet toe in de vrouwenvertrekken, dus heb ik haar niet gezien. Mart is...’ Terwijl hij naar de vloer bleef kijken, viel Perijn plotseling nijdig uit: ‘Als je het zo belangrijk vindt, waarom ben je zelf dan niet gaan kijken? Ik dacht dat je ons niet meer wilde zien. Dat zei je tenminste.’ Hij trok de deur van de kleerkast open en rommelde rond, op zoek naar een schoon hemd.

‘Ik bén naar de ziekenzaal gegaan, Perijn. Er was een Aes Sedai, die lange, die altijd bij de Amyrlin Zetel is. Ze zei dat Mart sliep en dat ik in de weg liep en dat ik een andere keer kon terugkomen. Ze klonk net als baas Tan wanneer die zijn knechten een opdracht geeft. Je weet hoe de molenaar is, altijd maar bezig en je moet het meteen goed doen of anders...’

Perijn gaf geen antwoord. Hij liet alleen zijn mantel op de grond vallen en trok zijn hemd over het hoofd uit.

Rhand bestudeerde de rug van zijn vriend en hij lachte gemaakt. ‘Moet je horen. Weet je wat ze tegen me zei? Die Aes Sedai in de ziekenzaal, bedoel ik. Je weet hoe lang ze is. Net zo lang als veel mannen. Nog een hand groter en ze had me recht in de ogen kunnen kijken. Nou, ze bekeek me van top tot teen en mompelde toen: “Jij bent lang, zeg. Waar was je toen ik zestien was? Of zelfs dertig?” En toen lachte ze alsof het allemaal een grap was. Wat vind je daarvan?’ Perijn had net een schoon hemd aangetrokken en keek hem zijdelings aan. Met zijn afhangende schouders en dikke haardos moest Rhand aan een gewonde beer denken. Een beer die niet begreep waarom hij gewond was. ‘Perijn, ik...’

‘Als je grappen over de Aes Sedai wilt maken,’ onderbrak Perijn hem, ‘is dat jouw zaak, heer.’ Hij propte het hemd in zijn broek, ik besteed weinig tijd aan het uitwisselen van geestigheden – zeg je dat niet zo? – met Aes Sedai. Maar ja, ik ben slechts een lompe smid, heer, en ik mocht eens iemand voor de voeten lopen.’ Hij graaide zijn mantel van de vloer en liep naar de deur.

‘Bloedvuur, Perijn. Het spijt me. Ik was bang en ik dacht in de moeilijkheden te zitten – misschien was dat zo, misschien is het nog steeds zo, ik weet het niet – en ik wilde jou en Mart er niet bij betrekken. Licht, alle vrouwen waren gisteravond naar me op zoek. Ik geloof dat dat een deel van mijn problemen is. En Liandrin... ze...’ Hij gooide zijn handen op. ‘Perijn, geloof me, je wilt er helemaal niets mee te maken hebben.’

Perijn bleef staan, maar keerde zich niet om. Hij keek enkel opzij, zodat Rhand één gouden oog kon zien. ‘Op zoek naar jou? Misschien waren ze naar ons alledrie op zoek.’

‘Nee, ze zochten naar mij. Ik wou dat het niet zo was, maar ik weet wel beter.’

Perijn schudde het hoofd. ‘Liandrin wilde mij, zeker weten. Ik heb het gehoord.’

Rhand fronste zijn wenkbrauwen. ‘Waarom zou ze...? Het verandert niets. Luister, ik deed mijn mond open en zei iets dat ik niet had moeten zeggen. Ik meende het niet, Perijn. Kun je me nou alsjeblieft wat over Mart vertellen?’

‘Hij slaapt. Leane – dat is die Aes Sedai – zei dat hij over een paar uur opgeknapt zal zijn.’ Hij trok bezorgd de schouders op. ‘Ik denk dat ze loog. Ik weet dat Aes Sedai nooit liegen, tenminste niet zo dat je ze kunt betrappen, maar ze loog of hield iets achter.’ Hij zweeg en keek Rhand schuin aan. ‘Je meende er dus niets van? We gaan hier samen weg? Jij, ik en Mart?’

‘Dat kan ik niet, Perijn. Ik kan je niet zeggen waarom, maar ik moet echt alleen... Perijn, wacht!’

De deur dreunde dicht achter zijn vriend.

Rhand viel terug op zijn bed. ‘Ik kan het je niet vertellen,’ gromde hij. Hij sloeg met zijn vuist tegen de zijkant van het bed. ‘Ik kan het niet. Maar je kunt nu gaan, zei een stem in zijn hoofd. Met Egwene komt bet weer goed en Mart zal binnen een paar uur op de been zijn. Je kunt nu gaan. Voordat Moiraine van mening verandert. Hij wilde net gaan zitten toen een aanhoudend gebons op de deur hem overeind deed springen. Perijn zou niet kloppen. Het bonzen begon opnieuw. ‘Wie is daar?’

Lan beende naar binnen en schopte de deur achter zich dicht. Zoals gewoonlijk droeg hij zijn zwaard over een eenvoudige groene mantel die hem in een bos bijna onzichtbaar maakte. Maar deze keer had hij hoog om zijn linkerarm een dik gouden koord gebonden. De kwasten reikten bijna tot zijn elleboog. In de knoop stak een speld in de vorm van een gouden kraanvogel in de vlucht, het teken van Malkier.

‘De Amyrlin Zetel ontbiedt je, schaapherder. Zo kun je niet gaan. Uit dat hemd, en borstel je haren. Je ziet eruit als een hooimijt.’ Hij rukte de kastdeur open en zocht in de kleren die Rhand had willen achterlaten.

Rhand zat versteend; hij voelde zich alsof iemand met een hamer op zijn hoofd had geslagen. Natuurlijk, dit had hij min of meer verwacht, maar hij was er zeker van geweest dat hij weg zou zijn vóór die oproep. Ze weet het. Licht, ik ben er zeker van. ‘Wat bedoel je, dat ze me ontbiedt? Ik ga weg, Lan. Je had gelijk. Ik ga nu naar de stal, haal mijn paard en vertrek.’

‘Dat had je gisteravond moeten doen.’ De zwaardhand gooide een witzijden hemd op het bed. ‘Niemand weigert een onderhoud met de Amyrlin Zetel, schaapherder. Zelfs de kapiteinheer-gebieder van de Witmantels niet. Pedron Nial zou de hele reis plannen smeden om haar te doden, als hij dat zou kunnen klaarspelen en vluchten, maar hij zou wel komen.’ Hij draaide zich om en hield een mantel met een hoge kraag omhoog. ‘Die kan ermee door.’ Verstrengelde doormakken van zwaar goudborduursel klommen langs beide mouwen omhoog en slingerden zich rond de boord. De kraag vertoonde geborduurde gouden reigers. ‘De kleur is ook goed.’ Iets leek hem te vermaken of tevreden te stellen. ‘Kom op, schaapherder. Trek een ander hemd aan. Schiet op!’

1 ... 33 34 35 36 37 38 39 40 41 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)