De Cock en een strop voor Bobby
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #1
- Год: 2004
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0614-9
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en een strop voor Bobby». Краткое содержание книги:
Ik schudde mijn hoofd.
‘Houd het maar,’ zei ik. ‘Bewaar het als aandenken.’
Ik las verwondering op zijn gezicht.
Ook Van der Kerk scheen verbaasd.
‘Maar,’ zei hij, ‘dat potlood is toch een bewijs?’
‘Ja,’ zuchtte ik, ‘een bewijs. Maar ik heb vanavond geen bewijzen nodig.’
Ik nam nog een slok cognac en keek Van der Kerk van over mijn glas heen aan.
‘Of wil je, dat ik het als bewijs gebruik? Wil je dat Geert met bewijzen voor de rechter wordt gebracht? Wil je dat, Van der Kerk?’
Hij boog het hoofd en zweeg.
Ik voelde bitterheid.
‘Waarom heb je het Geert laten doen?’ vroeg ik verwijtend. ‘Waarom heb je niet gewoon de verantwoordelijkheid en de consequenties aanvaard? Waarom heb je er Geert aan opgeofferd?’ Hij keek op.
‘Ja, Van der Kerk, want jij hebt Bobby vermoord.’
De uitdrukking op zijn gezicht veranderde niet veel.
‘Het was geen moord,’ zei hij kalm.
Ik grijnsde.
‘Noem het doodslag. Het verschil interesseert mij vanavond niet veel.’
‘Ik deed het om Mientje,’ zei hij.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee, Van der Kerk, niet om Mientje, maar om jezelf. We hebben beiden schuld aan haar dood. Jij en ik. Ik om hetgeen ik heb nagelaten, jij om hetgeen je hebt gedaan.’ ‘Ik heb geen schuld,’ antwoordde hij heftig. ‘Ik ben altijd goed voor haar geweest. Ik heb haar als kind verzorgd en vertroeteld. Ik heb haar grootgebracht. Toen ze ouder werd heb ik haar nukken verdragen. Heb ik schuld? Wat heb ik gedaan om mij schuldig te voelen?’
Ik aarzelde met mijn antwoord. Mocht ik het hem wel zeggen? zo vroeg ik mij af. Ik had de afscheidsbrief van Mientje juist verbrand om hem het schuldgevoel te besparen. Maar dat was voor Bobby’s dood. De zaak lag nu anders. Ik wilde klaarheid. Geen van ons mocht zich nog in valse illusies kunnen koesteren.
‘Je hebt Mientje opgeofferd aan je eigen egoïsme,’ zei ik scherp.
‘Ik?’ riep Van der Kerk.
‘Ja,’ antwoordde ik, ‘jij. Herinner je je nog die jongen, met wie Mientje verkering had? Die slungel, zoals jij hem noemde. Ik heb hem opgespoord. Ik vond hem een aardige jongen. Ik vond hem helemaal geen slungel waaruit niets kon groeien. Ik ontdekte een hardwerkende jongeman, die zijn weg in het leven zeker wel zal vinden. Ik heb uren met hem gesproken. Tijdens dat gesprek is mij veel duidelijk geworden. Ik begreep plotseling waarom jij zo tegen die verkering was gekant. Niet de daad is belangrijk, maar het motief. Het zijn je eigen woorden. Wat was jouw motief om je zo heftig tegen die verkering te verzetten?’ Van der Kerk antwoordde niet. Hij zat handenwringend voor zich uit te staren.
‘Ik zal het je zeggen, wat jouw motief was. Het was egoïsme, puur egoïsme. Je vroeg je niet af of Mientje met die jongen gelukkig zou kunnen worden. Je hebt niet aan haar gedacht, maar aan jezelf. Je was bang voor de eenzaamheid. Je wilde haar niet verliezen. In je kortzichtigheid heb je haar gebeden en gesmeekt die jongen los te laten. Je hebt gespeculeerd op haar gevoelens voor jou. Je hebt erbij zitten grienen. Die jongen heeft het mij allemaal verteld. Mientje stond voor een keuze en het arme kind koos verkeerd. Ze koos jou en offerde haar jonge liefde. Je aanvaardde dat als de gewoonste zaak van de wereld. Je zag haar offer niet eens, want toen je nog geen jaar later Anna leerde kennen, nam je haar zonder gewetensbezwaar bij je in huis. Niet Bobby dreef Mientje in de prostitutie, maar jij. Bobby was alleen het middel.’
Van der Kerk staarde mij met wijd opengesperde ogen aan.
‘Je bent meedogenloos, Versteegh,’ zei hij.
‘Ja,’ zei ik verbeten. ‘Ik heb twintig jaar recherche achter de rug en die gaan niet ongemerkt voorbij.’
Ik zuchtte.
‘Ik verwijt je niet de dood van Mientje, althans niet meer dan dat ik mij dat zelf verwijt. Ik verwijt je ook niet dat je Bobby om het leven bracht. Ook ik heb de dood van Bobby gewild. Maar ik verwijt je alleen dat je, toen het erop aankwam, de consequenties van je daad niet durfde aanvaarden en Geert betrok in een zaak, waaraan hij geen schuld had.’
‘Je vergist je, Versteegh,’ zei Geert kalm. ‘Van der Kerk heeft my niet in de zaak-Bobby betrokken. Jouw verwit is ongegrond. Ik heb zelf niet gewild dat hij zou worden gestraft. Het was mijn idee.’
‘Jouw idee?’ riep ik verbaasd.
‘Ja, mijn idee. Van der Kerk wilde niet dat ik het zou doen. Hij wilde dat ik hem zou arresteren, maar dat kon ik niet. Mijn gevoel van rechtvaardigheid kwam daartegen in opstand.’
‘Goed Geert, hoe is het dan gegaan?’
‘Op die bewuste avond zwierf ik door de buurt. Ik was op zoek naar een getuige in een zaak die ik onderhanden had. Op de gracht zag ik de wagen van Bobby staan en plotseling kreeg ik het idee om eens een praatje met hem te gaan maken. Ik dacht aan Marjan en de bedekte bedreigingen die hij tegenover jou had uitgesproken. Ik had inmiddels Marjan hier in huis ontmoet en de gedachte dat hij… Enfin, je begrijpt mij wel.
Toen ik de deur van zijn woning openduwde, zag ik dat het licht in de gang brandde. Ik liep de gang door en klopte aan. Ik hoorde gestommel in de kamer. Toen er niet werd opengedaan, voelde ik of de deur op slot was. Ik pakte de kruk. De deur gaf mee en ik stapte naar binnen. Voor mij stond Van der Kerk. Hij zag er verwilderd uit. Er stond angst op zijn gezicht. Het haar hing voor zijn ogen en een van de revers van zijn jasje was gescheurd. Op de divan lag Bobby.
Ik was stomverbaasd. “Wat is er gebeurd?” vroeg ik. Van der Kerk scheen totaal ontredderd. Hij herhaalde steeds dezelfde woorden. “Hij kan niet dood zijn. Hij kan niet dood zijn.” Ik keek naar Bobby op de divan. Hij lag daar intens bleek en bewegingsloos. Ik bukte mij over hem heen. Hij ademde niet meer. Ik raakte een beetje in paniek. “Zeg op kerel,” zei ik, “wat is er gebeurd?” Van der Kerk gaf geen antwoord. Ik schudde hem woedend door elkaar en gaf hem een klap in zijn gezicht. Van der Kerk kwam weer tot zichzelf. “Ik hield hem bij zijn keel,” zei hij toonloos, “en plotseling zakte hij uit mijn handen.” Ik onderzocht de hals van Bobby en zag enkele striemen. “Je hebt hem gewurgd,” riep ik.’
Geert zweeg.
Ik keek naar die twee mensen voor mij. Van der Kerk staarde voor zich uit en Geert streek met zijn hand over zijn ogen.
‘Ga verder,’ drong ik aan.
‘Het was bloedheet in het kamertje. Zo leek het mij tenminste. Ik begon kunstmatige ademhaling op Bobby toe te passen. Ik werkte mij in het zweet. Van der Kerk stond er verdwaasd bij. Na ongeveer een kwartier voelde ik dat het geen zin meer had. Bobby was dood. Maar ik bleef stug doorgaan.
Ik weet niet meer hoe lang ik met hem bezig ben geweest. Plotseling zei Van der Kerk: “Houd maar op. Het helpt niet.”
Ik liet de armen van Bobby los. Ik kon ook niet meer. Ik had geen kracht meer om verder te gaan. “Kom,” zei Van der Kerk toen, “breng me maar naar het bureau.”
Ik kan je niet vertellen wat een schok die woorden voor mij betekenden. Al die tijd dat ik met Bobby was bezig geweest, had ik mij niet gerealiseerd dat ik ook nog rechercheur was. Plotseling besefte ik de situatie waarin ik mij bevond.
Begrijp je, Versteegh, ik bezit niet jouw koelbloedigheid. Ik ben er nog niet op getraind om in alle situaties rechercheur te zijn. Ik was helemaal in de war. Voor mij stond Van der Kerk en op die divan lag Bobby. Dood.
Door mijn hoofd gingen allerlei gedachten. Ik kom uit een dorp in Groningen, eigenlijk een gehucht. Ik ben streng opgevoed met vaste ideeën over goed en kwaad. Vanuit dat gehucht ben ik zo in de stad geplaatst. Over prostitutie en souteneurschap werd thuis nooit gesproken. Ik kende de woorden niet eens. Toen ik nog jong was had iemand in ons dorp zelfmoord gepleegd. Ik herinner het mij nog goed. Het was iets verschrikkelijks en had te maken met zielennood. Het was sterk af te keuren werd er gezegd, maar iemand die het toch deed, moest wel heel erg in nood hebben verkeerd. Ik dacht aan Mientje, aan het verdriet van Van der Kerk, toen wij hem het bericht van haar dood brachten en ik dacht aan die afschuwelijke snijtafel. Ik dacht aan hetgeen jij mij over Bobby had verteld.