De Cock en een strop voor Bobby
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #1
- Год: 2004
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0614-9
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en een strop voor Bobby». Краткое содержание книги:
‘Hoe lang leefde u al met Bobby samen?’
‘Ongeveer twee maanden.’
‘Getrouwd?’
‘Nog niet.’
‘Waarom niet?’
‘Bobby was bezig met scheiden. Hij was nog getrouwd.’
‘Met wie?’
‘Weet ik veel. Het moet een rotwijf zijn geweest. Bobby heeft een slecht leven bij haar gehad.’
‘Hoe weet u dat?’ vroeg ik scherp.
‘Hij heeft het mij toch zelf verteld.’
‘Heeft u wel eens van Mientje gehoord?’
‘Welke Mientje?’
‘Laat u maar,’ zei ik. ‘Was u al in de prostitutie voor u Bobby leerde kennen?’
‘Nee.’
‘Waarom bent u dan in de prostitutie gegaan?’
‘Trouwen kost geld.’
‘Kon Bobby dan niet werken?’
‘Nee, hij zei dat hij iets aan zijn rug had.’
Ik grijnsde. Steeds een ander excuus, dacht ik. De Wilde ging verder.
‘Hebt u een sleutel van Bobby’s kamer?’
‘Ja.’
‘Mag ik die sleutel eens zien?’
Ze pakte een sleutel uit haar tasje en gaf die aan De Wilde. ‘Vertelt u eens hoe u Bobby vanavond hebt gevonden.’
‘Nou, hij hing daar hè en toen…’
De Wilde schudde zijn hoofd.
‘Van het begin af. Hoe laat ging u naar Bobby?’ ‘Ongeveer half één.’
‘Wist hij dat u zou komen?’
‘Ja, ik slaap toch met hem.’
‘Ga verder.’
‘Nou, zijn deur zat op slot. Ik nam mijn sleutel uit mijn tasje, maar ik kon hem niet in het slot krijgen. Ik keek in het sleutelgat. Er zat een sleutel aan de andere kant. Ik had dat wel eens meer bij de hand gehad. Ik nam een speldje uit mijn haar en peuterde net zo lang tot de sleutel aan de andere kant uit het slot viel. Toen kon ik de deur met mijn eigen sleutel openmaken.’ ‘Waarom klopte u niet?’
‘Dat heb ik gedaan.’
‘Vond u het niet vreemd dat de deur niet werd opengedaan?’ ‘Nee, ik dacht, dat hij al sliep.’
‘Dus,’ zei De Wilde met nadruk, ‘de deur van Bobby’s kamer zat aan de binnenzijde op slot.’
Het meisje knikte.
‘Heeft u in de kamer nog iets aangeraakt?’
‘Nee, toen ik Bobby zag hangen schrok ik geweldig en ben direct naar het politiebureau gerend.’
Op dat moment ging de telefoon in de andere kamer. De Wilde stond op. ‘Verdomme,’ zei hij, ‘ze weten beneden toch dat we hier zitten.’ Hij verliet de kamer om de telefoon te beantwoorden. Toen hij verdwenen was, vroeg ik aan het meisje of ze het licht in de gang had gebruikt. ‘Nee,’ zei ze.
‘Heb je het geprobeerd?’
‘Nee, ik heb geen schakelaar aangeraakt.’
De Wilde kwam terug.
‘Gaat u maar,’ zei hij tegen het meisje. ‘Als ik u nog nodig heb, krijgt u wel een berichtje.’
‘Waar moet ik heen?’ vroeg ze.
De Wilde haalde zijn schouders op. ‘Hoe kan ik dat weten,’ zei hij. ‘Ga naar uw familie.’
‘Ze zien me aankomen,’ zei ze. ‘Ik heb al genoeg herrie met ze gehad.’
‘Enfin, dat is uw probleem,’ zei De Wilde. ‘Als u nergens terecht kunt, gaat u dan naar Hulp voor Onbehuisden.’ ‘Zeg,’ zei ze, ‘weet je niets anders?’
De Wilde werd ongeduldig. ‘Ik heb u niet meer nodig,’ zei hij. ‘U kunt gaan.’
De ogen van het meisje schoten vuur. ‘Een mooie boel,’ riep ze. ‘Een mooie boel. Ik kan toch niet bij die dooie gaan slapen.’
Ze liep mokkend de kamer af. Op de gang hoorde ik haar nog roepen: ‘Een mooie boel hier! ’
De Wilde zuchtte.
‘Ik heb net via de telefoon een tip gekregen,’ zei hij. ‘Het schijnt dat Haagse Bertus en Dikke Toontje het plan hadden om Bobby koud te maken. Ik wil eens een praatje met ze gaan maken. Heb je zin om mee te gaan?’
Ik knikte.
We sloten de recherchekamer af en gingen de buurt in.
De Walletjes waren nog in vol bedrijf. Bij Ria van Bertus waren de gordijntjes gesloten.
‘Ze heeft een klant,’ zei De Wilde. ‘Laten we maar even wachten. Het zal niet lang duren.’
Na ’n minuut of vijf werden de gordijntjes weer opengeschoven. Een ondefinieerbaar mannetje schuifelde ’t kamertje uit en loste zich op in het donker van de gracht.
We stapten bij Ria binnen. Ze zat met een spiegel in haar hand en maakte haar make-up weer in orde.
‘Wat moeten jullie?’ vroeg ze.
‘We wilden eens praten met Bertus.’
‘Waarom, heeft hij iets uitgehaald?’
‘Ben je daar bang voor?’ vroeg ik.
‘Och,’ zei ze, ‘je weet het nooit met dat os.’
‘Waar kunnen we hem vinden?’
‘Hij zal wel bij Toontje zijn.’
We lieten Ria alleen en gingen naar het huis van Toontje. Met een loper openden we de buitendeur en scharrelden een donker trappetje op. We klopten aan. Toontje deed open en liet ons binnen. ‘Bertus,’ riep hij, ‘we hebben bezoek.’
Haagse Bertus zat lui in een gemakkelijke stoel.
‘Kom binnen heren,’ zei hij opgewekt.
Ze waren beiden een beetje aangeschoten.
‘Wat een eer,’ zei Toontje. ‘De prinsemerij op visite. Een borrel, heren?’
We bedankten voor het aanbod.
‘Ook al goed,’ zei Toontje, ‘zoveel te meer blijft er voor ons over.’
‘Er wordt gefluisterd,’ zei De Wilde, ‘dat jullie Bobby koud wilden maken.’
Bertus trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Ze fluisteren zoveel,’ zei hij.
De Wilde knikte.
‘Ja,’ zei hij, ‘maar Bobby is dood.’
Bertus sprong op.
‘Je meent het,’ zei hij.
De Wilde en ik keken hem zwijgend aan.
‘Je meent het,’ herhaalde Bertus.
Ik zag dat het bericht hem totaal had verrast.
‘Hoe is het gegaan?’ stamelde hij.
‘Dat komen we juist aan jou vragen,’ antwoordde De Wilde. Ik schoof iets achteruit tot bij de deur. Ik wilde een strategische positie innemen voor het geval Bertus zijn zelfbeheersing zou verliezen en tot actie zou overgaan. Bovendien hield ik Toontje in de gaten.
‘Luister eens,’ zei Bertus. ‘Toontje en ik hebben er niets mee te maken. Je kan doen wat je wilt. We zijn de hele avond hier geweest. Je mag gerust weten, we hadden iets met Bobby voor. Maar als hij dood is, dan hoeft dat niet meer. Ik weet niet wie hem koud heeft gemaakt, maar mijn zegen heeft-ie. Voor de rest zoek je het maar uit.’
‘Dat zullen we doen,’ zei De Wilde. ‘Ik waarschuw je alleen voor het geval je er iets mee te maken hebt.’
‘Je weet waar je me kan vinden,’ antwoordde Bertus.
We verlieten de kamer en gingen terug naar het bureau.
‘Het had niets om het lijf,’ zei De Wilde. ‘Ik wou die tip niet verwaarlozen. Die jongens hebben er niets mee te maken.’
Hij keek mij doordringend aan. ‘Het was zelfmoord.’
Ik zweeg.
Die nacht sliep ik slecht. Ik deed praktisch geen oog dicht. Ten slotte stapte ik uit bed en ging in de kamer zitten. Door mijn hoofd spookten allerlei gedachten. Ik nam mijn aantekenbloc en begon notities te maken. Ik schreef vellen vol, las wat ik geschreven had en streepte weer grote gedeelten door. Maar hoe ik de legpuzzel ook in elkaar paste, ik kwam steeds tot dezelfde oplossing.
Toen het tijd werd kleedde ik mij aan en ging naar het bureau. Ik was vroeg. Tegen half negen druppelden ze binnen, De Cock, De Wilde, Geert en de anderen. Alles nam weer zijn normale gang. De telefoons rinkelden en de schrijfmachines begonnen te ratelen. De Wilde verdween zonder iets te zeggen. Tegen tien uur kwam hij terug. Even later werd ik bij de commissaris geroepen. ‘Ga zitten, Versteegh,’ zei hij.
Hij bood mij een sigaret aan.
‘Je bent,’ zo begon hij, ‘met De Wilde op onderzoek geweest naar de oorzaak van de dood van Bobby.’
Ik knikte.
‘De Wilde heeft mij verslag uitgebracht. Volgens hem was de dood van Bobby het gevolg van een zelfmoord door ophanging.’