De Cock en een strop voor Bobby
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #1
- Год: 2004
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0614-9
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en een strop voor Bobby». Краткое содержание книги:
Zo was het ook mij gegaan. Begrijpelijk? Ik had in mijn leven aan de lopende band misdrijven behandeld; een eindeloze rij gezichten, feiten, omstandigheden, sporen, situaties, bewijzen. Alles gewoonte, routine, sleur.
Vrijwel onmiddellijk was ik van moordenaar getransformeerd tot rechercheur. Ik stond daar in die kamer van Bobby en zag zijn lichaam bengelen aan een koord. Ik nam gewoontegetrouw de situatie scherp in mij op. Het had niet lang geduurd. Ik zag bijna onmiddellijk dat er iets niet klopte. Het was maar een kleinigheid, een nietig foutje, een hiaat in het denken van de man die Bobby in die situatie had geplaatst. Ik glimlachte. Waarom maakten ze toch altijd een fout?
De rest was overigens keurig verzorgd en ik kon mij best begrijpen dat De Wilde zijn zelfmoordtheorie niet wilde prijsgeven. Alles — bijna alles — wees toch in die richting.
Toen De Wilde en ik in de kamer kwamen, lag Bobby al op de grond. De agenten hadden volgens voorschrift het koord doorgesneden en de boord van zijn overhemd losgeknoopt. Hij had Bobby dus niet zien hangen. Ik wel, want ik was al voor hem in die kamer geweest. Als De Wilde de lengte van het koord had opgemeten, was hij ongetwijfeld tot dezelfde conclusie gekomen. Maar hij deed het niet. De Wilde was er zo van overtuigd geweest dat hij met een zelfmoord te doen had, dat hij dit nietig detail over het hoofd zag. En ik heb hem niet wijzer gemaakt. Ik had onmiddellijk gezien dat het geen zelfmoord was. Bobby Brakel had zich niet opgehangen. Het was geen zelfmoord, maar moord.
Nu ik alles weet, betreur ik het dat ik toen mijn gedachten heb uitgesproken. Ik had moeten zwijgen. Ik had De Wilde in zijn zelfmoordtheorie moeten steunen, dan had ik het geheim alleen kunnen bewaren. Maar hoe kon ik toen al weten wat de ware toedracht was. Ik had er nog geen flauw vermoeden van. De Wilde had aan mij gevraagd wat ik ervan dacht en ik had hem een eerlijk antwoord gegeven. Het was moord.
In een vaste cadans wipte de trein over de kleine ruimten tussen de rails en voor mijn ogen ontvouwde zich een waaier van weilanden met baleinen van rechte sloten. Gezichtsbedrog. De weilanden vormden geen waaier, alleen vanuit een rijdende trein leek het zo. Zo was het ook met de zaak Bobby. Het leek een zelfmoord, maar was het niet.
De man tegenover mij frommelde in de aktetas op zijn schoot. Hij had er zijn bril bij opgezet. Toen hij zag dat ik naar hem keek, deed hij demonstratief zijn tas dicht en zwiepte haar naast zich op de bank.
‘Ook voor zaken op reis?’ vroeg hij.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Familiebezoek?’ vroeg hij hoopvol. Hij had kennelijk behoefte aan een praatje en zocht naar aanknopingspunten.
‘Nee,’ zei ik, ‘ik ga op bezoek bij mijn eigen geweten.’
Hij keek mij wat vreemd aan. Mijn antwoord had hem verrast. ‘Een lastig bezoek,’ zei hij.
Ik zag dat zijn blikken mijn gelaatstrekken aftastten. Ik vroeg mij af welk beeld zijn gedachten zich nu omtrent mij vormden. Het is vreemd, dacht ik, men weet nooit hoe een ander precies over je denkt. Het heeft ook geen zin om het te vragen, want een eerlijk antwoord krijgt men nooit. Er waren beleefdheidsfrasen en normen van fatsoen die een eerlijk antwoord in de weg stonden. Bovendien was het nog de vraag of een ander in staat was om een juiste visie te geven.
Ik had eens een paar psychiatrische rapporten gelezen. Ze hadden mij teleurgesteld. De conclusies waren vaag en oppervlakkig. Wanneer mensen die de zielsontleding tot hun beroep hadden gekozen met al hun kennis nog niet in staat waren om hun medemensen te beoordelen, hoe konden wij dan ooit tot een beter begrip voor elkaar komen? De mens kent niet eens zichzelf. Waarom zat ik nu in de trein en was ik op weg naar een strand, een eenzaam strand? Ik had mij dat zó gedacht. Op het verlaten strand met de ruisende zee en het krijsen van de meeuwen zou ik een weloverwogen beslissing nemen. Wat een nonsens.
Ik had dat strand toch niet nodig. In feite had ik het besluit toch allang genomen. In een romantische opwelling had ik verlof gevraagd en was in de trein gestapt om in de eenzaamheid met mijn geweten in het reine te komen. Een verlaten strand leek mij voor dit doel een ideale plaats.
Wat wilde ik eigenlijk? Martelaarschap? Het was toch in feite niet meer dan een delging van een schuld. Een schuld die ik voelde aan de dood van Mientje en een schuld die ik voelde voor een daad die ik had willen doen, maar die een ander voor mij had gedaan. Ik wilde boete doen en daarom moest die ander weten wat ik wist. Hoe kan men boete doen? Hoe kan men een schuld betalen die niet in geld is uit te drukken?
Dat was het probleem. Het was niet de vraag of ik mijn geweten bélastte, maar hoe ik mij van een schuld óntlastte. Met mijn geweten was ik al in het reine gekomen toen ik met een kogel voor de loop op weg ging om Bobby te vermoorden. Wat moest ik nu nog op het strand doen?
Toen de trein in Zandvoort stopte, pakte de man zijn aktetas en stond op.
‘Moet u niet uitstappen?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei ik, ‘ik heb net gemerkt dat ik mijn bezoek al heb afgelegd.’
De man schudde zijn hoofd en verliet de trein. Hij had haast.
Ik keek hem door het gangpad na. Hartverlamming, dacht ik, vandaag of morgen.
Ik bleef zitten en reed met dezelfde trein terug.
In Amsterdam gekomen, stapte ik het politieposthuis aan het Centraal Station binnen en liet een berichtje verzorgen. Daarna ging ik weer met de tram naar huis. Mijn vrouw keek vreemd op toen ze mij zag. ‘Kom je nu al thuis,’ zei ze.
Ik trok mijn overjas en schoenen uit. Met mijn pantoffels aan ging ik in mijn stoel bij de haard zitten. Het was behaaglijk warm.
‘Waar is Marjan?’ vroeg ik. Ze had een vrije dag, dat wist ik. ‘Ze is even naar de bakker om gebakjes bij de koffie,’ antwoordde mijn vrouw. ‘Ik denk niet dat ze erop heeft gerekend dat je zo vroeg zou thuiskomen.’
‘Het geeft niet. Ik lust jouw koffie ook wel zonder gebak.’
Mijn vrouw dribbelde naar de keuken. Ik stond van mijn stoel op en liep haar na. Ze schonk water op.
‘Ik wilde je vragen,’ zei ik, ‘om vanavond met Marjan naar de bioscoop te gaan.’
Met de ketel kokend water nog in haar handen draaide zij zich om. ‘Maar,’ zei ze verwonderd, ‘Marjan gaat toch vanavond met Geert uit?’
‘Nee,’ zei ik, ‘ik wil dat jij met haar gaat.’
‘Is er dan wat met Geert,’ vroeg ze.
‘Nee, er is niets met Geert. Ik wil hem alleen vanavond hier houden om iets met hem te bespreken.’
‘Weet Marjan het al? Ze heeft zich er zo op verheugd.’
Ik zuchtte. ‘Nee, ik moet het haar nog vertellen.’
Ze schonk nog eens water op en roerde in pruttelende pannen op het fornuis. De keuken was haar domein.
‘Ik begrijp niet,’ zei ze snibbig, ‘waarom je je zaken niet op bureau bespreekt. Waarom moet het hier gebeuren en juist op zaterdagavond?’ Ze trok haar schouders op. ‘Maar goed, als jij het wilt, dan ga ik vanavond wel met haar naar de bioscoop. Je zult er wel een bedoeling mee hebben.’
Ik liep terug naar de kamer. Onderweg zei ik: ‘Dank je.’
In de jaren van ons huwelijk had mijn vrouw altijd alles aan mij overgelaten. Ik nam de beslissingen. Ze vroeg nooit veel. Ze had zich zo volledig aan mij onderworpen, dat ze zelf bijna geen enkel initiatief meer ontplooide. Ik heb daar schuld aan. Ik had haar alle initiatief ontnomen. Ze was geen partner meer, maar een ondergeschikte. Door mijn heerszuchtige natuur en de voortdurende geestelijke druk die ik op haar uitoefende, was haar persoonlijkheid gestorven. Ik had haar langzaam in de slavernij gedreven en nu ergerde ik mij eraan dat ze een slavin was. Ik zuchtte. Het werd hoog tijd dat ik mijzelf eens onder de loep nam.