De Cock en een strop voor Bobby
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #1
- Год: 2004
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0614-9
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en een strop voor Bobby». Краткое содержание книги:
Toen ik tot die conclusie was gekomen, verliet ik de kamer en ging weer via de gang naar buiten. Iets verderop ging ik op de gracht achter een boom staan kijken en zag twee agenten aankomen. Ze liepen in die typische politiestap en verdwenen in de donkere gang. Ik wachtte nog een minuut of tien en wandelde toen naar het politiebureau. Toen De Wilde kwam ging ik met hem mee voor het onderzoek.’
Geert zette zijn glas neer.
‘Maar,’ zei hij, ‘De Wilde zei toch dat het een zelfmoord was. Ik heb met hem gesproken. Hij zei dat jij het bij het verkeerde eind had en dat je spoken zag. Er was niets dat hem tot een andere conclusie had kunnen brengen. Alle sporen wezen in de richting van zelfmoord. Hij zei dat hij niet begreep waarom jij zijn theorie niet steunde. Toen jij hem vertelde dat het volgens jou geen zelfmoord was, is hij alles nog eens nauwkeurig nagegaan. Daarna is hij naar de commissaris gestapt en heeft zijn zienswijze uiteengezet. Hij vertelde hem ook dat jij het niet met hem eens was. Voordat de commissaris de zaak aan jou overdroeg is hij eerst met De Wilde in de kamer van Bobby gaan kijken.’
‘Dat wist ik niet,’ zei ik.
‘Ja, maar ik wel. Pas toen de commissaris er net als De Wilde van overtuigd was dat Bobby zelfmoord had gepleegd, heeft hij jou de zaak overgedragen. Je moet wel verdraaid zeker van jezelf zijn.’ ‘Dat ben ik ook,’ antwoordde ik kalm.
‘Zou je mij dan misschien eens willen vertellen, waarom het geen zelfmoord was?’
‘Zeker Geert, dat zal ik. Wanneer iemand het plan heeft om zich op te hangen, begint hij het touw te bevestigen en voelt of dit stevig vast zit. Soms wordt de lus van tevoren gemaakt, maar dat kan natuurlijk ook na het bevestigen nog gebeuren. Tot zover heeft het toekomstige slachtoffer nog een volledige bewegingsvrijheid. Hij is nog niet aan één plek gebonden. Maar bij het voltooien van zijn plan wel en daarna, daarna kan hij aan de situatie zelf niets meer veranderen.
Toen ik Bobby vond, reikten zijn voeten tot ongeveer dertig centimeter boven de vloer. Bobby moest dus, toen hij de lus om zijn hals deed ergens op hebben gestaan. Het enige voorwerp dat daarvoor had kunnen dienen, was het omgevallen krukje. Er stond niets anders in de buurt.
Het leek allemaal heel normaal. Ik heb ettelijke zelfmoorden door ophanging behandeld en ik moet zeggen dat het totale beeld volkomen de indruk van zelfmoord gaf. Ik ben een oude rot in het vak en in die jaren ben ik door schade en schande wijs geworden. Ik weet hoe bedrieglijk een zelfmoord kan zijn.
Ik raapte het omgevallen krukje op en schoof het naar de voeten van Bobby. Het paste niet. Begrijp je, Geert, het paste niet. Bobby hing te hoog. Als Bobby werkelijk zelfmoord had gepleegd, dan had hij nooit op dat krukje kunnen staan.’
Ik zag hoe het gezicht van Geert betrok.
‘Maar,’ zei hij stotterend, ‘de deur van Bobby’s kamer was op slot. De Wilde heeft mij dat zelf verteld. De deur was aan de binnenzijde afgesloten. De sleutel stak nog in het slot.’
Ik glimlachte.
‘Neem nog een slok cognac Geert. Het zal je goed doen.’
Ik zag dat zijn hand, die naar het glas reikte, beefde.
‘Je herinnert je misschien nog wel dat ik in die hotelkamer, waar wij Mientje vonden, naar de sleutel van haar kamer heb gezocht. Een aan de binnenzijde afgesloten kamer is namelijk een belangrijke aanwijzing in de richting van zelfmoord. Het kan een bewijs zijn dat het slachtoffer alleen was en niet door anderen om het leven is gebracht. De man die de dood van Bobby het aanzien van een zelfmoord wilde geven, wist dat. Hij zon dus op een middel om de sleutel in de kamer achter te laten, terwijl de deur toch aan de binnenzijde was afgesloten. De sleutel moest bovendien op een aannemelijke plaats zijn, bijvoorbeeld aan de binnenzijde in het slot.
Ik begreep eerst niet hoe hij het had gedaan. Het heeft mij heel wat hoofdbrekens gekost om erachter te komen. Ik heb gezocht naar andere mogelijkheden om de kamer te verlaten, dan via die deur. Ze waren er niet. De deur was de enige toegangsweg. Andere wegen om de kamer in of uit te gaan bestonden er niet. Plotseling herinnerde ik mij een oud trucje. Het was zo simpel dat ik mijzelf verweet dat ik er niet eerder was opgekomen. Het slot op de deur van Bobby was van een eenvoudige constructie. Het was geen cilinderslot. De sleutel had een normale kop met een oog. Wanneer men bij zo’n eenvoudig slot de sleutel draait totdat hij pakt, dus tot aan het moment dat het mechaniek gaat bewegen, staat de kop van de sleutel bijna horizontaal. Wanneer men nu door het oog van de sleutel een stokje steekt, dat als hefboompje dient, en men bevestigt aan het eind van het stokje een stukje touw en leidt dit via de onderkant van de deur naar buiten, dan kan men door eenvoudig aan het touwtje te trekken van buitenaf de deur aan de binnenzijde op slot draaien. Omdat daarna de kop van de sleutel niet meer een horizontale stand inneemt, valt het stokje naar beneden en kan dan met het touwtje onder de kier van de deur door naar buiten worden getrokken. Zo is het ook gegaan met het slot op de deur van Bobby’s kamer. Ik heb onder aan de deur nog het gleufje gevonden, dat door het schuren van het touwtje was veroorzaakt. Je ziet het. Het is maar een weet.’
Ik bracht mijn hand naar de binnenzak van mijn colbert.
‘Men kan,’ zei ik, ‘in plaats van een stokje ook een potlood gebruiken.’
Ik nam het potlood uit mijn binnenzak en legde het op het ronde tafeltje neer.
‘Het is alleen jammer,’ vervolgde ik, ‘dat het oog van de sleutel in het zachte hout van een potlood moeten of indrukken achterlaat, zodat men aan het potlood kan zien dat het voor dat doel is gebruikt.’
Geert stond doodsbleek op. Het glas viel uit zijn handen. ‘Zonde van de cognac,’ zei ik kalm.
Hij staarde mij aan of ik een geestverschijning was.
‘Het is mijn potlood,’ zei hij hees.
Ik knikte.
‘Het is tijd voor een bekentenis.’
In een flitsende beweging griste Geert het potlood van het tafeltje. Zijn ogen hadden een verschrikte uitdrukking en zweetdruppeltjes vulden de rimpels op zijn voorhoofd. Hij streek met de toppen van zijn nerveus trillende vingers langs het hout om te voelen of de indrukken er inderdaad waren. Het leek alsof het potlood in zijn vingers brandde.
‘Voel je het?’ vroeg ik.
Hij knikte haast onmerkbaar.
Ik had medelijden met hem. Hij stond daar zo ontredderd met het potlood in zijn handen dat mij een brok in de keel schoot. Ik kon er niets aan doen. Het gevoel overviel mij. Ik slikte een paar maal, maar dat brok in mijn keel bleef. Ik hield van die jongen. Ik hield van hem om alles wat hij nog bezat aan emotie, gevoel en hart, dat geheel aan menselijk voelen, dat in mij na al die jaren was verkild, maar waarvan ik de waarde weer was gaan beseffen. Ik zag hem nog staan tegenover De Wilde toen wij terugkwamen van ons bezoek aan Van der Kerk. ‘Ik heb nog ergens een hart,’ had hij geschreeuwd en De Wilde had op zijn eigen sarcastische manier geantwoord: ‘Als je zo doorgaat krijg je daar nog last genoeg mee. Ik heb er meer zo gekend. Ze gingen er allemaal aan kapot.’
Ik beet op mijn onderlip. Ik had altijd al een afkeer van De Wilde gehad. Geert zou aan zijn hart niet kapot gaan. Hij zou niet ondergaan aan zijn gevoelens, die toch zuiver menselijk waren. Hij zou niet vermalen worden in de gerechtelijke machine totdat alle gevoel in hem was gedood. En ik zou daarvoor zorgen. Geert stond nog steeds.
‘Ga zitten m’n jong,’ zei ik.
Ik bemerkte dat ik ongewild dezelfde uitdrukking gebruikte, die mijn eigen vader altijd bezigde. Wanneer hij mij vroeger onder handen nam, dan zei hij altijd ‘m’n jong’ en dan wist ik dat hij het goed met mij meende.
Geert ging zitten. Hij scheen zichzelf weer een beetje in bedwang te hebben. Hij keek naar het potlood in zijn handen. Dan, in een traag gebaar, boog hij zich voorover en stak het mij toe. ‘Je zult het nodig hebben,’ zei hij.