Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Dashiva knikte eigenwijs. ‘Ja, nu heeft hij een kans.’ Je zou kunnen denken dat hij zelf de Heling had uitgevoerd.
Tot Flins zichtbare verbazing liep Samitsu om het bed heen en hielp hem opstaan. ‘Jij gaat me vertellen wat je hebt gedaan,’ zei ze en haar koninklijke toon vormde een vreemde tegenstelling met de wijze waarop haar snelle vingers de kraag van de oude man netjes schikten en zijn jaspanden gladstreken. ‘Was er maar een manier dat je het mij kon tónen. Maar je gaat het beschrijven. Dat moet! Ik zal je al het goud geven dat ik bezit. Ik zal je kind dragen, wat je ook wenst, maar je móét me zoveel mogelijk vertellen.’ Ze was er blijkbaar zelf niet helemaal zeker van of ze nu bevelen gaf of smeekte, maar ze leidde een heel verdwaasde Flin naar het venster toe. Meermalen wilde hij wat gaan zeggen, maar zij had het te druk met hem aan de praat te krijgen en merkte het niet.
Min ging op het bed liggen en gaf er niet om wat de anderen ervan zouden denken. Ze legde zich zo neer, dat ze Rhands hoofd onder haar kin had en haar armen om hem heen kon slaan. Een kans. Stiekem nam ze de drie mensen rond het bed op. Cadsuane in haar stoel, Amys tegenover haar, Dashiva die tegen een van de vierkante beddenstijlen aan het voeteneind leunde, alle drie met onleesbare aura’s en beelden die om hen heen dansten. Alle drie met hun ogen strak op Rhand gericht. Ongetwijfeld voorzag Amys een soort ramp voor de Aiel wanneer hij stierf, en voorzag Dashiva – de enige die een sombere, bezorgde frons toonde – rampen voor de Asha’man. En Cadsuane... Cadsuane die niet alleen Bera en Kiruna kende, maar ze ondanks hun eed aan Rhand liet rennen als kleine meisjes. Cadsuane die Rhand niet ‘meer pijn zou doen dan noodzakelijk was’.
Heel even keken Cadsuanes ogen in die van Min en Min rilde. Op de een of andere manier zou ze hem beschermen zolang hij zichzelf niet kon beschermen, tegen Amys, tegen Dashiva en tegen Cadsuane. Hoe dan ook. Onbewust begon ze een slaapliedje te neuriën waarbij ze Rhand zacht wiegde. Hoe dan ook.
37
Een bericht van het paleis
De dag na het Festival van de Vogels stak er een sterke wind op vanuit de Zee der Stormen, die de hitte van Ebo Dar zowaar deed afnemen. Maar een lucht zonder een enkel wolkje en de rood gouden zonneschijf aan de einder beloofden iets, als de wind eenmaal ging liggen. Mart haastte zich het Tarasin-paleis door en had reeds een voorschot genomen door zijn groene mantel helemaal en zijn hemd half open te laten. Hij sprong wel niet meteen bij elk geluid op, maar zijn ogen stonden aanzienlijk meer geschrokken dan hij wilde toegeven, toen een dienstmeisje langsliep met wapperende onderrokken en naar hem glimlachte. Ze glimlachten allemaal, de een na de ander, op een heel bijzondere... veelbetekenende... manier. Met moeite kon hij voorkomen het op een holletje te zetten.
Eindelijk kon hij wat langzamer lopen en bijna op zijn tenen de beschaduwde omloop rond de stallen inglippen. Tussen de gegroefde zuilen van de omloop vormden gelige rietplanten in grote rode aardewerken potten en hangplanten met brede rood gestreepte bladeren in metalen bakken aan kettingen een soort scherm. Onbewust trok hij zijn hoed naar beneden om zijn gezicht te verbergen. Zijn handen gleden over zijn speer, die Birgitte een ashandarei noemde, en speelden gedachteloos met de schacht, alsof hij zich misschien zou moeten verdedigen. De dobbelstenen rammelden luid in zijn hoofd, maar het had niets te maken met zijn onrust. Die kwam door Tylin.
Zes gesloten koetsen met het groene anker en zwaard van Huis Mitsobar op de deuren stonden in een rij voor de hoge buitenpoort. De paarden waren ingespannen en werden bereden door koetsiers in livrei. Aan de overkant zag hij Nalesean in een geel gestreepte mantel gapen, en Vanin ineengezakt op een ton naast de staldeuren zitten. De meeste andere Roodarmen hurkten geduldig op de plavuizen van de binnenplaats. Een paar mannen dobbelden in de schaduw van de hoge, witte stallen. Elayne stond tussen Mart en de koetsen in, net aan de andere kant van het plantenscherm. Reanne Corlie stond naast haar, met zeven andere vrouwen die op die merkwaardige bijeenkomst waren geweest, waar hij gisteravond was binnengevallen. Reanne was de enige die niet de rode riem van een Wijzevrouw droeg. Hij had zo half en half verwacht dat ze deze ochtend niet zouden komen opdagen. Ze hadden het uiterlijk van vrouwen die gewend waren hun eigen leven en dat van anderen te regelen. De meesten hadden minstens enkele grijze lokken, maar keken toch verwachtingsvol naar Elaynes jeugdige gezicht. Het leek of ze bereid waren op haar bevel te springen. Al die vrouwen hielden zijn aandacht maar even vast; er was geen enkele vrouw bij die hem de stuipen op het lijf kon jagen. Door Tylin voelde hij zich zo... hulpeloos. Het enige woord dat juist scheen, hoe belachelijk dat ook leek.
‘We hebben ze niet nodig, vrouw Corlie,’ zei Elayne. De erfdochter zei het als een vrouw die een kind een vriendelijk klopje op haar hoofd geeft, ‘Ik heb hun gezegd hier op onze terugkeer te wachten. Als niemand te herkennen is als Aes Sedai, trekken we minder de aandacht, vooral aan de andere kant van de rivier.’ Haar idee van onopvallende kleding voor een bezoek aan de rauwste wijk was een grote groene hoed met groen geverfde veren, een lichte reismantel van groen linnen met gouden linten op haar rug, en groenzijden rijkleding met een hoge kraag en goudborduursel langs de rok. Het benadrukte heel erg het ovaal van haar halve boezem. Ze droeg zelfs een ketting met een trouwdolk. Zo’n brede band van gevlochten goud zou de handen van elke dief in de Rahad doen jeuken. Behalve een kleine dolk had ze geen ander wapen – niet dat een geleidster een wapen nodig had. Uiteraard droeg iedere vrouw met een rode riem een kromme dolk. Net als Reanne, al was haar riem van gewoon leer.
Reanne zette haar grote blauwe strohoed af, keek er fronsend in, deed hem weer op en bond de linten weer vast. Ze leek echter niet bezorgd over Elaynes toon. Mét de hoed verscheen ook een bedeesd glimlachje en ze vroeg beschroomd: ‘Maar waarom denkt Merilille Sedai dat we liegen, Elayne Sedai?’
‘Ze denken het allemaal,’ zei een van de andere vrouwen fluisterend. Allen droegen Ebodaraanse kleren in rustige kleuren, met een nauwe hals en een rok die aan een kant was opgenomen om de vele onderrokken te tonen. Maar alleen de spreekster – een magere vrouw met meer wit dan zwart in haar lange haren – had de olijfkleurige huid en de donkere ogen van een Ebodaraanse. ‘Sareitha Sedai zei me recht in mijn gezicht dat ik loog over onze aantallen, over...’ Ze zweeg na een frons en een ‘Stil, Tamarla,’ van Reanne. Vrouw Corlie mocht dan bereid zijn om een knix voor een kind te maken als dat kind een Aes Sedai was, ze hield haar gezellinnen behoorlijk onder de duim.
Mart keek nadenkend naar de ramen boven de binnenplaats. Tenminste, naar de ramen die hij kon zien vanaf de plek waar hij stond. Veel waren onzichtbaar door schermen van wit smeedijzer of bewerkelijk gesneden hout. Waarschijnlijk was Tylin niet eens daarboven en zou ze ook niet op de binnenplaats verschijnen. Hij had zich heel behoedzaam aangekleed om haar niet wakker te maken. Bovendien, ze zou hier toch niets proberen? Dat dacht hij tenminste. Maar die vrouw was al te erg. Ze had hem gisteravond in de gang door een handvol kamermeisjes laten oppakken en hem naar haar kamers laten sleuren! Dat vreselijke mens behandelde hem als een stuk speelgoed! Hij had er genoeg van. Genoeg! Licht, wie probeerde hij te belazeren? Als ze die Schaal der Winden niet vonden en uit Ebo Dar verdwenen, zou Tylin hem vannacht weer in zijn bil knijpen en hem haar duifje noemen. ‘Het is jullie leeftijd, Reanne.’ Het klonk niet echt weifelend – dat was Elayne nooit – maar haar toon was heel behoedzaam. ‘Onder Aes Sedai wordt het als zeer onbeleefd beschouwd om over leeftijd te praten, maar... Reanne, sinds het Breken schijnt geen enkele Aes Sedai ooit zo lang geleefd te hebben als jullie van het Naaikransje beweren.’ Dat was de rare naam waarmee deze Kinsvrouwen hun hoogste raad aanduidden. ‘In jouw eigen geval... Dat benaderen ze met nog geen honderd jaar.’ De Wijzevrouwen zuchtten met grote starende ogen. Een slanke vrouw met bruine ogen en lichtblond haar giechelde zenuwachtig en hield onmiddellijk een hand voor haar mond toen Reanne fel uitvieclass="underline" ‘Famelle!’