Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 181 182 183 184 185 186 187 188 189 ... 217
Перейти на страницу:

Darlin aarzelde. Misschien kwam het door Cadsuanes gebiedende toon en misschien door de hand die Caraline naar zijn gezicht uitstrekte, maar opeens stak hij binnensmonds mompelend zijn zwaard weg en hees Rhand over zijn schouder.

Min nam het wapen met het reigermerk op en liet het voorzichtig in de schede aan Rhands zij glijden. ‘Hij zal het nodig hebben,’ zei ze tegen Darlin en even later knikte die. Het was maar goed dat hij dat deed want ze had al haar hoop op de Groene zuster gevestigd en zou niet toestaan dat iemand iets anders dacht.

‘Doe voorzichtig, Darlin,’ zei Caraline met haar hese stem, nadat Cadsuane hun opstelling duidelijk had gemaakt. ‘Blijf achter me, ik zal je beschermen.’

Darlin lachte en lachte tot hij ervan piepte, en grinnikte nog na toen ze verder omhoogklommen in de kille mist en het verre gekrijs. Hij liep met Rhand in het midden en de vrouwen bewogen in een kring rond hem mee.

Min wist dat ze alleen als uitkijk kon dienen, net als Caraline aan de andere kant van Cadsuane. Ze wist dat ze met haar mes geen partij was voor de mistgestalten, maar Padan Fajin kon daarginds nog levend rondlopen. Ditmaal zou ze hem niet missen. Caraline hield eveneens een dolk gereed en te oordelen naar de blikken die ze over haar schouder op Darlin wierp, die struikelend onder Rhands gewicht de helling op kwam, was ook zij van plan de Herrezen Draak te beschermen. Maar misschien was het niet vanwege Rhand. Met zo’n lach kon een vrouw de langste neus vergeten.

Nog steeds vormden zich in de mist gestalten die door vuur stierven en eenmaal scheurde een enorm iets een gillend paard in stukken, voor een Aes Sedai het kon vernietigen. Min werd er behoorlijk misselijk van en schaamde zich daar helemaal niet voor. Er stierven ook mensen, maar die waren hier tenminste uit vrije wil gekomen. De laagste soldaat had naar verkiezing gisteren kunnen weglopen, maar dit paard niet. Gestalten vormden zich en werden vernietigd. Mensen stierven krijsend in de verte, zo leek het, hoewel ze nog steeds struikelend langs opengereten kadavers liepen, die nog maar kortgeleden mensen waren geweest. Min begon zich af te vragen of ze ooit nog daglicht zou zien. Met een plotselinge schok en zonder waarschuwing struikelden ze het daglicht in. Het ene ogenblik waren ze nog omringd door grijs, het volgende stond de zon hoog boven hen aan de blauwe hemel te branden. Het licht was zo fel dat ze haar ogen moest beschutten. Verderop, misschien nog geen vijf span van geheel kale heuvels, rees Cairhien stevig en vierkant boven zijn eigen omwalling uit. Het leek een droombeeld, onecht.

Ze staarde naar de rand van de mist achter haar en huiverde. Het was een rand, een bollende muur die zich tussen de bomen op deze heuvel uitstrekte. Veel te recht, zonder uitlopers of dunne plekken. Hier slechts heldere lucht, daar een dik grijs dek. Rechts voor haar werd iets meer van een boom zichtbaar en ze besefte dat de mist terugkroop, misschien weggebrand door de zon. Maar het ging veel te langzaam om natuurlijk te zijn. De anderen staarden er even doordringend naar, de Aes Sedai niet uitgezonderd.

Twintig pas links van hen kwam opeens een man op handen en voeten uit de mist gekropen. De voorkant van zijn hoofd was geschoren en aan zijn verweerde zwarte borstplaat was te zien dat hij een gewoon soldaat was. Hij blikte wild in het rond en leek hen niet op te merken. Vliegensvlug klauterde hij aan de andere kant van de heuvel omlaag, nog steeds op handen en voeten. Verderop, rechts van hen, verschenen twee mannen en een vrouw, hard hollend. Ze had gekleurde banden op haar kleding, maar het aantal was moeilijk te schatten omdat ze haar rok zo hoog mogelijk had opgetrokken om harder te kunnen hollen; ze hield de mannen pas voor pas bij. Geen van hen keek links of rechts; ze stortten zich van de helling af, vallend, rollend en weer overeind krabbelend om verder te hollen.

Caraline bekeek even het dunne lemmet van haar wapen en stak het met een ruk in de schede. ‘Ziedaar de teloorgang van mijn leger,’ zuchtte ze.

Darlin, nog steeds met de bewusteloze Rhand over een schouder, keek haar aan. ‘Er is een leger in Tyr, op jouw afroep.’

Ze wierp een blik op Rhand, die als een zak over zijn schouder hing. ‘Misschien,’ zei ze. Darlin draaide met een bezorgde frons zijn hoofd naar Rhands gezicht.

Cadsuane was volkomen nuchter en zakelijk. ‘De weg is die kant op,’ zei ze, naar het westen wijzend. ‘Dat gaat sneller dan dwars door de velden. Een gemakkelijke wandeling.’

Min zou het niet echt gemakkelijk hebben genoemd. De lucht leek tweemaal zo dik na de kou van de mist. Het zweet gutste van haar af en leek haar krachten weg te spoelen. Haar benen trilden. Ze struikelde over uitstekende wortels en viel plat op haar gezicht. Ze struikelde over rotsen en ging onderuit. Ze struikelde over haar eigen hoge hakken en viel weer. Eenmaal vonden haar voeten geen houvast en gleed ze op haar zitvlak met zwaaiende armen zo’n veertig pas een helling af, tot ze een jonge twijg kon grijpen. Caraline ging even vaak onderuit, misschien wel vaker. Een gewaad, zelfs een rijrok, was niet voor dit soort uitstapjes gemaakt. Het duurde niet lang – na een tuimeling die haar omlaag had laten rollen, waarna de rok zowat om haar middel zat – of ze vroeg Min om de naam van de naaister die haar jas en broek had gemaakt. Darlin viel niet. Hij struikelde wel, verstapte zich en gleed even vaak half weg als zij, maar telkens wanneer hij dreigde te vallen, leek iets hem vast te grijpen en hem zijn evenwicht terug te geven. Aanvankelijk keek hij woest naar de Aes Sedai, van top tot teen de trotse Tyreense heer die Rhand zonder hulp wel even naar Cairhien zou dragen. Cadsuane en de anderen deden of ze het niet zagen. Zij vielen geen enkele keer. Ze liepen gewoon en babbelden wat onder elkaar en vingen Darlin al op voor hij zelf iets kon doen. Tegen de tijd dat ze de weg bereikten, zag hij er zowel gejaagd als dankbaar uit.

Cadsuane stond midden op de brede weg van hard aangereden zand in het zicht van de rivier. Ze stak een hand op om het eerste het beste vervoermiddel aan te houden. Het was een rammelende kar, getrokken door twee door motten aangevreten muilezels. De menner, een magere boer in een verstelde jas, hield de teugels monter in. Wie zou die tandeloze kerel denken dat hij had ontmoet? Drie leeftijdloze Aes Sedai, met deftige stola’s die een tel geleden uit een koets hadden kunnen komen. Een bezwete en smerige Cairhiense vrouwe van hoge rang, aan de banden op haar kleding te zien, of misschien een bedelares die zich had gekleed in de afdankertjes van een vrouwe, gezien haar vervuilde staat. Een heer met een spits baardje, duidelijk uit Tyr, die het zweet van de neus droop en die een andere man over de schouder had, alsof het een zak graan was. En dan zijzelf nog. Met gaten in haar knieën en een scheur in haar zitvlak, het Licht zij dank onder haar jas, en een jasmouw die alleen nog aan wat draadjes vastzat. En met meer vlekken en stof dan ze kon en wilde bedenken.

Ze verspilde geen tijd, trok een mes uit haar mouw, wat de laatste draden bijna deed knappen, en liet het zwierig draaien zoals Thom Merrilin haar had bijgebracht. Het lemmet flitste in de zon. ‘We willen meerijden naar het Zonnepaleis,’ verkondigde ze en Rhand zelf had het niet beter kunnen doen. Er waren tijden dat hoogmoed getwist voorkwam.

‘Kind,’ zei Cadsuane spottend, ‘Ik ben er zeker van dat Kiruna en haar vriendinnen alles wat in hun vermogen ligt zullen doen, maar er is geen Gele zuster onder hen. Samitsu en Corele zijn werkelijk de twee besten sinds eeuwen. Vrouwe Arilyn is zo vriendelijk geweest ons haar paleis in de stad te lenen, dus brengen we hem naar...’

‘Nee.’ Min had geen idee waar ze de moed vond om dat woord tegen deze vrouw te gebruiken. Maar... ze hadden het wel over Rhand. ‘Als hij bijkomt...’ Ze stopte om te slikken; hij zou wakker worden. ‘Als hij bijkomt op een vreemde plek en opnieuw omringd wordt door onbekende Aes Sedai, kan ik me niet eens voorstellen wat hij gaat doen. En jullie willen het je niet eens voorstellen.’ Ze moest heel lang een koele blik doorstaan, waarna de Aes Sedai knikte.

1 ... 181 182 183 184 185 186 187 188 189 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)