Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Belangwekkend,’ stelde Cadsuane na hun vertrek. Haar donkere ogen keken hard in de blauwe van Amys en het leek Cadsuane aan te staan wat ze daarin zag. Ze glimlachte in elk geval, ‘Ik zou die Sorilea graag eens ontmoeten. Is ze een sterke vrouw?’ Ze leek het woord ‘sterk’ te benadrukken.
‘De sterkste die ik ooit heb gekend,’ zei Amys eenvoudig. Kalm. Niemand zou ooit hebben gedacht dat Rhand vlak voor haar bewusteloos op bed lag. ‘Ik weet niets van jullie Heling, Aes Sedai. Ik vertrouw erop dat jullie hebben gedaan wat gedaan kan worden.’ Haar stem klonk vlak; Min betwijfelde of Amys wel alles vertrouwde.
‘Wat gedaan kan worden, is gedaan,’ verzuchtte Cadsuane. ‘We kunnen nu alleen maar wachten.’
‘Op zijn sterven?’ zei een harde mannenstem en Min sprong op. Dashiva beende de kamer in, zijn alledaagse gezicht stond afkeurend. ‘Flin!’ snauwde hij.
Niandes boek plofte uit haar trillende vingers. Ze staarde naar de drie mannen in het zwart, zoals ze naar de Duistere zelf zou hebben gekeken. Met een bleek gezicht mompelde Samitsu iets wat klonk als een smeekbede aan het Licht.
Op Dashiva’s bevel snelde de grijze Asha’man hinkend naar het bed, aan de andere kant van Cadsuane. Ongeveer een voet boven het laken liet hij zijn handen over Rhands hele lichaam glijden. De jonge Narishma stond fronsend bij de deur en voelde aan het gevest van zijn zwaard, terwijl zijn grote zwarte ogen trachtten alle Aes Sedai tegelijk in de gaten te houden. De Aes Sedai én Amys. Hij leek niet bang, enkel een man die vol zelfvertrouwen afwachtte of deze vrouwen zich vijandig zouden tonen. In tegenstelling tot de Aes Sedai negeerde Amys de Asha’man, behalve Flin. Haar ogen volgden hem en haar gladde gezicht liet niets blijken. Haar duim gleed echter op een zeer beeldende manier over de greep van haar mes.
‘Wat doe je?’ wilde Samitsu weten terwijl ze van haar stoel sprong. Al was ze nog zo verontrust door de Asha’man, de zorg voor haar bewusteloze zieke won het. ‘Ik heb het tegen jou, Flin, of wie je ook bent.’ Ze liep op het bed af, maar Narishma schoot naar voren en hield haar tegen. Fronsend probeerde ze om hem heen te stappen en hij legde een hand op haar arm.
‘Weer een ongemanierde knul,’ mompelde Cadsuane. Zij was de enige van de drie zusters die geen schrik toonde bij het zien van de Asha’man. Integendeel, over haar tegen elkaar geplaatste vingertoppen heen bekeek ze hen aandachtig.
Narishma werd rood door haar opmerking en trok zijn hand weg, maar toen Samitsu opnieuw trachtte langs hem heen te stappen, ging hij opnieuw voor haar staan.
Ze stelde zich tevreden met langs zijn schouder te gluren. ‘Flin, jij! Wat doe je? Ik sta niet toe dat je onwetendheid hem de dood in jaagt! Hoor je me?’ Min wipte van haar ene voet op de andere. Ze dacht niet dat een Asha’man Rhand zou doden, niet opzettelijjk, maar... Hij vertrouwde hen, maar... Licht! Zelfs Amys leek onzeker, ze keek fronsend van Flin naar Rhand en weer terug.
Flin trok het laken tot Rhands middel omlaag en maakte de wond zichtbaar. De snee zag er niet veel beter uit dan ze zich herinnerde, een gapende, kwaadaardige, bloedeloze wond die over een rond litteken sneed. Rhand leek te slapen.
‘Hij kan Rhand niet slechter maken dan hij is,’ zei Min. Niemand besteedde er enige aandacht aan.
Dashiva liet een kelig geluid horen en Flin keek hem aan. ‘Zei je iets, Asha’man?’
‘Ik heb geen Talent voor Heling,’ zei Dashiva met een wrange grimas.
‘Jij bent degene die mijn idee overnam en het leerde.’
‘Welk idee?’ wilde Samitsu weten, ‘Ik sta erop dat je...’
‘Hou je stil, Samitsu,’ zei Cadsuane. Ze leek de enige in het vertrek die kalm was. Behalve Amys dan, en de manier waarop de Wijze over haar messchede streek, maakte dat Min daar niet echt zeker van was. ‘Ik denk dat die jongen schaden het laatste is wat hij wil.’
‘Maar, Cadsuane,’ drong Niande nadrukkelijk aan, ‘die man is...’
‘Ik zei: stil!’ kapte de grijze Aes Sedai haar af.
‘Ik verzeker je,’ zei Dashiva, die erin slaagde het zowel vettig als grof te laten klinken, ‘dat Flin weet wat hij doet. Hij kan dingen waarvan een Aes Sedai nog niet eens droomt.’ Samitsu snoof. Luid. Cadsuane knikte slechts en maakte het zich in haar stoel gemakkelijk. Flin liep met zijn vinger de gezwollen jaap in Rhands zij en het oude litteken na. Dat leek wel kwetsbaarder. ‘Deze zijn hetzelfde, maar anders, alsof er twee soorten besmetting aan het werk zijn. Alleen, dit is geen besmetting. Het is... duisternis. Ik kan er geen beter woord voor vinden.’ Hij trok zijn schouders op, bekeek de stola met de gele franje van Samitsu, alsof die hem boos aankeek, maar ze nam hem eigenlijk gewoon nadenkend op.
‘Maak voort, Flin,’ mopperde Dashiva. ‘Als hij sterft...’ Hij had zijn neus opgetrokken alsof hij iets smerigs rook, maar leek niet in staat zijn ogen van Rhand af te wenden. Zijn lippen bewogen alsof hij in zichzelf praatte en eenmaal maakte hij een geluid, half een snik, half een bittere lach, zonder dat er een spiertje in zijn gezicht bewoog. Flin haalde diep adem en keek de kamer rond, naar de Asha’man, de Aes Sedai en naar Amys. Bij het zien van Min, schrok hij en zijn verweerde gezicht werd rood. Haastig trok hij het laken op, zodat Rhand tot aan zijn kin bedekt was, waarna alleen de oude en de nieuwe wond zichtbaar waren.
‘Ik hoop dat niemand het erg vindt als ik erbij praat,’ zei hij, en hij begon zijn harde vereelte handen boven Rhand te bewegen. ‘Praten lijkt een pietsje te helpen.’ Hij kneep zijn ogen half toe, strak op de wonden gericht, en zijn vingers bewogen langzaam. Zo’n beetje alsof hij draden weefde, besefte Min. Zijn stem klonk bijna verstrooid, alsof slechts een deel van hem de woorden bedacht. ‘Je zou kunnen zeggen dat ik door Heling besloot naar de Zwarte Toren te gaan. Ik was gardist, tot ik een lans in m’n zij kreeg. Daarna voelde ik me niet meer zo lekker in het zadel, kon niet eens lang achter elkaar lopen. Dat was de vijftiende wond die ik opliep in de bijna veertig jaar dat ik in de Koninginnengarde diende. Vijftien die echt tellen, bedoel ik. Als je na zoiets kunt lopen of rijden, telt het niet. In die veertig jaar heb ik een hoop vrienden zien sterven. Dus ben ik gegaan en de M’Hael heeft me leren helen. En andere dingen. Een ruw soort Heling. Ik ben een keer door een Aes Sedai geheeld – zal alweer zo’n dertig jaar terug zijn -en dit doet pijn, als je het daarmee vergelijkt. Maar het werkt evengoed. Op een goeie dag zei Dashiva – neem me niet kwalijk – zei Asha’man Dashiva dar hij zich afvroeg waarom het allemaal hetzelfde was, of een man nou zijn been had gebroken of kou had gevat. We raakten aan de praat en... Nou ja, hij heeft er het gevoel niet voor, ik wel. Blijkbaar heb ik er een knobbel voor, zou je kunnen zeggen. Het Talent. Nou, toen ging ik zo eens denken. Wat zou er...? Zo. Dat is het beste dat ik kan doen.’
Dashiva gromde, terwijl Flin opeens op zijn hielen ging zitten en met de rug van zijn hand zijn voorhoofd afveegde. Het zweet parelde op zijn gezicht en dat was de eerste keer dat Min zoiets bij een Asha’man zag. De snee in Rhands zij was niet weg, maar leek een beetje kleiner, wat minder rood en kwaadaardig. Hij sliep nog, maar zijn gezicht was niet meer zo wit.
Samitsu schoot zo snel langs Narishma heen dat hij niet de kans kreeg ertussen te gaan staan. ‘Wat heb je gedaan?’ wilde ze weten, en ze legde haar vingers op Rhands voorhoofd. Ze vond blijkbaar iets met de Ene Kracht, want haar wenkbrauwen rezen tot halverwege haar voorhoofd en haar stem klonk niet meer gebiedend maar ongelovig. ‘Wat heb je gedaan?’
Flin trok bedroefd zijn schouders op. ‘Niet zoveel. Ik kon dat verkeerde eigenlijk niet raken. Ik heb ze zo’n beetje verzegeld, voor een tijdje tenminste. Het houdt geen stand. Ze bevechten elkaar nu. Wellicht zullen ze elkaar doden, waarna hij zichzelf geneest van wat overblijft.’ Zuchtend schudde hij het hoofd. ‘Maar ik kan niet stellen dat het hém niet zal doden. Toch denk ik dat hij nu meer kans heeft dan eerst.’