Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Hij hief zijn hand nog voor Cadsuane zich kon bewegen en een staaf van iets als... vloeibaar wit vuur, helderder dan de zon... schoot over het hoofd van de hollende vrouw heen. Het wezen verdween gewoon. Heel even was de lucht waar het zich had bevonden, helder, evenals de baan die de staaf had uitgebrand, tot de mist zich weer begon te sluiten. Het duurde kort, terwijl de vrouw ter plekke verstijfde. Uit alle macht krijsend draaide ze zich vervolgens om en rende van hen weg, nog steeds hellingafwaarts, vluchtend voor wat ze meer vreesde dan deze nachtmerries in de mist.
‘Jij!’ brulde Toram zo luid dat Min zich pijlsnel omdraaide met haar messen in de aanslag. Hij stond met zijn zwaard naar Rhand te wijzen. ‘Jij bent het! Ik had gelijk! Dit komt door jou! Mij zul je niet in de val laten lopen, Altor!’ Opeens liep hij schuin van hen weg en klauterde wild de helling op. ‘Mij krijg je niet te pakken.’
‘Kom terug,’ riep Darlin hem na. ‘We moeten bijeen blijven. We moeten...’ Zijn stem verstierf en hij staarde naar Rhand. ‘Je bént hem. Het Licht brande me, je bent hem.’ Hij bewoog zich half en half alsof hij zich tussen Rhand en Caraline wilde plaatsen, maar vluchtte gelukkig niet weg.
Kalm stapte Cadsuane over de helling naar Rhand toe. En gaf hem zo’n harde klap in zijn gezicht dat zijn hoofd opzijschoot. Min snakte geschokt naar adem. ‘Dat doe je niet meer,’ zei Cadsuane. Ze klonk niet opgewonden, ze klonk als staal. ‘Hoor je me? Geen lotsvuur. Nu niet, nooit!’
Tot Mins verbazing wreef Rhand enkel over zijn wang. ‘Je had ongelijk, Cadsuane. Hij is echt. Ik weet het zeker. Ik weet dat hij het is.’ Nog verrassender was dat hij klonk alsof hij graag wilde dat ze hem zou geloven.
Mins hart ging naar hem uit. Hij had verteld dat hij stemmen hoorde, dat moest hij bedoelen. Ze wilde hem aanraken en vergat dat ze een mes vasthield. Ze wilde reeds iets bij wijze van troost laten horen. Hoewel ze er eigenlijk niet helemaal zeker van was of ze dat woord ooit nog onschuldig kon gebruiken. Ze deed haar mond open en Padan Fajin leek uit de mist achter Rhand naar voren te springen; het staal glansde in zijn vuist.
‘Achter je!’ gilde Min en ze wees met het mes in haar uitgestrekte rechterhand, terwijl de linker het tweede mes wierp. Alles leek tegelijk te gebeuren, half zichtbaar in de winterse mist.
Rhand wilde zich omdraaien, schoot opzij en Fajin schoot eveneens opzij, om op hem af te springen. Door die beweging miste haar mes, maar Fajins dolk jaapte in Rhands linkerzij. Het leek amper Rhands jas open te snijden, maar hij gilde. Hij gilde en het geluid maakte dat zich een klem om Mins hart leek te sluiten. Hij drukte een hand op zijn zij en viel tegen Cadsuane aan, waarbij hij haar vastgreep om zich staande te houden, zodat hij beiden omlaag trok.
‘Opzij!’ riep een van de andere zusters. Samitsu, vermoedde Min, en opeens werd ze omvergestoten. Ze sloeg met een klap tegen de grond en kreunde toen ze op de helling plofte, tegelijk met Caraline die hijgend snauwde: ‘Bloedvuur!’
Alles tegelijk.
‘Opzij!’ riep Samitsu opnieuw, terwijl Darlin met zijn zwaard op Fajin afschoot. De botmagere man bewoog zich wederom met schrikwekkende snelheid, liet zich vallen en rolde buiten het bereik van Darlins zwaard. Vreemd genoeg lachte hij kakelend, terwijl hij zich opwerkte, wegrende en bijna meteen door het sombere duister werd opgenomen.
Min duwde zich bevend overeind.
Caraline was krachtdadiger. ‘Laat het goed duidelijk zijn, Aes Sedai,’ zei ze met kille stem, haar rok ferm afkloppend, ‘dat ik zó niet behandeld wens te worden. Ik ben Caraline Damodred, Hoogzetel van Huis...’
Min luisterde niet meer. Cadsuane zat wat hoger op de helling met Rhands hoofd in haar schoot. Het was maar een snee geweest. Fajins dolk heeft hem amper geraakt... Met een schreeuw wierp Min zich op Rhand. Aes Sedai of niet, ze duwde de vrouw bij Rhand weg en nam zijn hoofd in haar armen. Zijn ogen waren gesloten en hij ademde rauw en haperend. Zijn gezicht voelde bloedheet aan.
‘Help hem,’ krijste ze Cadsuane toe als een echo van het verre geschreeuw in de mist. ‘Help hem.’ Een deel van haar zei dat zoiets een domme indruk maakte, nadat ze haar eerst had weggeduwd, maar zijn gezicht leek haar handen te verbranden en elk gezond verstand erbij. ‘Samitsu! Snel!’ zei Cadsuane, opstaand en haar stola schikkend. ‘Dit gaat mijn Talent van Heling te boven.’ Ze legde een hand op Mins hoofd. ‘Meisje, zou ik die jongen laten doodgaan voor ik hem manieren heb bijgebracht? Hou op met dat gehuil.’
Het was heel vreemd. Min was er zeker van dat de vrouw niets met de Ene Kracht had gedaan, maar ze geloofde het. Hem manieren bijbrengen? Dat zou me een gebakkelei opleveren. Ze trok haar armen van zijn hoofd, maar met grote aarzeling. Op haar knieën schoof ze achteruit. Heel vreemd. Ze had niet eens beseft dat ze zat te huilen, maar Cadsuanes geruststelling was afdoende om haar tranenvloed te stuiten. Nasnikkend wreef ze over haar wangen, terwijl Samitsu naast Rhand knielde en haar vingertoppen op zijn voorhoofd plaatste. Min vroeg zich af waarom ze niet beide handen om zijn hoofd legde, zoals Moiraine altijd had gedaan.
Opeens verkrampte Rhand, stootte zijn adem uit en kronkelde zo heftig dat een rondzwaaiende arm de Gele zuster achterover sloeg. Zodra haar vingers hem niet meer raakten, bedaarde hij. Min kroop dichterbij. Hij ademde wat gemakkelijker, maar zijn ogen waren nog steeds gesloten. Ze raakte zijn wang aan. Koeler dan net, maar nog steeds warm. En lijkbleek.
‘Er is iets verkeerd,’ zei Samitsu wrevelig, terwijl ze rechtop ging zitten. Ze trok Rhands jas open, greep de scheur in zijn met bloed bevlekte hemd en trok een groot gat in het linnen.
De snee van Fajins dolk, niet langer dan haar hand en niet zo diep, liep recht over het oude ronde litteken. Zelfs in deze schemer kon Min zien dat de randen van de snee er gezwollen en kwaadaardig uitzagen, alsof de wond al dagen onverzorgd was geweest. Het bloedde niet meer, maar de wond had verdwenen moeten zijn. Dat deed een Heling: wonden groeiden dicht terwijl je toekeek.
‘Dit lijkt een zweer,’ zei Samitsu op belerende toon, eventjes het litteken aanrakend, ‘die niet vol etter zit, maar vol kwaad. En dit’ – ze streek met haar vinger langs de snee – ‘lijkt vol van een ander kwaad.’ Opeens keek ze fronsend op naar de Groene zuster die over haar heen gebogen stond en haar stem klonk knorrig en verdedigend. ‘Als ik de woorden had, Cadsuane, zou ik ze gebruiken. Ik heb nog nooit iets dergelijks gezien. Nooit. Maar dit kan ik je wel zeggen: als ik een tel had gewacht, als jij niet al meteen wat had gedaan, zou hij nu dood zijn. Zoals...’ Zuchtend leek de Gele zuster in elkaar te zakken, haar gezicht verslapte. ‘Zoals het er nu voorstaat, geloof ik dat hij zal sterven.’
Min schudde haar hoofd, probeerde het te ontkennen, maar leek haar tong niet te kunnen bewegen. Ze hoorde Caraline smekend iets prevelen. De vrouw had een van Darlins jaspanden met beide handen vastgegrepen. Darlin zelf keek fronsend op Rhand neer alsof hij trachtte te begrijpen wat hij voor zijn ogen zag gebeuren.
Cadsuane bukte zich voor een klopje op Samitsu’s schouder. ‘Van alle levende zusters ben je de beste, misschien wel de beste die er ooit geweest is,’ zei ze kalm. ‘Niemand kan zo goed Helen als jij.’ Samitsu knikte, stond op, en voor ze stond, was ze weer volkomen Aes Sedai, waardig en beheerst. Cadsuane keek grimmig neer op Rhand, zij was nog niet zover. ‘Poe! Ik laat niet toe dat je in mijn handen sterft, jongen,’ gromde ze. Het klonk of het zijn schuld was. Ditmaal gaf ze Min geen zacht tikje op het hoofd, maar klopte er met haar knokkels op. ‘Ga staan, meisje. Je bent geen zak meel, dat kan een dwaas nog zien, dus doe niet alsof. Darlin, jij draagt hem. Verbinden moet wachten. Deze mist zal niet van ons wegdrijven, dus kunnen wij er beter uit weggaan.’