Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Met haar vuisten en ellebogen baande Min zich een weg naar Rhand; ze gebruikte zijn zwaard als knuppel.
‘Ben je in orde?’ vroeg ze, hem overeind trekkend. Ze zag verbaasd dat Caraline aan zijn andere zij hem eveneens omhooghielp. Caraline keek trouwens ook verbaasd.
Hij haalde zijn hand onder zijn jas vandaan; op zijn vingers zat gelukkig geen bloed. Het half geheelde, kwetsbare litteken was niet opengebarsten. ‘Ik denk dat we maar beter kunnen gaan,’ zei hij, zijn zwaardgordel aanpakkend. ‘We moeten hier weg zien te komen.’ De omgekeerde schaal lucht was merkbaar kleiner geworden. Bijna alle anderen waren gevlucht. Buiten in de mist rees gegil op; het meeste werd abrupt afgesneden, maar telkens volgde weer nieuw geschreeuw, ‘Ik ben het ermee eens, Thomas,’ zei Darlin. Met het zwaard in de hand plaatste hij zichzelf met zijn rug naar Caraline toe, tussen haar en de mist. ‘De vraag is: in welke richting? Maar ook: hoe ver moeten we gaan?’
‘Dit komt van hem af!’ spoog Toram. ‘Van Altor.’ Hij gooide zijn oefenzwaard opzij en schreed naar zijn opzij gelegde mantel en trok die kalm aan. Wat hij verder ook mocht zijn, een lafaard zeker niet. ‘Jeraal?’ schreeuwde hij de mist toe, terwijl hij zijn zwaardriem omgespte. ‘Jeraal! Bloedvuur man, het Licht hale je, waar ben je? Jeraal!’ Mordeth of Fajin antwoordde niet en hij ging door met roepen.
De enige andere mensen waren Cadsuane en haar twee zusters. Hun gezichten stonden kalm, maar hun handen streken zenuwachtig over hun stola’s. Cadsuane zelf wekte de indruk dat ze aanstalten maakte een ommetje te maken, ‘Ik zou zo denken, naar het noorden,’ zei ze. ‘De dichtstbijzijnde helling ligt die kant op en een klim kan ons boven dat daar uitbrengen. Hou op met dat krolse gejank, Toram. Of je man is dood, of hij kan je niet horen.’ Toram keek haar woest aan, maar hield wel op met schreeuwen. Cadsuane leek het niet te merken, of gaf er niet om, zolang hij maar stil was. ‘Naar het noorden dus. Wij drieën zullen alles afhandelen wat jullie staal niet aan kan.’ Ze keek Rhand bij die woorden recht aan en hij knikte heel even, voor hij zijn zwaardgordel omgespte en zijn zwaard trok. Min probeerde niet stomverbaasd te kijken toen ze een blik met Caraline wisselde. De ogen van de andere vrouw leken zo groot als kopjes. De Aes Sedai wist wie hij was en zij ging ervoor zorgen dat niemand anders het te weten kwam. ‘Ik wou dat we onze zwaardhanden niet in de stad hadden gelaten,’ zei de slanke Gele zuster. Kleine zilveren belletjes in het donkere haar klingelden door haar hoofdschudden. Ze zag er bijna even bazig uit als Cadsuane, zozeer dat je aanvankelijk niet besefte hoe knap ze was, hoewel haar ruk met het hoofd een tikkeltje... nou ja... pruilerig aandeed. ‘Ik wou dat Roshan hier was.’
‘Een cirkel, Cadsuane?’ vroeg de Grijze. Haar hoofd draaide alle kanten uit om naar de mist te kijken. Ze zag eruit als een gezette lichtblonde mus met haar scherpe neus en onderzoekende ogen. Geen bang musje, maar wel een die klaarstond op te vliegen. ‘Dienen we niet te koppelen?’
‘Nee, Niande,’ zuchtte Cadsuane. ‘Als je iets ziet, moet je meteen toeslaan en niet wachten om het mij te wijzen. Samitsu, hou op met die drukte over Roshan. We beschikken hier over drie goede zwaarden en ik zie dat twee ervan het reigerteken dragen. Dat is voldoende.’
Toram liet zijn tanden zien bij het opmerken van de reiger op het wapen dat Rhand had getrokken. Als het een glimlach was, zat er niets vrolijks in. Zijn eigen wapen vertoonde ook een reiger. Dat van Darlin niet, maar hij nam Rhand en zijn zwaard schattend op, waarna hij hem eerde door zijn hoofd aanmerkelijk dieper te neigen dan bij zijn kennismaking met Thomas Trakand van de lagere tak van het Huis.
De grijsharige Groene nam duidelijk de leiding op zich en behield die, ondanks de pogingen van Darlin, die als menige Tyrener niet veel van Aes Sedai moest hebben, en ondanks Toram, die iedereen verafschuwde die bevelen gaf als hij dat zelf niet deed. Eigenlijk ergerde Caraline zich ook, maar Cadsuane negeerde haar frons even volkomen als de hardop geuite klachten van de mannen. In tegenstelling tot de mannen leek Caraline te beseffen dat klagen niet hielp. Wonder boven wonder liet Rhand zich mak zijn plaats wijzen, rechts van Cadsuane. Nou ja, niet zo mak, want hij keek haar hooghartig langs zijn neus aan. Min zou hem een mep hebben gegeven als hij haar dat geflikt had. Cadsuane schudde enkel haar hoofd en mompelde iets wat hem rood deed aanlopen, maar gelukkig hield hij zijn mond gewoon dicht. Op dat ogenblik dacht Min bijna dat hij zou verkondigen wie hij was. En er misschien op rekende dat de mist uit angst voor de Herrezen Draak zou verdwijnen. Hij schonk haar een glimlach alsof een mist in dit weer niets te betekenen had, zelfs een mist die tenten en mensen opslokte. Toen ze waren opgesteld in de vorm van een zespuntige ster, liepen ze de dikke mist in. Cadsuane ging voorop, met de twee andere Aes Sedai op de punten naast haar en de mannen met de zwaarden op de drie andere punten. Toram schold natuurlijk luid op zijn plaatsje achteraan, tot Cadsuane een opmerking maakte over eervolle wacht in de achterhoede zijn. Dat kalmeerde hem. Min had geen enkel bezwaar tegen haar plekje met Caraline in het midden van de ster. In beide handen had ze een mes, maar ze vroeg zich af of dat enig nut had. Ze zag opgelucht hoe de dolk in Caralines vuist trilde. Haar eigen handen waren tenminste vast. Aan de andere kant was zij wellicht te bang om te beven.
De mist was koud alsof het winter was. De grijze nevel omsloot hen in zulke dikke wervelingen dat de anderen moeilijk te zien waren. Horen ging echter al te goed. Gekrijs dreef hol door de sombere schemer, luid schreeuwende mensen en gillende paarden. De mist leek geluiden dood te drukken; ze was dankbaar dat de afschuwelijke kreten veraf leken. De nevel voor hen werd dikker, maar meteen schoten vuurbollen uit Cadsuanes handen die door het ijzige grijs sisten. De dikkere flarden ontploften in loeiend opflakkerende vlammen. Gebrul achter hen en lichtflitsen in de mist als bliksems tegen de wolken maakten duidelijk dat de andere twee zusters ook druk bezig waren.
Min had niet de behoefte om te kijken. Wat ze voor zich zag was al erg genoeg. Ze bewogen zich langs tenten die door de grijze nevel half zichtbaar waren, langs lijken en soms delen van lijken die veel te zichtbaar waren. Een been. Een arm. Een man zonder onderlijf. Eenmaal een grijzend vrouwenhoofd op de rand van een omgegooide wagen. Het land liep omhoog en werd steiler. Voor het eerst zag Min behalve hun groepje nog een overlevende; ze had het liever niet gezien.
Een man in zo’n rode mantel wankelde naar hen toe, met een zwak zwaaiende arm. De andere arm was verdwenen en de helft van zijn gezicht eveneens, zodat vochtig wit bot blootlag. Iets wat woorden hadden kunnen zijn, borrelde tussen zijn tanden door, en hij stortte ter aarde. Samitsu knielde even naast hem neer, legde haar vingers op de bebloede resten van zijn voorhoofd. Toen ze overeind kwam, schudde ze haar hoofd en ze liepen door, de helling op en verder omhoog, tot Min zich begon af te vragen of ze een berg of een heuvel beklommen.
Vlak voor Darlin begon de mist opeens tot een gestalte te stollen, een manshoge vorm die geheel uit tentakels en wijd open muilen met scherpe tanden bestond. De Hoogheer mocht dan geen zwaardmeester zijn, hij was zeker niet traag. Zijn wapen kliefde dwars door de zich nog vormende gestalte heen, maakte een lus en hakte hem doormidden. Vier mistwolken, dikker dan de omringende nevel, zakten naar de grond. ‘Zo,’ zei hij, ‘nu weten we tenminste dat staal deze... schepsels kan neerslaan.’
De dikkere klonten vloeiden samen en het wezen begon zich opnieuw op te richten.
Cadsuane strekte een hand en druppels vuur schoten uit haar vingers, een felle vlam zengde de dikker wordende mist uit zijn bestaan. ‘Maar niet meer dan een neerslaan, blijkbaar,’ mompelde ze.
Rechts voor hen verscheen in het wervelende grijs opeens een vrouw die haar zijden rok hoog ophield, terwijl ze half rennend, half vallend de heuvel af kwam, op hen af. ‘Het Licht zij dank,’ gilde ze. ‘Het Licht zij dank! Ik dacht dat ik alleen was.’ Vlak achter haar trok de mist zich samen, een nachtmerrie van tanden en klauwen die hoog boven haar uittorende. Als het een man was geweest, zou Rhand volgens Min zeker hebben gewacht.