Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Caraline wierp een blik over haar schouder naar de beul die zich met een ruk omdraaide. ‘Dat wil ik van Daved Hanlon best aannemen.’ zei ze wrang. ‘Zijn Witte Leeuwen vochten om het goud, niet om Cairhien, en ze plunderen nog erger dan de Aiel. Andor werd ze blijkbaar te heet onder de voeten.’ Dat laatste met een opgetrokken wenkbrauw naar Rhand. ‘Toram heeft hem vermoedelijk een groot deel van het goud aangeboden, en zeker landgoederen.’ Ze sloeg haar ogen op naar Min. ‘Ken je die man, Flatona?’
Min kon slechts haar hoofd schudden. Hoe kon ze haar nieuwe kennis over Hanlon nu uitleggen en zeggen dat zijn handen rood zouden zijn van nog meer aanrandingen en moorden voor hij stierf? Als ze had geweten wanneer en wie... Ze wist echter alleen dat hij het zou doen. In elk geval liep een beeld waarover ze vertelde nooit anders af. Wat ze zag gebeurde, hoe vaak of dringend ze ook waarschuwde. Soms was het zelfs gebeurd dóór haar waarschuwing, voordat ze wijzer was geworden.
‘Ik heb van de Rode Leeuwen gehoord,’ zei Rhand kil. ‘Zoek onder hen naar Duistervrienden en je zult niet teleurgesteld worden.’ Ze hadden een deel van Gaebrils strijdmacht gevormd. Dat wist Min in elk geval en weinig meer, behalve dat heer Gaebril in werkelijkheid Rahvin was geweest. Het kon haast niet anders of onder de dienaren van een Verzaker zouden veel Duistervrienden te vinden zijn. ‘Hoe staat het met hem?’ Rhand knikte naar een man verderop in de tent, wiens lange donkere mantel evenveel banden vertoonde als Caralines gewaad. Hij was heel lang voor een Cairhiener, misschien amper een hoofd kleiner dan Rhand, met een forse kaaklijn en iets van grijs bij zijn slapen. Om de een of andere reden werden Mins ogen naar de man naast hem getrokken, een mager kereltje met een grote neus en flaporen, gekleed in een roodzijden mantel die hem slecht paste. Hij voelde telkens aan een kromme dolk aan zijn riem, een prachtig stuk in een gouden schede en met boven op het heft een grote rode steen die het licht duister leek te binden. Ze zag geen aura’s om hem heen. Hij kwam haar vaag bekend voor. Ze keken beiden naar haar en Rhand.
‘Dat is heer Toram Riatin zelf,’ verzuchtte Caraline met gespannen stem. ‘En zijn eeuwige gezel van de laatste dagen, meester Jeraal Mordeth. Een verfoeilijk mannetje. Zijn ogen zorgen dat ik meteen erna in bad wil. Beiden bezorgen me een smerig gevoel.’ Ze stond te kijken van haar eigen woorden, maar herstelde zich snel. Min had het gevoel dat er maar weinig was dat Caraline Damodred lang van haar stuk kon brengen. Daarin leek ze sterk op Moiraine. ‘Ik zou maar voorzichtig zijn als ik jou was, neef Thomas,’ ging ze door. ‘Misschien heb je wat wondertjes gewrocht of wat ta’veren spul op mij toegepast, en wellicht zelfs op Darlin – hoewel ik niet kan zeggen waartoe dat kan leiden, ik beloof je niets – maar Toram koestert een ziekelijke haat tegen je. Voordat Mordeth zich bij hem aansloot, was het niet zo erg, maar sindsdien... Toram zou ons ’s nachts meteen de stad laten aanvallen. Als jij dood bent, zullen de Aiel volgens hem wel verdwijnen, maar ik denk dat hij jouw dood nu zelfs nog verbetener nastreeft dan de troon.’
‘Mordeth,’ zei Rhand. Zijn ogen bleven aan Toram Riatin en de magere kerel kleven. ‘Hij heet Padan Fajin en er staan honderdduizend gouden kronen op zijn hoofd.’
Caraline liet haar roemer bijna vallen. ‘Koninginnen zijn wel voor minder vrijgekocht. Wat heeft hij gedaan?’
‘Hij verwoestte mijn thuis omdat het mijn thuis was.’ Rhands gezicht was bevroren, zijn stem als ijs. ‘Hij heeft Trolloks mijn vrienden laten doden, omdat zij mijn vrienden waren. Hij is een Duistervriend en een dood kadaver.’ De laatste woorden werden tussen zijn opeengeklemde tanden door gestoten. Vruchtenwijn spatte op het tapijt, doordat hij de zilveren bokaal in zijn in een handschoen gehulde vuist in elkaar kneep. Min leed met hem mee, voelde zijn pijn en werd misselijk. Ze had gehoord wat Fajin in Tweewater had gedaan – maar bijna paniekerig legde ze haar hand op Rhands borst. Als hij nu toegaf en geleidde, met een onbekend aantal Aes Sedai in de buurt...
‘Omwille van het Licht, beheers je,’ begon ze en achter haar klonk een aangename vrouwenstem.
‘Wil je me aan je lange jonge vriend voorstellen, Caraline?’
Min keek om, recht in een leeftijdloos gezicht met koele ogen onder een knot van ijzergrijs haar, waaruit kleine gouden sieraden bungelden. Ze slikte wat gepiep in en kuchte. Ze had gedacht dat Caraline haar met één blik had opgenomen, maar deze koele ogen leken dingen over haar te weten die zij zelf allang vergeten was. De glimlach van de Aes Sedai terwijl ze haar stola met de groene franje goed schikte, was maar half zo vriendelijk als haar stem.
‘Natuurlijk, Cadsuane Sedai.’ Caraline klonk geschokt, maar ze wist haar stem heel vlak te houden bij het voorstellen van haar overgekomen ‘neef’ en zijn ‘gade’, ‘Ik vrees echter dat Cairhien vandaag de dag niet de juiste plek voor hen is,’ zei ze weer volkomen beheerst. Ze glimlachte treurig omdat ze Thomas en Flatona niet enkele dagen langer bij zich kon houden. ‘Ze zijn het ermee eens en keren terug naar Andor.’
‘Is dat zo?’ zei Cadsuane droogweg. Mins hart zakte naar haar maag. Zelfs als Rhand haar niet genoemd had, bleek uit haar manier van kijken duidelijk dat ze hem kende. Gouden vogeltjes, manen en sterren zwierden door haar hoofdschudden heen en weer. ‘De meeste jongens leren bij de eerste keer dat ze zich branden als ze hun vingers in het mooie vuur moeten steken, Thomas. Anderen krijgen een pak voor hun broek om het te leren. Beter zere billen dan een verschroeide hand.’
‘Je weet dat ik geen kind meer ben,’ antwoordde Rhand haar scherp. ‘O, weet ik dat?’ Ze nam hem van top tot teen op en wekte de indruk dat hij maar heel klein was. ‘Nou ja, blijkbaar zal ik spoedig merken of je al dan niet een pak slaag verdient.’ Haar koele ogen zweefden naar Min en Caraline en met een laatste rukje aan haar stola liet Cadsuane zich weer in de menigte opnemen.
Min slikte het brok in haar keel weg en zag met genoegen dat Caraline ondanks al haar zelfbeheersing hetzelfde deed. Rhand – die blinde zot – staarde de Aes Sedai na alsof hij achter haar aan wilde gaan. Ditmaal legde Caraline een hand op Rhands borst.
‘Ik neem aan dat je Cadsuane kent,’ zei ze zuchtend. ‘Pas op voor haar, zelfs de andere zusters gaan vol ontzag voor haar opzij.’ Haar zwoele stem kreeg iets ernstigs, ‘Ik heb geen idee hoe deze dag zal aflopen, maar hoe dan ook, ik denk dat je allang verdwenen had moeten zijn, neef Thomas. De hoogste tijd. Ik zal paarden...’
‘Is dit je neef, Caraline?’ vroeg een lage, volle mannenstem en Min veerde onwillekeurig op.
Toram Riatin was van dichtbij nog aantrekkelijker dan op een afstand. Hij bezat de sterke mannelijke schoonheid en het wereldwijze uiterlijk die Min vóór haar ontmoeting met Rhand zouden hebben aangetrokken. Ze vond hem eigenlijk nog steeds aantrekkelijk, maar minder dan Rhand. Torams strakke glimlach was heel appetijtelijk.
Torams blik viel op Caralines hand die nog tegen Rhands borst lag. ‘Vrouwe Caraline wordt mijn vrouw,’ zei hij lui. ‘Wist je dat?’
Caralines wangen werden vuurrood van boosheid. ‘Zeg dat niet, Toram! Ik heb je meegedeeld dat ik nee zeg en dat blijft zo.’
Toram glimlachte Rhand toe. ‘Ik denk dat vrouwen nooit goed weten wat ze willen, totdat je het ze toont. Wat zeg jij, Jeraal? Jeraal?’ Hij keek fronsend rond. Min staarde hem verbijsterd aan. Terwijl hij zo knap was, met precies het goede uiterlijk om... Ze had graag beelden kunnen oproepen. Ze zou dolgraag weten wat de toekomst deze man zou brengen.