Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Evenwicht?’ mompelde Rhand met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Ik heb wat boeken van meester Fel gelezen,’ zei ze zwakjes. Ze wilde niet de indruk wekken dat ze zich uitgaf voor een wijsgeer. Vrouwe Caraline glimlachte haar vanuit het zadel toe en speelde met de teugels. Die vrouw lachte haar uit! Ze zou haar eens laten merken wie ze kon uitlachen.
Opeens kwam er een grote zwarte ruin, zo fors als een krijgspaard, door het struikgewas aandraven, bereden door een man van middelbare leeftijd met kortgeknipt haar en een spits baardje. Boven zijn gele Tyreense mantel, waarvan de pofmouwen groen satijnen splitten hadden, stonden twee opmerkelijk mooie ogen als helder geslepen saffieren in een bezweet donker gezicht. Geen bijzonder knappe man, maar die ogen maakten veel van zijn te lange neus goed. Zijn met een handschoen bedekte hand hield een breedpuntpijl omhoog.
‘Die kwam op een paar duim van mijn gezicht omlaag vallen, Caraline. Jouw teken staat erop. Ook al is er geen wild, dan wil dat nog niet zeggen...’ Op dat ogenblik drong de aanwezigheid van Rhand en Min tot hem door en zijn gespannen kruisboog werd op hen gericht. ‘Zijn dit zwervers, Caraline, of heb je spionnen uit de stad gevonden? Ik heb nooit geloofd dat Altor ons hier ongemoeid zou laten.’
Nog een zestal ruiters verscheen achter hem. Zwetende mannen in satijnen mantels met pofmouwen en bezwete vrouwen in rijkleding met omvangrijke, dikke kantkragen. Ze hadden allemaal een kruisboog. De laatste ruiter stond nog niet stil, waarbij de paarden met de hoeven stampten en hun hoofden bewogen, of nog twee keer zoveel ruiters kwamen van alle kanten door het struikgewas aanrijden en stelden zich achter Caraline op. Slanke bleke mannen en vrouwen in donkere kleren met gekleurde banden die soms tot aan hun middel reikten. Allen droegen kruisbogen. Bedienden te voet volgden, zuchtend en puffend vanwege de hitte. Het waren de mannen die elk afgeschoten wild zouden doden en meenemen. Het leek er amper toe te doen dat geen ervan meer dan een mes aan zijn riem had. Min slikte en begon onbewust wat ijveriger met het doekje haar wangen te deppen. Als er eentje Rhand herkende voor hij het besefte...
Vrouwe Caraline aarzelde niet. ‘Geen spionnen, Darlin,’ zei ze, en ze wendde haar paard om de andere Tyreners aan te kijken. Hoogheer Darlin Sisnera! Nu hoefde alleen heer Toram Riatin zijn gezicht nog maar te vertonen. Min had graag gezien dat Rhands ta’veren getrek aan het Patroon wat minder uitbundig was. ‘Een neef met zijn vrouw,’ vervolgde Caraline. ‘Ze komen mij uit Andor bezoeken. Mag ik jullie voorstellen: Thomas Trakand, van een lagere tak van het Huis, en zijn vrouw Flatona.’
Min keek haar bijna woest aan. De enige Flatona die ze ooit had gekend, was al voor haar twintigste een bestofte pruim en bovendien een verzuurd en slechtgeluimd mens.
Darlins blik gleed weer over Rhand en bleef een ogenblik op Min hangen. Hij liet zijn kruisboog zakken en boog bijna onmerkbaar; een Tyreense Hoogheer tegen een landedelman. ‘U bent welkom, heer Thomas. Het zijn dappere mannen die zich in de huidige omstandigheden bij ons willen voegen. Altor kan elke dag die wilden op ons afsturen.’ Vrouwe Caraline keek hem verbitterd aan, wat hij overduidelijk niet wenste op te merken.
Hij zag echter wel dat Rhand reageerde met een even kleine buiging. Het deed hem fronsen. Een donkere knappe vrouw in zijn gevolg mopperde binnensmonds. Ze had een lang en hard gezicht, dat heel ervaren was met boosheid. Een stevige man in een lichtgroene mantel met rode strepen, bezweet en stuurs kijkend, stuurde zijn paard een paar stappen naar voren, alsof hij eraan dacht Rhand omver te rijden.
‘Het Rad weeft wat het Rad wil,’ zei Rhand koeltjes alsof hij niets merkte. Als de Herrezen Draak tegen... Als de Herrezen Draak tegen zo ongeveer iedereen, dat was het. Hoogmoed op een bergtop. ‘Veel gebeurt niet zoals we verwachten. Ik heb bijvoorbeeld gehoord dat u in Tyr was, in Haddon Mirk.’
Min had graag wat willen zeggen, had de moed willen hebben iets kalmerends te zeggen. Ze volstond met over zijn arm te strelen. Zomaar terloops. Zijn vrouw – kijk, dat was een woord dat heerlijk klonk. Een vrouw die zomaar haar echtgenoot een klopje op de arm gaf. Nog een heerlijk woord. Licht, het was moeilijk eerlijk te zijn! Het was amper eerlijk om eerlijk te moeten zijn.
‘Hoogheer Darlin is hier kortgeleden met enkele van zijn beste vrienden op een bark aangekomen, Thomas.’ Caralines hese stemgeluid veranderde niet, maar haar ruin danste opeens opzij, ongetwijfeld na haar hakken te hebben gevoeld. Terwijl ze de ruin in het gareel bracht en Darlin haar rug toewendde, wierp ze Rhand een korte waarschuwende frons toe. ‘Val de Hoogheer niet lastig, Thomas.’
‘Ik vind het niet erg, Caraline,’ merkte Darlin op terwijl hij zwierig zijn kruisboog aan zijn zadel hing. Hij reed wat naderbij en liet een arm op de hoge zadelboog rusten. ‘Een man hoort te weten waar hij in terecht komt. Misschien heb je horen zeggen dat Altor naar de Toren is getrokken, Thomas. Ik ben gekomen omdat ik maanden geleden benaderd werd door Aes Sedai die bepaalde suggesties deden en je nicht heeft me verteld dat haar hetzelfde is overkomen. We dachten haar op de Zonnetroon te kunnen plaatsen voor Colavaere die innam. Nou ja, Altor is geen dwaas, neem nooit aan dat hij dat is. Zelf denk ik dat hij de Toren als een harp heeft bespeeld. Colavaere is opgehangen en hij zit veilig achter de muren van Cairhien. En niet onder een Aes Sedai-juk, wed ik, wat voor geruchten er ook gaan. Tot we een manier vinden om deze knoop te ontwarren, zitten we afwachtend in zijn hand tot hij een vuist maakt.’
‘Een schip heeft je gebracht,’ zei Rhand slechts, ‘een schip kan je wegbrengen.’ Opeens drong tot Min door dat hij zachte klopjes op haar arm gaf. Hij probeerde haar te kalmeren!
Tot haar verbazing gooide Darlin zijn hoofd in de nek en lachte. Heel wat vrouwen zouden om die ogen en lach zijn neus willen vergeten. ‘Dat zou kunnen, Thomas, maar ik heb je nicht gevraagd mij te huwen. Ze wil geen ja of nee zeggen, maar een man kan een toekomstige vrouw niet aan de genade van de Aiel overlaten en zij weigert te vertrekken.’
Caraline Damodred richtte zich in haar zadel op. Haar gezicht was zo ijskoud dat het een Aes Sedai zou beschamen. Opeens flitsten echter rode en witte aura’s rond haar en Darlin op en Min wist het. De kleuren leken er nooit veel toe te doen, maar ze wist dat die twee zouden trouwen, nadat Caraline hem vrolijk jacht op haar had laten maken. Er was nog meer. Voor haar ogen verscheen opeens een kroon boven Darlins hoofd, een eenvoudige gouden band met een licht gebogen zwaard dat vlak boven zijn voorhoofd op de band lag. Op een dag zou hij een koningskroon dragen, maar van welk land, kon ze niet zeggen; en Tyr had hoogheren, geen koning.
Het beeld en de aura’s verdwenen, terwijl Darlin zijn paard wendde om Caraline aan te kijken. ‘Vandaag hoeven we niet op wild te rekenen. Toram is al naar het kamp teruggekeerd. Ik stel voor hetzelfde te doen.’
Zijn blauwe ogen namen snel de omringende bomen op. ‘Blijkbaar zijn je neef en zijn gade in een zorgeloos ogenblik hun paard kwijtgeraakt. Ze zullen wel ergens rondzwerven,’ voegde hij er vriendelijk tegen Rhand aan toe. Hij wist heel goed dat ze geen paarden bezaten. ‘Maar ik weet zeker dat Rovair en Ines hun rijdieren willen afstaan. Een wandelingetje onder de blauwe hemel zal ze goeddoen.’
De stevige man in de roodgestreepte mantel liet zich meteen van zijn grote vos glijden, met een kruiperige glimlach voor Darlin en een even vettige grimlach voor Rhand. De vrouw met het boze gezicht volgde even later en klom stijf van haar zilvergrijze merrie af. Ze leek er niet blij mee te zijn.
Min evenmin. ‘Ben je van plan hun kamp in te gaan?’ fluisterde ze, terwijl Rhand haar naar de twee paarden leidde. ‘Ben je gek?’ voegde ze er onnadenkend aan toe.