Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Min greep zijn arm en hij schrok.
‘Het spijt me,’ zei hij, ‘ik had je niet in de steek moeten laten.’
‘Dat is wel in orde,’ lachte ze. ‘Merana heeft zich reeds op haar taak gestort. Ik denk dat ze van plan is Harines mooiste hemd er voor je uit te slepen, en misschien ook haar op een na mooiste. De golfvrouwe is net een haasje tussen twee fretten.’
Rhand knikte. Het Zeevolk behoorde hem toe, of zo goed als. Wat deed het ertoe of de Hoorn van Valere in de Witte Toren lag? Hij was ta’veren. Hij was de Herrezen Draak, de Car’a’carn en de Coramoor. De goudgele zon brandde heet, maar was nog niet op zijn hoogste punt. ‘De dag is nog jong, Min.’ Hij kon alles. ‘Zou je graag willen zien hoe ik het met de opstandelingen regel? Duizend kronen tegen een kus dat ze vóór zonsondergang de mijne zijn.’
35
De bossen in
Als een kleermaker op Rhands bed gezeten, keek Min naar hem, terwijl hij in hemdsmouwen tussen de jassen zocht in zijn enorme, met ivoor ingelegde kledingkast. Hoe kon hij slapen, in deze kamer met al die zware, zwarte meubels? Een deel van haar gedachten hield zich vaag bezig met alles eruit halen en vervangen door enkele prachtig bewerkte meubels, die ze in Caemlin had gezien. Die hadden hier en daar wat verguldsel. In Caemlin waren ook lichte gordijnen en linnen, wat hij niet zo somber zou vinden. Vreemd, ze had nooit veel om meubels of linnengoed gegeven. Maar dat wandkleed van een veldslag, waarop een eenzame zwaardvechter omringd was door vijanden die hem dreigden te overweldigen, moest zeker weg. Ze keek echter vooral naar hem.
Er lag zo’n doelbewuste blik in zijn ochtend-blauwe ogen en het sneeuwwitte hemd spande zich over zijn rug en schouders toen hij zich omdraaide en diep achter in de kast zocht. Hij had mooie benen en prachtige dijen die zich fraai aftekenden in de donkere strakke kniebroek en de laarzen met hun omgeslagen randen. Soms fronste hij diep en harkte met zijn vingers door zijn donkerrode haren. Hoe vaak hij het ook borstelde, het bleef slordig. Het krulde altijd een beetje rond zijn oren en in de nek. Ze was niet een van die dwaze vrouwen die hun verstand tegelijk met hun hart aan de voeten van een man legden. Het was enkel zo dat in zijn nabijheid goed nadenken soms wat moeilijk werd. Meer niet.
Jas na geborduurde zijden jas werd eruit gehaald en op de jas gegooid die hij op het Zeevolkschip had gedragen. Zouden de onderhandelingen zelfs maar half zo goed gaan zonder dat hij er als ta’veren bij aanwezig was? Had ze maar een echt nuttig beeld bij het Zeevolk gehad. In haar ogen flikkerden zoals gewoonlijk beelden en kleurrijke aura’s om hem heen. De meesten waren te snel verdwenen om er iets in te zien en op een na kon ze er op dit moment niets van maken. Dat ene beeld kwam en ging wel honderd keer per dag en telkens als Perijn of Mart er waren, omvatte dat beeld ook hen, soms anderen. Een enorme schaduw doemde onzichtbaar achter hem op en slokte duizenden en duizenden kleine lichtjes op die als vuurvliegjes neerdaalden in een poging de duisternis te vullen. Vandaag leken er tienduizenden vuurvliegjes te zijn, maar de schaduw leek eveneens groter. Op de een of andere manier hield dat beeld verband met zijn strijd tegen de Schaduw, maar hij wilde bijna nooit weten hoe het ermee stond. Niet dat ze het echt kon zeggen, behalve dat de schaduw altijd min of meer leek te winnen. Ze zuchtte opgelucht toen het beeld verdween.
Een klein scheutje berouw maakte haar wat ongedurig. Ze had niet echt gelogen op zijn vraag welke beelden ze achter had gehouden. Wat voor nut had het te zeggen dat hij vrijwel zeker zou verliezen zonder een vrouw die dood en verdwenen was? Hij had al te zeer de neiging zwaarmoedig te worden. Ze moest hem opgewekt houden, hem eraan herinneren dat hij moest lachen. Maar...
‘Ik vind dit eigenlijk geen goed idee, Rhand.’ Zoiets zeggen kon een fout zijn. Mannen waren in zoveel opzichten vreemde schepsels. Het ene ogenblik namen ze een redelijke raad aan en het volgende ogenblik deden ze precies het tegenovergestelde. Opzettelijk het tegenovergestelde, leek wel. Om de een of andere reden echter koesterde ze een... beschermend gevoel voor die lange man die haar met alleen zijn linkerhand al kon optillen. En dat zonder te geleiden.
‘Het is een prachtidee,’ zei hij, en hij gooide een blauwe jas met zilveren borduurwerk opzij, ‘Ik ben ta’veren en vandaag lijkt dat voor de verandering eens in mijn voordeel te werken.’ Een groene jas met goudborduursel viel op de grond.
‘Wil je me niet liever nog eens troosten?’
Hij verstarde en staarde haar aan, een met zilver afgezette rode mantel vergeten in zijn handen. Ze hoopte dat ze niet rood was. Troosten. Hoe háálde ze het in haar hoofd? vroeg ze zich stilletjes af. De tantes die haar hadden opgevoed, waren lieve vriendelijke vrouwen, maar hadden zedig gedrag hoog in hun vaandel staan. Ze hadden het niet goed gevonden dat ze een broek droeg, hadden haar baantje in de stallen afgekeurd, hoewel ze dat het liefste deed omdat ze dan met paarden kon werken. Ze hoefde zeker niet te vragen wat zij van het troosten zouden vinden. Door een man met wie ze niet was getrouwd. Als ze het ooit ontdekten, zouden ze uit Baerlon komen snellen om haar te villen. En hem natuurlijk ook.
‘Ik... ik moet doorgaan, zolang het zeker is dat het nog werkt,’ zei hij langzaam, en hij draaide zich snel om naar de klerenkast. ‘Dit is wel goed,’ riep hij uit, toen hij een eenvoudige jas van groene wol pakte, ‘Ik wist niet eens dat die hier hing.’
Het was de jas die hij op de terugweg van Dumais Bron had gedragen en Min kon zijn handen zien beven toen hij zich dat herinnerde. Ze probeerde heel gewoon te doen, stond op, ging naar hem roe en sloeg haar armen om hem heen, waardoor ze de jas tussen hen in verkreukelde. Ze vlijde haar hoofd tegen zijn borst.
‘Ik hou van je,’ zei ze alleen. Door zijn hemd heen kon ze het ronde, half geheelde litteken in zijn linkerzij voelen. Ze kon zich als de dag van gisteren herinneren hoe hij dat had opgelopen. Het was de eerste keer geweest dat ze hem in haar armen had gehouden, die keer dat hij bewusteloos en bijna dood op de grond had gelegen. Zijn handen drukten zich in haar rug, drukten haar bijna plat, persten alle lucht uit haar longen, maar lieten haar vervolgens tot haar teleurstelling weer los. Ze meende hem binnensmonds iets over ‘oneerlijk’ te horen mompelen. Stond hij aan het Zeevolk te denken terwijl ze hem omhelsde? Dat zou hij wel moeten. Merana was een Grijze, maar er werd gezegd dat het Zeevolk Domani konden laten zweten. Hij zou het moeten doen, maar... Ze overwoog hem een trap tegen zijn schenen te geven. Zachtjes duwde hij haar weg en begon de jas aan te trekken.
‘Rhand,’ zei ze ferm, ‘je kunt er niet zeker van zijn dat het ook maar enige invloed heeft, alleen omdat het bij Harine werkte. Als dat ta’veren van jou op alles werkte, zou elke vorst en vorstin inmiddels voor je zijn neergeknield en de Witmantels erbij.’
‘Ik ben de Herrezen Draak,’ antwoordde hij trots, ‘en vandaag kan ik alles.’ Hij raapte zijn zwaardgordel op en bevestigde die om zijn middel. Er zat nu een eenvoudige koperen gesp aan. De vergulde drakengesp lag boven op de sprei. Hij trok handschoenen van dun zwart leer aan om de drakenkoppen met de gouden manen op de rug van zijn handen en de reigers op de handpalmen te bedekken. ‘Maar nu lijk ik niet op hem, hè?’ Glimlachend stak hij allebei zijn armen uit. ‘Ze merken het pas wanneer het te laat is.’
Ze stak bijna wanhopig haar armen in de lucht. ‘Je ziet er ook niet als een dwaas uit.’ En dat mocht hij naar eigen believen uitleggen. De schaapkop nam haar wantrouwig op, alsof hij het niet zeker wist.