Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Rhand, zodra ze de Aiel zien, hollen ze weg of gaan ze vechten. Als je geen Aes Sedai meeneemt, neem dan die Asha’man mee. Eén pijl en je bent dood, of je nu de Herrezen Draak bent of een geitenhoeder.’
‘Maar ik bén de Herrezen Draak, Min,’ zei hij ernstig. ‘En ta’veren. We gaan alleen, jij en ik. Als je tenminste nog steeds mee wilt.’
‘Jij gaat nergens heen zonder mij, Rhand Altor.’ Ze kon nog net voorkomen dat ze zei dat hij over zijn eigen voeten zou struikelen wanneer hij dat deed. Deze overmoed was bijna even erg als zijn zwartste zwaarmoedigheid. ‘Nandera zal dit niet fijn vinden.’ Ze wist niet precies wat er tussen hem en de Speervrouwen aan de hand was – er zat echt iets heel merkwaardigs aan de dingen die ze had gezien – maar elke hoop dat het hem zou tegenhouden vervloog bij zijn grijns, als van een klein jongetje dat zijn moeder ontloopt.
‘Ze zal het nooit weten, Min.’ Er vonkte zelfs iets in zijn ogen! ‘Ik doe dit voortdurend en ze weten er niets van.’ Hij hield haar zijn in een handschoen gestoken hand voor en rekende er blijkbaar op dat ze kwam aanrennen wanneer hij riep.
Ze kon eigenlijk niets anders doen dan haar groene jas glad strijken, in de staande spiegel naar haar haren turen en zijn hand vastpakken. De ellende was dat ze écht in staat was te komen aanrennen, als hij wenkte; ze hoopte dat hij dat nooit ontdekte.
In het voorvertrek maakte hij een poort boven op de gouden Rijzende Zon die in de vloer was gelegd. Zij liet zich erdoor leiden, naar een heuvelachtige bosbodem vol dode bladeren. Een vogel met felrode vleugels flitste weg. Een eekhoorn verscheen op een tak, twitterde naar hen en bewoog de witte punt van zijn bontstaart.
Het was amper het soort bos dat ze zich van de omgeving van Baerlon herinnerde. Er waren maar weinig echte bossen in de buurt van de stad Cairhien. De meeste bomen stonden vier, vijf, ja zelfs tien pas van elkaar af. Hoge lederbladbomen en naaldbomen, nog grotere eiken en bomen die ze niet kende, groeiden op het veld waar zij en Rhand stonden en tegen een helling die slechts een paar stap verder lag. Zelfs het struikgewas leek schaarser dan thuis. Struiken, wingerds en boomhei stonden overal in plukjes verspreid, hoewel sommige bosjes niet klein waren. Alles was bruin en droog. Ze trok een met kant omzoomd doekje uit haar mouw en depte het zweet weg dat opeens op haar gezicht lag.
‘Welke kant gaan we op?’ vroeg ze. Aan de zon te zien lag het noorden achter de helling; zij zou die richting kiezen. De stad zou dan ongeveer zeven of acht span die kant op liggen. Als ze geluk hadden, konden ze een wandeling van een dag maken en niemand tegenkomen. Of wellicht besloot Rhand dit op te geven en een tweede poort naar het Zonnepaleis te maken, wat nog beter was, als ze aan haar hoge hakken en aan het terrein dacht, om over de hitte nog maar te zwijgen. Hierbij vergeleken waren de paleisvertrekken koel.
Voor hij kon antwoorden, kondigden krakende takken en ritselende bladeren iemands komst aan. De ruiter die op een grijze, hoogbenige ruin met fleurige teugels en halster verscheen, was een Cairhiense. Ze was klein en slank, gekleed in een donkerblauw, bijna zwart rijgewaad met voorop dwarse rode, groene en witte banen die vanaf haar nek tot onder haar knieën reikten. Het zweet op haar gezicht kon haar hoogblonde schoonheid niet aantasten noch de grote donkere poelen van haar ogen verdoffen. Op haar voorhoofd hing een kleine, heldergroene steen aan een dun gouden kettinkje dat in haar zwarte haren was gevlochten die golvend op haar schouders vielen.
Min snakte naar adem, en niet vanwege de jachtkruisboog die de vrouw terloops in een groene handschoen had. Heel even was ze er heel zeker van geweest dat het Moiraine was. Maar...
‘Ik herinner me niet een van jullie tweeën in het kamp te hebben gezien,’ zei de vrouw met een hese, bijna zwoele stem. Moiraines stem had kristalhelder geklonken. De kruisboog zakte, nog steeds heel terloops, tot die rotsvast op Rhands borst was gericht.
Hij negeerde het. ‘Ik bedacht dat ik graag eens uw kamp wil bekijken,’ zei hij met een kleine buiging. ‘Mag ik aannemen dat u vrouwe Caraline Demandred bent?’ De slanke vrouw beaamde het met een knikje. Min zuchtte bedroefd, al had ze er niet echt op gerekend dat Moiraine in levenden lijve zou opduiken. Het enige beeld dat nooit was uitgekomen, betrof Moraine. Maar Caraline Demandred zelf, een van de leidsters van de opstand tegen Rhand hier in Cairhien, die ook aanspraak maakte op de Zonnetroon... Hij trok echt alle draden van het Patroon om zich heen, dat uitgerekend zij hier verscheen.
Vrouwe Caraline hief langzaam de kruisboog zijdelings omhoog. De pees knalde luid toen de breedpuntpijl de lucht in schoot.
‘Ik betwijfel of een ervan me tegen jou zou beschermen,’ zei ze, en ze liet haar ruin langzaam naar hem toe stappen, ‘Ik zou ook niet graag hebben dat je mij een bedreiging vindt.’ Ze keek maar één keer naar Min – één blik die haar van kruin tot tenen opnam, al was Min er zeker van dat alles voor later gebruik onthouden werd. Afgezien daarvan bleef vrouwe Caraline Rhand strak aankijken. Ze trok op drie stappen afstand de teugels aan, net ver genoeg om het paard tot galop te kunnen aansporen voor hij haar kon bereiken, ‘Ik kan maar één man van deze lengte en met zulke grijze ogen bedenken, een man die opeens uit het niets kan verschijnen, tenzij je een vermomde Aiel bent, maar misschien wil je zo vriendelijk zijn je naam te noemen?’
‘Ik ben de Herrezen Draak,’ zei Rhand en weer was hij zoals hij bij het Zeevolk was geweest, een en al hooghartigheid, maar als er ergens een ta’veren werveling in het Patroon plaatsvond, dan liet de vrouw te paard daar toch niets van merken.
Ze sprong niet omlaag om op haar knieën te vallen, maar knikte slechts, waarbij ze haar lippen op elkaar perste. ‘Ik heb veel over je gehoord. Bijvoorbeeld dat je naar de Witte Toren bent gegaan om je aan de Amyrlin Zetel te onderwerpen. En dat je van plan bent de Zonnetroon aan Elayne Trakand te geven. Ik heb ook gehoord dat je Elayne en haar moeder hebt gedood.’
‘Ik onderwerp me aan niemand,’ antwoordde Rhand scherp. Hij keek haar strak aan met zulke vurige ogen dat die haar al uit het zadel konden trekken. ‘Terwijl wij hier praten, is Elayne reeds onderweg naar Caemlin om de troon van Andor te aanvaarden. Daarna zal ze eveneens de troon van Cairhien krijgen.’ Min kromp in elkaar. Moest hij nou echt praten als een opgeblazen pompoen? Ze had gehoopt dat hij na het Zeevolk wat afgekoeld zou zijn.
Vrouwe Caraline legde haar kruisboog dwars voor zich op het zadel en streek er met een gehandschoende hand over. Betreurde ze misschien de afgeschoten pijl? ‘Ik kan mijn jonge nicht op de troon aanvaarden – beter zij dan sommige anderen tenminste – maar...’ Haar grote donkere ogen die zo levendig leken, werden steenhard. ‘Maar ik weet niet zeker of ik jou in Cairhien kan aanvaarden en ik doel nu niet op je veranderingen van wet en gebruik. Je... verandert het lot door je aanwezigheid. Sinds je komst sterven er elke dag mensen door zulke vreemde ongelukken dat niemand ze kan geloven. Zoveel mannen laten hun vrouwen in de steek en vrouwen hun man, dat niemand het er meer over heeft. Je zult Cairhien in stukken scheuren, alleen al door hier te blijven.’
‘Evenwicht,’ onderbrak Min haar snel. Rhands gezicht stond zo dreigend; hij leek elk ogenblik te kunnen ontploffen. Misschien had hij achteraf gelijk hierheen te gaan. Maar het was volkomen zinloos deze ontmoeting te verknoeien met een woedeaanval. Ze bood niemand de kans wat te zeggen. ‘Er is altijd een evenwicht tussen goed en kwaad. Zo werkt het Patroon nu eenmaal. Zelfs hij verandert daar niets aan. Zoals de nacht aan de dag paart, zo houdt het goede het kwade in evenwicht. Sinds zijn komst is geen enkele boreling een wiegendood gestorven, is geen enkel kind mismaakt ter wereld gekomen. Op sommige dagen zijn er meer trouwerijen dan er vroeger in een week plaatsvonden en voor elke man die door een veertje stikt, valt er een vrouw holderdebolder drie lange trappen af en staat ze zonder een schrammetje op. Noem iets kwaads en je kunt op iets goeds wijzen. De wenteling van het Rad vereist evenwicht en hij vergroot slechts de kansen op dingen die van nature ook zouden gebeuren.’ Opeens kreeg ze een kleur en besefte ze dat beiden haar aankeken. In feite staarden ze haar met grote ogen aan.