De Cock en de dood van een kunstenaar
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #64
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-2208-8
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en de dood van een kunstenaar». Краткое содержание книги:
Justus van Rijsbergen ademde diep. Zijn fraaie Eden-hoed viel van zijn knieën. Het ontging hem. Hij vouwde zijn handen. De Cock bezag de witte knokkels en schatte de spanningen waaraan de man blootstond.
‘Kent u het antwoord?’
Van Rijsbergen schudde zijn hoofd.
‘U… eh, u kent,’ hakkelde hij, ‘u kent Matthijs van Slooten. U kent hem als de moordenaar van Peter Karstens. Waarom vraagt u hem zelf niet wie zijn opdrachtgever was?’
De Cock trok zijn kin iets op.
‘Matthijs van Slooten is dood,’ antwoordde hij kalm. ‘Voordat hij kon spreken joeg iemand hem met dodelijke precisie drie kogels door mijn hart.’
Toen de rijzige Justus van Rijsbergen met zijn paraplu zacht tikkend op het balatum uit de grote recherchekamer was verdwenen, boog Vledder zich over naar De Cock.
‘Ik geloof,’ sprak hij bijna fl uisterend, ‘dat Peter Karstens gelijk had: Justus van Rijsbergen is een boef, een slimme, elegante boef.’
De Cock glimlachte om de interpretatie.
‘Hij had in ieder geval een scherp en passend antwoord op alle vragen.’
Vledder keek hem wat verholen aan.
‘Van jouw… eh, jouw stevige aanpak is weinig terechtgekomen.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Ik heb het geprobeerd, maar het lukte me niet zijn pantser te doorbreken. Zijn dekking was perfect.’
‘Jammer.’
De Cock trok een grijns.
‘En de tortuur is niet meer toegestaan. We mogen verdachte personen, vroeger heel toepasselijk biechtkinderen genoemd, geen duimschroeven meer aanzetten zoals een paar eeuwen geleden.’
‘En dat spijt je?’
De Cock lachte vrijuit.
‘Als in ons strafsysteem weer folteringen worden toegestaan neem ik ontslag. We leven in een beschaafd land, waar de mogelijkheden van ons, opsporingsambtenaren, uiterst beperkt zijn.’
Vledder snoof.
‘Er zijn mensen die daar beslist anders over denken.’
‘Het zij zo,’ gaf De Cock toe. ‘Ik moet je eerlijk bekennen dat ik soms even heb genoten van de intelligente uitvluchten van Justus van Rijsbergen. Dat sollicitatiegesprek op een terrasje op het Rembrandtplein was een goede vondst.’
‘Jij gelooft dat niet?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik ben er vrijwel van overtuigd, dat daar op die zaterdag met Matthijs van Slooten het plan is uitgewerkt om Peter Karstens te vermoorden.’
Vledder gebaarde heftig.
‘Maar waarom?’
De Cock zuchtte diep.
‘Ik ben bang dat Peter Karstens de vragen rond het motief meeneemt in zijn graf.’ Hij keek even op. ‘Help mij herinneren dat ik zijn begrafenis bijwoon. Dat heb ik Maria van Overloon beloofd.’
‘Peter Karstens wist waarom iemand zijn dood zocht?’
‘Absoluut.’
‘Stom, dat hij dat jou niet heeft willen vertellen.’
De Cock knikte.
‘Ik vermoed,’ reageerde hij rustig, ‘dat Peter Karstens mijn capaciteiten als speurder schromelijk heeft overschat. Hij ging er blijkbaar vanuit dat ik ook zonder dat ik het feitelijke motief kende, de dader of daders zou kunnen ontmaskeren.’
Vledder keek hem medelijdend aan.
‘Wordt dit je eerste nederlaag?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Justus van Rijsbergen is ongetwijfeld het intelligente brein achter de moord. De vraag die onmiddellijk opdoemt is: zijn er ook anderen? Trad Justus van Rijsbergen namens die anderen op?
Gingen die anderen akkoord met het plan om Peter Karstens te vermoorden?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘We zijn er nog lang niet,’ verzuchtte hij.
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder reikte naar het toestel en luisterde.
De Cock zag hoe het gezicht van de jonge rechercheur verbleekte. Na enkele seconden legde Vledder zonder iets te zeggen de hoorn op het toestel terug.
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Wie was dat?’
Vledder slikte.
‘Justus van Rijsbergen.’
De Cocks gezicht was één vraagteken.
‘Justus van Rijsbergen?’
‘Ja.’
‘Wat is er met hem?’
‘Hij is in het huis van Alfred van der Broek.’
‘En?’
‘Van der Broek is dood.’
‘Vermoord?’
Vledder knikte.
‘Justus van Rijsbergen vond hem in zijn woonkamer liggend op zijn rug met een met bloed besmeurd overhemd.’
10
Zonder enige haast of emotie stapten de beide rechercheurs op de steiger achter het politiebureau in hun oude Golf. Vledder startte de motor en reed naar de Oudebrugsteeg. Vandaar stuurde hij rechts het Damrak op. De Cock blikte opzij.
‘Heb jij het adres van Alfred van der Broek?’
‘Dat heb ik tijdens onze eerste kennismaking met die man al genoteerd… Brouwersgracht duizendnegenendertig. Ik vraag mij alleen af wat Justus van Rijsbergen bij Alfred van der Broek te zoeken had.’
De Cock glimlachte.
‘Dat is niet zo moeilijk. Volgens mij is hij vanuit ons bureau aan de Warmoesstraat rechtstreeks naar de Brouwersgracht gereden.’
‘Waarom?’
‘Om verslag te doen van het recente onderhoud met ons.’
‘En om overleg te plegen?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Absoluut.’
Vledder reageerde verrast.
‘Uitgaande van jouw standpunt, dat Justus van Rijsbergen de man was die Matthijs van Slooten opdracht gaf tot moord… betekent dit, dat ook Alfred van der Broek bij de moord op de kunstenaar was betrokken.’
De Cock bromde instemmend.
‘Ik ben alleen benieuwd,’ sprak hij daarna gniffelend, ‘hoe de sluwe Justus van Rijsbergen straks zijn bezoek aan Van der Broek motiveert.’
‘Ha, hij zal nooit toegeven dat zijn bezoek ten doel had om te overleggen wat hen beiden nu te doen staat,’ zei Vledder. De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat verwacht ik ook niet. Maar de dood van Alfred van der Broek brengt onze Justus toch in een lastig parket.’
‘Hoezo?’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Hij zal zich ongetwijfeld afvragen wie Alfred van der Broek van het leven beroofde en wat zijn of haar motief was.’
Vledder trok rimpels in zijn voorhoofd.
‘Ik begrijp je,’ reageerde hij opgetogen. ‘Dat motief kan heel goed ook betrekking hebben op hemzelf.’
De Cock keek bewonderend opzij.
‘Dick Vledder, je gaat vooruit. Het lijkt of jouw grijze hersencellen steeds beter worden geactiveerd.’
Vledder glimlachte.
‘Dat komt door jou. Jij dwingt mij voortdurend om na te denken.’
Na een rit met weinig oponthoud parkeerde Vledder de oude Golf op de Palmgracht. Ze stapten uit en slenterden naar de Brouwersgracht. Een vijftig meter verder, voor een open toegangsdeur van perceel 1039 troffen ze de lange Justus van Rijsbergen. De man zag bleek en zijn handen trilden. Hij wees naar de open deur.
‘Hij… eh, hij ligt in zijn woonkamer,’ sprak hij hakkelend. ‘Op het parket. Morsdood. Ik hield het daarbinnen bij die dode Alfred niet uit. Een verschrikkelijk gezicht. Die open ogen en al dat bloed.’ Hij stak twee vingers tussen zijn boord. ‘Ik kreeg het benauwd. Ik ben maar naar buiten gegaan om op u te wachten.’
‘Toen u hier kwam, stond de deur open toen open?’ vroeg De Cock onverstoord.
Justus van Rijsbergen knikte.
‘Ik vond dat al vreemd. Alfred van der Broek is altijd erg zorgvuldig. Ook in zijn werk. Ik dacht eerst aan een inbraak, maar aan de deur en aan de ramen zijn geen beschadigingen te zien.’
‘U bent naar binnen gegaan?’
‘Ik heb alle lichten aangedaan. Op de schakelaars in dit huis zult u beslist mijn vingerafdrukken vinden. Maar verder heb ik niets aangeraakt. Ook de dode Alfred niet. Ik heb van een paar meter afstand naar hem gekeken… durfde niet eens dichterbij te komen. Vrijwel onmiddellijk na mijn ontdekking ben ik naar buiten gegaan en heb u met mijn mobieltje gebeld.’