De Cock en de dood van een kunstenaar
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #64
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-2208-8
- Жанр: Другие детективы
Электронная книга - «De Cock en de dood van een kunstenaar». Краткое содержание книги:
‘Welkom in mijn etablissement.’
De Cock drukte de klamme hand en hees zijn zware lijf op een barkruk naast Vledder.
‘Ook goedenavond,’ reageerde hij laconiek.
‘Hetzelfde recept?’
Zonder op antwoord te wachten dook de tengere caféhouder onder de tapkast en kwam weer boven met een fl es pure Franse cognac Napoleon, die hij met een haast devoot gebaar voor de grijze speurder neerzette.
‘Nog van mijn oude voorraad,’ lispelde hij vergenoegd. Hij pakte drie bolle glazen en schonk in, plechtig, als gold het een ceremonieel gebeuren.
Rechercheur De Cock keek vrolijk glunderend toe. Hij hield van die momenten. En hoewel hij wist dat de smalle caféhouder een dief was, een heler, een man die in zijn leven vrijwel alles had gedaan wat God in zijn wijsheid had verboden… hield hij van Lowietje.
‘Proost.’
Hij nam zijn glas op, schommelde het in zijn hand en snoof de prikkelende geur van de cognac op. Voorzichtig nam hij een slokje. Zacht gleed het fl uwelen vocht langs zijn dorstige keel. Met een peinzende blik keek hij naar het glas en zette het met een teder gebaar op de tapkast terug.
‘Als ik gepensioneerd ben, zal ik dit missen.’
Smalle Lowietje keek hem verbaasd aan.
‘Je kunt toch blijven komen? Daar heb je de Kit toch niet voor nodig. Mijn heerlijk etablissement zal voor jou altijd toegankelijk zijn.’
‘Bedankt, Lowie,’ antwoordde De Cock vertederd. ‘Peracti labores jucundi.’
De caféhouder keek hem niet-begrijpend aan.
‘Wat is dat?’
De Cock lachte.
‘Latijns voor: na gedane arbeid is het zoet rusten. En ik hoop dat men na mijn dood van mij zal zeggen: non moritur, cujus fama vivit.’
‘En dat betekent?’
‘Hij sterft niet, wiens roem nog voortleeft.’
Smalle Lowietje keek hem schattend aan.
‘Ben je in gedachten al met je pensionering bezig?’
‘Daar heb ik geen tijd voor,’ sprak De Cock lachend. ‘De misdaad houdt mij bezig.’
‘Druk aan de Kit?’
De Cock knikte.
‘We zijn met drie moorden tegelijk bezig.’
Smalle Lowietje schonk nog eens in.
‘Behoort bij die drie moorden ook de moord op Peter Karstens, de meestervervalser?’
‘Ja.’
‘Dat was toch jouw vriend?’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Ik heb in de penoze twee vrienden,’ sprak hij gedragen. ‘De ene was de schilder Peter Karstens, de andere ben jij.’
Smalle Lowietje gniffelde.
‘De Cock, je laat mij blozen.’
De oude rechercheur stootte Vledder met zijn elleboog aan.
‘Laat hem de foto zien?’
De jonge rechercheur pakte de politiefoto van Matthijs van Slooten en hield die Smalle Lowietje voor.
‘Ken jij die man?’ vroeg De Cock.
Smalle Lowietje knikte.
‘Dat is Matthijs. Zijn achternaam ken ik niet.’
‘Kwam hij hier vaak?’
‘Een paar maal in de week.’
‘Wat weet je van hem?’
‘Een vreemde gozer… een dom mannetje.’ Lowietje spreidde zijn handen. ‘Hij liet bijna aan iedereen zijn blaffer zien.’
‘Wat voor een blaffer?’
‘Ik heb niet zoveel sjoege van blaffers,’ zei Lowietje met een onschuldig gezicht. ‘Volgens mij was het een revolver. Een… eh, een Webley & Scott.’
De Cock lachte.
‘Jouw kennis van blaffers valt nog wel mee.’
Smalle Lowietje snoof.
‘Sommige gozertjes lopen er gewoon open en bloot mee tussen hun broekriem.’
‘Die Matthijs was zo’n gozertje?’
Smalle Lowietje snoof opnieuw.
‘Nog erger. Hij vroeg aan iedereen: weet jij iemand die wat te doen heeft voor mij en mijn revolver?’
De mond van De Cock zakte iets open.
‘Hij bood zich openlijk aan als moordenaar?’
‘Exact.’
12
Met de opwekkende gloed van twee cognackies in hun aderen liepen de beide rechercheurs over de walletjes terug naar de Kit. Het was er aanmerkelijk drukker dan een uurtje tevoren. De bevrijdende regenvrije avond bracht eindelijk het koor van behoeftige mannen op de been. De vele toegeschoven gordijnen duidden op hoertjes in vol bedrijf en bij Gabrielle, een recent gelanceerde exotische schoonheid uit Venezuela, stonden de mannen in de rij.
Vledder wees ernaar.
‘Snap jij dat?’ vroeg hij misprijzend.
‘Ik snap het niet,’ zei De Cock, ‘maar ik zie op de Walletjes dergelijke bonte taferelen al zolang ik dienstdoe aan bureau Warmoesstraat, en dat is al bijna dertig jaar. Exotische nieuwelingen hebben altijd al veel belangstelling gekregen. Ik vermoed dat de hoerenkerels van die nieuwelingen een andere aanpak verwachten.’
Vledder lachte.
‘Kan dat?’
De Cock grinnikte en probeerde zijn jeugdige collega bij te houden.
‘In het oudste beroep van de wereld zullen in de loop der eeuwen wel enige variaties zijn geslopen, vermoed ik. En misschien zijn er ook wel culturele verschillen ontstaan. Het is een metier dat ik, ondanks talloze gesprekken met prostituees, qua dienstverlening nooit geheel heb kunnen doorgronden.’
Ze liepen een tijdje rustig door. Zo nu en dan lichtte De Cock beleefd zijn hoedje voor een vriendelijk groetend hoertje. Vledder blikte opzij.
‘Stom, dat ik vanavond bij de foto van Matthijs van Slooten ook niet de foto van Justus van Rijsbergen bij me heb gestoken.’
‘Had je die willen tonen?’
‘Ja, misschien dat Smalle Lowietje ons had kunnen vertellen of Justus van Rijsbergen in zijn etablissement al contact met Matthijs van Slooten heeft gezocht.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat beduimelde kiekje van Barbara van Tollebeek is van een bedroevend slechte kwaliteit. We gaan straks nog even naar hem toe.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Naar Justus van Rijsbergen?’
De Cock keek opzij.
‘We vragen van hem een recente foto… een duidelijk portret waarop hij goed is te herkennen. Die kunnen we altijd nog aan Smalle Lowietje laten zien.’
De oude rechercheur liep zwaar ademend naast Vledder.
‘Bovendien,’ vervolgde hij zijn betoog, ‘is de dag nog niet om. Ik heb Justus van Rijsbergen tot vandaag de tijd gegeven om te bekennen dat hij Matthijs van Slooten de opdracht heeft verstrekt om Peter Karstens te vermoorden… en om ons iets te vertellen van het motief, het waarom van dat onzalige moordplan.’
‘Ik heb er geen vertrouwen in,’ zei Vledder. ‘Het wordt vanavond een vergeefse reis. Van Rijsbergen is een sluwe, intelligente man. Die bekent nooit. Vooral na de dood van Matthijs van Slooten en zijn kompaan Alfred van der Broek zal hij zich volkomen veilig voelen.’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Ik wil hem nog even boven op zijn huid zitten. Die man moet toch ergens kwetsbaar zijn?’
‘Ik ben bang van niet.’
Vledder moest zijn pas inhouden. Zijn oude collega liep niet zo snel.
‘Tenzij wij het aandeel van Paul van Eldersloo als directeur van Brilliance of Art verkeerd inschatten.’ De Cock hijgde terwijl hij sprak.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Vledder, die weer naast De Cock liep, zodat ze niet zo luid hoefden te spreken.
‘Dat Van Eldersloo toch een leidende rol in deze moordaffaire speelt.’
‘Acht jij die kans groot?’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht en bleef even staan.
‘Volgens Jan van Oldehove moet Van Eldersloo een uitstekend schutter zijn… trots op de onderscheidingen van zijn schietvereniging, die hij geruime tijd in zijn kantoor aan de wand had hangen.’
Vledder reageerde wat geprikkeld.
‘Je geeft geen antwoord op mijn vraag. Acht jij de kans groot dat hij bij de moorden is betrokken.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Eerlijk gezegd… nee.’