Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Waarom zit je te lachen?’ wilde Min weten. Seiera danste wat dichterbij en ze glimlachte naar hem omhoog.
‘Dit is niet om te lachen, mijn heer Draak,’ zei Merana zuur aan zijn andere kant. ‘De Atha’an Miere kunnen heel merkwaardig zijn. Elk volk is lichtgeraakt wanneer het over hun voorspellingen gaat.’
‘De wereld is om te lachen,’ gaf hjj terug. Min lachte met hem mee, maar Merana snoof en ging weer door met haar verhaal over het Zeevolk zodra hij uitgelachen was.
Aan de rivier liepen de hoge stadswallen tot in het water en omvatten zo de lange grijsstenen pieren, die van de kade in het water staken. Rivierschepen, boten en barkassen van elke soort en grootte lagen overal vastgebonden. De bemanning stond op de dekken te kijken waar al die opwinding voor was, maar het vaartuig dat Rhand zocht, lag duidelijk aan de kop van een pier op hen te wachten, want daar waren de dokwerkers reeds weggestuurd. Een bark werd het genoemd, een lage smalle romp zonder masten; enkel een paal in de boeg van vier voet hoog met aan de top een lantaarn en nog een bij de steven. De boot was bijna dertig pas lang met aan beide kanten even zoveel lange riemen. Het schip kon niet de vracht van een zeilboot van dezelfde grootte meenemen, maar het had geen wind nodig en met een beetje stroming kon het dag en nacht doorvaren, wanneer de roeiers in ploegen werkten. Barken bevoeren de rivieren met belangrijke en dringende ladingen. Het had passend geleken.
De kapitein boog herhaaldelijk nadat Rhand de loopplank was afgelopen met Min aan zijn arm en de Aes Sedai en Asha’man achter hem. Elver Shaene was nog smaller dan zijn vaartuig en droeg een gele Morlandse jas die tot de knieën reikte. ‘Het is een eer u te mogen vervoeren, mijn heer Draak,’ mompelde hij, en hij depte zijn kale hoofd met een grote doek. ‘Het is een eer. Een echte eer. Een grote eer.’
De man had zichtbaar veel liever gezien dat zijn schip tot het randje vol zat met levende gifslangen. Beduusd keek hij naar de stola’s van de Aes Sedai, staarde naar hun tijdloze gezichten en likte zijn lippen af, terwijl zijn ogen verontrust tussen hen en Rhand heen en weer schoten. De Asha’man deden zijn mond wijd openvallen, nadat hij hun zwarte kleren in verband had gebracht met de geruchten, waarna hij vermeed nog hun kant op te kijken. Shaene zag hoe Dobraine de vaandeldragers aan boord leidde, evenals de trompetblazers en trommelaars die hun instrumenten meezeulden. Waarna hij de ruiters op de kade in ogenschouw nam alsof hij vermoedde dat die ook aan boord wilden komen. Nandera met twintig Speervrouwen en Camar met twintig Zwartogen, allen met de sjoefa rond her hoofd gewikkeld, al waren ze niet gesluierd, zorgden ervoor dat de schipper haastig opzij stapte om de Aes Sedai tussen hem en de Aiel te houden. De Aiel hadden een hekel aan de vertraging van het sluieren, maar het Zeevolk wist wellicht wat een sluier betekende en het zou niet gepast zijn de indruk te wekken dat ze werden aangevallen. Rhand dacht dat Shaenes doek zijn smalle randje grijs haar weg zou kunnen wrijven.
De lange riemen deden de bark van de kade wegzwaaien. Op de boeg wapperden de twee banieren, de trommen dreunden en de trompetten schetterden. Op en langs de rivier verschenen mensen aan dek of klommen zelfs in het want. Ook op het schip van het Zeevolk kwam men naar buiten, gekleed in felle kleuren, een grote tegenstelling met de grauwe kleding van de andere scheepsbemanningen. De Wit Schuim was een groter vaartuig dan de meeste schepen, maar ondanks de twee hoge masten die schuin achterover helden en de dwarsgetuigde zeilen aan de ra’s maakte het een ranke indruk. Bijna alle andere boten hadden schuine dwarsbomen die nog langer waren dan de mast om er veel zeil aan te bevestigen. Alles aan dit schip sprak van verschillen, maar in één ding moesten de Atha’an Miere volgens Rhand net zo zijn als ieder ander. Ze konden hem ofwel uit zichzelf volgen of ertoe gedwongen worden. De Voorspellingen zeiden dat hij de volkeren van elk land zou verenigen. ‘Het noorden zal hij binden aan het oosten en het westen zal hij binden aan het zuiden,’ zeiden die en niemand mocht worden toegestaan zich afzijdig te houden. Dat wist hij nu.
Toen hij vanuit de badkuip zijn bevelen had gegeven, had hij geen gelegenheid gekregen zijn plannen na aankomst op Wit Schuim uiteen te zetten, dus vertelde hij die nu. De bijzonderheden veroorzaakten zoals verwacht een grijns bij de Asha’man. Nou ja, Flin en Narishma grijnsden, Dashiva stond verstrooid met zijn ogen te knipperen. Onder de Aiel zag hij veel fronsen, en daar had hij ook op gerekend. Ze hielden er niet van achtergelaten te worden. Dobraine knikte slechts. Hij wist dat hij hier vandaag alleen voor het uiterlijke vertoon was. Wat Rhand niet had verwacht, was de reactie van de Aes Sedai.
‘Het zal zijn zoals u beveelt, mijn heer Draak,’ zei Merana, en ze maakte een kleine knix. De andere vier zusters keken elkaar aan, maar maakten ook een buiging en mompelden meteen na Merana: ‘Zoals u beveelt.’ Niemand ging er tegenin, niemand fronste, niet één staarde hem hooghartig aan of spelde uit waarom het op elke andere manier diende te gebeuren dan zoals hij wenste. Kon hij hen beginnen te vertrouwen? Of zouden ze weer zo’n Aes Sedai-manier vinden om zich onder hun belofte uit te wriggelen, zodra hij hun de rug had toegekeerd?
‘Ze zullen zich aan hun woord houden,’ mompelde Min opeens, alsof ze zijn gedachten had gelezen. Ze had een arm in de zijne gehaakt, haar beide handen hielden zijn mouw vast en ze zorgde dat alleen hij haar kon horen, ‘Ik zag gewoon die vijf in jouw hand,’ voegde ze eraan toe voor het geval hij het niet begreep. Hij wist niet zeker of hij het nu snapte, zelfs al had zij het in een beeld gezien.
Hij kreeg niet veel tijd om het te proberen. De bark vloog over het water en binnen de kortste keren sloegen de roeiers op zo’n twintig pas afstand van de veel grotere Wit Schuim achteruit. Trommen en trompetten zwegen en Rhand geleidde, maakte een brug van Lucht, afgezet met Vuur, dat het hekwerk van de bark met het schip van het Zeevolk verbond. Met Min aan zijn arm liep hij eroverheen. Voor ieders oog, behalve de Asha’man, leken ze over lucht te lopen.
Hij rekende er min of meer op dat Min zou struikelen. In het begin tenminste, maar ze liep gewoon naast hem mee alsof er zich rotsbodem onder haar laarzen met de groene hoge hakken bevond.
‘Ik vertrouw je,’ zei ze kalm. Volgens hem glimlachte ze half om hem op zijn gemak te stellen en half uit vermaak dat zij wederom zijn gedachten las.
Hij vroeg zich af hoe groot haar vertrouwen in hem zou zijn, wanneer ze wist dat dit de langste brug was die hij kon weven. Nog een voet langer, een pas, en het hele geval zou in een zucht verdwijnen. Als het zover kwam, diende hij zichzelf met de Ene Kracht op te tillen en dat was een onmogelijkheid. Zelfs de Verzakers wisten niet hoe dat kwam, net zomin als zij wisten waarom een vrouw een langere brug kon maken dan een man, ook al was ze lang niet zo sterk. Met gewicht had het niets te maken. Zo’n brug kon elk gewicht hebben.
Vlak voor de Wit Schuim bleef hij midden in de lucht staan. Ondanks Merana’s beschrijving kwam het uiterlijk van de naar hem kijkende mensen toch als een schok. Donkere vrouwen en mannen met ontblote borsten en kleurrijke sjerpen die tot op hun knieën hingen. Ze droegen gouden of zilveren kettingen rond de nek, ringetjes in de oren en ongelooflijk genoeg ook in de neus, althans bij sommige vrouwen. Hun hemden vormden een regenboog van kleuren boven donkere pofbroeken. Geen van hen vertoonde meer uitdrukking dan een Aes Sedai die zichzelf geheel beheerste. Vier vrouwen, net als de anderen barrevoets, droegen bonte zijde, twee van hen brokaat en bovendien meer kettingen en oorringen dan ieder ander, met een kettinkje van gouden penningen dat van een oorring naar een ring in de neusvleugel liep. Ze zeiden niets. Ze stonden slechts gezamenlijk naar hem te kijken, snuivend aan kleine doosjes met goudsierwerk dat aan een kettinkje aan hun hals hing. Hij richtte zich tot deze vier.