Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 169 170 171 172 173 174 175 176 177 ... 217
Перейти на страницу:

‘Altor! Altor! Altor!’ schalde het van de paleishof. De mensen op de overvolle boogschutterbalkons voegden zich erbij. Tyreners en Cairhienin in kant en zijde, die tot een week geleden Colavaere ongetwijfeld evenzeer hadden toegejuicht. Mannen en vrouwen die anderen zouden toejuichen, wanneer hij ooit iaat naar Cairhien zou terugkeren, sommigen tenminste, zwaaiden luid schreeuwend met allebei de armen. Hij hief de Drakenstaf bij wijze van antwoord en ze riepen nog luider.

Tussen het gejuich stegen donderend tromgeroffel en geschal van trompetten op, voortgebracht door een tiental mannen van Dobraine. Ze droegen vuurrode tunieken met de zwart-witte schijf op de borst. De helft had lange trompetten die dezelfde kleuren toonden, de andere helft had zwart-wit beklede keteltrommen aan beide kanten van hun paarden.

Vijf met stola’s getooide Aes Sedai wachtten hem op, zodra hij de brede treden afdaalde, of eigenlijk zweefden ze naar hem toe. Alanna’s grote donkere, doordringende ogen schonken hem een lange onderzoekende blik. Het kleine knoopje gevoelens in zijn schedel gaf aan dat ze zich kalmer voelde, meer ontspannen was dan ooit. Toen wenkte ze even en Min raakte zijn arm aan om verderop wat met haar te praten. Bera en de anderen maakten een kleine knix en bogen daarbij licht hun hoofd, terwijl achter hem de Aiel het paleis uit stroomden. Nandera ging aan het hoofd van tweehonderd Speervrouwen – ze wilde niet onderdoen voor die ‘eedbrekers’. Camar, een magere en lange Daryne Aiel van de Krompieksibbe, grijzer dan Nandera en een half hoofd langer dan Rhand, leidde tweehonderd Seia Doon die zich niet wilden laten overtroeven door de Far Dareis Mai, laat staan door de Cairhienin. Ze trokken aan weerszijden langs hem en de Aes Sedai, en omringden het plein. Naast hem stonden Bera, net een trotse boerenvrouw, Alanna, een donkere, knappe koningin, beiden in stola’s met groene franje, en de gezette Rafela, die nog donkerder was en blauw droeg. Ze namen hem bezorgd op, evenals de koel kijkende Faeldrin, een Groene zuster, die haar dunne vlechten had voorzien van kleurige kralen. De in grijs gehulde, slanke Merana had zulke diepe rimpels in haar voorhoofd dat Rafela er een plaatje van Aes Sedai-sereniteit bij leek. Vijf.

‘Waar zijn Kiruna en Verin?’ wilde hij weten, ‘Ik heb jullie allemaal opgeroepen.’

‘Dat heeft u inderdaad, mijn heer Draak,’ antwoordde Bera gladjes. Ze maakte nog een tweede knix, slechts een heel kleine, maar hij keek ervan op. ‘We konden Verin niet vinden. Ze bevindt zich ergens in de Aieltenten. Ze ondervraagt de’ – haar vlotte woorden haperden even – ‘de gevangenen, geloof ik, in een poging erachter te komen wat hun plannen waren, als ze Tar Valon hadden bereikt.’ Als hij Tar Valon had bereikt. Ze was wel zo wijs om dat niet te zeggen waar iedereen het kon horen. ‘En Kiruna is... in overleg met Sorilea over gedragsregels. Maar ik ben er zeker van dat ze heel verheugd zal zijn om zich bij ons te voegen als u een persoonlijke oproep naar Sorilea stuurt. Ik wil zelf wel gaan als u me...’

Hij wuifde het weg. Vijf zou genoeg moeten zijn. Misschien kon Verin er wat van opsteken. Wilde hij het wel weten? En Kiruna! Gedragsregels? ‘Ik ben blij dat jullie her met de Wijzen kunnen vinden.’ Bera wilde wat terug zeggen, maar klemde toen haar lippen op elkaar.

Hij vroeg zich af wat Alanna tegen Min zei, want die had opeens vuurrode wangen en haar kin hoog in de lucht, hoewel ze toch kalm antwoord leek te geven. Hij vroeg zich af of ze het hem zou vertellen. Van één ding bij vrouwen was hij rotsvast overtuigd: stuk voor stuk hadden ze een geheim plekje in hun hart. Soms deelden ze dat met een andere vrouw, maar nooit met een man. Dat was het enige waar hij bij vrouwen zeker van was.

‘Ik ben hier niet om de hele dag te blijven staan,’ zei hij geërgerd. De Aes Sedai hadden zich zo opgesteld dat Bera vooraan liep, met de anderen een halve stap achter haar. Als Kiruna er was geweest, zou die de leiding genomen hebben. Hun eigen afspraak, niet van hem. Hij gaf er werkelijk niet om zolang ze zich aan hun eed hielden en hij zou er niets van hebben gezegd, als Min en Alanna daar niet hadden gestaan. ‘Van nu af aan spreekt Merana voor jullie en nemen jullie haar bevelen aan.’

Gezien de ogen die opeens groter werden, zou hij hebben kunnen denken dat hij ieder een klap had gegeven. Zelfs Merana. Alanna’s hoofd draaide zich eveneens met een ruk naar hem toe. Waarom waren ze zo geschokt? Weliswaar hadden Bera en Kiruna na Dumais Bron alle gesprekken gevoerd, maar Merana was in Caemlin het hoofd van het gezantschap geweest.

‘Klaar, Min?’ vroeg hij en zonder op antwoord te wachten schreed hij het paleisplein op. De grote, vurig ogende ruin die hij op de terugweg van Dumais Bron had bereden, was voor hem klaargezet met een zadel met hoge zadelboom en veel goudwerk op een vuurrood kleed met borduurwerk, waarin op elke hoek de zwart-witte schijf stond. Het tuig paste bij het dier en bij zijn naam, Tai’daishar. In de Oude Spraak: ‘Roemrijke heer.’ Zowel paard als tuig paste bij de Herrezen Draak. Bij het opstijgen leidde Min de muisgrijze merrie naar voren die zij sinds de slag had gebruikt. Ze trok haar rij handschoenen aan, voor ze zich in het zadel zwaaide. ‘Seiera is een fijn dier,’ zei ze, een klopje op de gebogen nek gevend, ‘Ik wou dat ze van mij was. Ik vind haar naam ook mooi. We noemen die bloem in Baerlon een blauwoogje en in de lente kun je ze overal vinden.’

‘Ze is van jou,’ zei Rhand. Hij wist niet van welke Aes Sedai de merrie was, maar ze zou niet weigeren haar te verkopen. Hij zou Kiruna duizend kroon voor Tai’daishar geven en dan mocht ze niet klagen. De mooiste rashengst van Tyr kostte nog geen tiende daarvan. ‘Had je een boeiend gesprek met Alanna?’

‘Niets waarin jij belang zou stellen.’ zei ze achteloos. Maar haar wangen kleurden wel iets rood.

Hij snoof zachtjes en verhief toen zijn stem. ‘Heer Dobraine, ik denk dat ik het Zeevolk nu lang genoeg heb laten wachten.’

De stoet trok een grote menigte aan langs de brede lanen en vulde vensters en daken terwijl het nieuws voor hen uit snelde. Twintig lansiers van Dobraine reden voorop om de straat vrij te maken, samen met dertig Speervrouwen en evenveel Zwartogen. Daarop volgden de trommelaars die de trommen roerden: brroem – brroem – brroem – brroem – brroem, en de trompetters verlevendigden het geheel uitbundig. Trommen en trompetten verdronken bijna in het geschreeuw van de toeschouwers, een woordeloos gebrul dat net zo gemakkelijk woede als bijval kon zijn. Naast de wimpels en vaandels wapperden vlak voor Dobraine en Rhand de banier van de witte Draak en de vuurrode banier van het Licht. Gesluierde Aiel draafden naast de lansiers, wier lansvaantjes eveneens in de wind bewogen. Nu en dan werden hem enkele bloemen toegegooid. Misschien haatten ze hem niet. Misschien waren ze alleen bang. Hij moest het ermee doen.

‘Een optocht, een koning waardig,’ merkte Merana luid op met de bedoeling te worden gehoord.

‘Dan volstaat het ook wel voor de Herrezen Draak,’ antwoordde hij scherp. ‘Willen jullie alsjeblieft wat achter me blijven. Jij ook, Min.’ Er waren eerder huisdaken geweest waarop moordenaars zich verborgen hadden. De voor hem bestemde pijl of kruisboogschicht zou vandaag geen vrouw treffen.

Ze lieten zich terugzakken tot achter zijn grote zwarte hengst, maar amper drie pas verder reden ze weer vlak naast hem. Min vertelde hem wat Berelain over het Zeevolk op de schepen had geschreven, over de Jendai-voorspelling en de Coramoor. Merana vulde dat aan met wat zij erover wist, al gaf ze toe dat het niet veel was, weinig meer dan wat Min zei.

De daken in het oog houdend, luisterde hij met een half oor. Hij hield saidin niet vast, maar hij kon het achter zich voelen, in Dashiva en de andere twee mannen. Hij voelde niet de kriebels die zouden aangeven dat de Aes Sedai de Ware Bron omhelsden, maar hij had ze opgedragen dat niet zonder zijn toestemming te doen. Misschien moest hij dat bevel wijzigen. Ze leken zich aan hun eed te houden. Maar daar konden ze ook niet onderuit. Het waren Aes Sedai. Het zou mooi zijn als het wapen van een moordenaar op hem werd gericht, terwijl een zuster trachtte te beslissen of dienen nu inhield hem te redden of dat gehoorzaamheid betekende niet te geleiden.

1 ... 169 170 171 172 173 174 175 176 177 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)