Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Hij nam haar stevig bij de armen, stond op en zette haar neer. Hij hield van haar en zij hield van hem en hij diende te beseffen dat hij Elayne eeuwig wilde kussen wanneer hij aan haar dacht, en Aviendha eveneens. Min kon van alles zeggen over Rhuarc of een andere Aielman, ze had aan het kortste eind getrokken op de dag dat ze verliefd op hem werd. ‘Je zei de helft, Min,’ zei hij kalm. ‘Welke beelden heb je me niet verteld?’
Ze keek naar hem met wat bijna ergernis had kunnen zijn, al was dat uiteraard niet het geval. ‘Je houdt van de Herrezen Draak, Min Far-sen,’ mopperde ze, ‘dat kun je maar beter voor ogen houden. En dat kun jij, Rhand, ook maar beter doen,’ voegde ze eraan toe, zich terugtrekkend. Hij liet haar aarzelend of gretig los, hij wist niet hoe het precies zat. ‘Je bent al een halve week terug in Cairhien en je hebt nog steeds niets aan het Zeevolk gedaan. Berelain dacht dat er weer lood in je laarzen zou zitten. Ze heeft een briefje voor me achtergelaten en me gevraagd je eraan te herinneren, alleen liet je me... Nou, Iaat maar zitten. Berelain denkt dat ze op de een of andere manier belangrijk voor je zijn. Ze zegt dat je de vervulling bent van een of andere voorspelling van hen.’
‘Daar weet ik alles van, Min. Ik...’ Hij had gedacht het Zeevolk uit de verwikkelingen rond hem te houden. Ze worden niet genoemd in De Voorspellingen van de Draak, voor zover hij wist, maar als hij Min bij hem liet blijven, haar in gevaar bracht... Ze had gewonnen, besefte hij. Hij had Elayne zien weglopen en zijn hart in zijn laarzen voelen zakken. Hij had Aviendha zien vertrekken, terwijl zijn maag volkomen verknoopt leek. Hij kon het niet nog eens doen. Min stond op hem te wachten, ‘Ik ga naar hun boot. Vandaag. Het Zeevolk mag neerknielen voor de Herrezen Draak in al zijn glorie. Ik neem niet aan dat er ooit enige hoop op iets anders is geweest. Of ze horen bij me, of ze zijn mijn vijanden. Zo lijkt het altijd te gaan. En wil je me nu iets van die beelden vertellen?’
‘Rhand, je hoort wat meer te weten over hoe ze zijn, voordat je...’
‘De beelden?’
Ze sloeg haar armen over elkaar en keek hem met half dichtgeknepen ogen door haar wimpers aan. Op haar lip bijtend keek ze vervolgens fronsend naar de deur. Hoofdschuddend mopperde ze wat binnensmonds. Ten slotte zei ze: ‘Het is er eigenlijk maar een. Ik heb wat overdreven. Ik zag jou en een andere man. Ik kon geen van de twee gezichten goed zien, maar ik wist dat een ervan jij was. Jullie raakten elkaar aan en leken in elkaar te versmelten en...’ Bezorgd kneep ze haar lippen op elkaar en met een heel klein stemmetje ging ze verder. ‘Ik weet niet wat het betekent, Rhand, behalve dat een van jullie sterft en de ander niet. Ik... Waarom sta je te grijnzen? Dit is geen grap, Rhand. Ik weet niet wie van de twee sterft.’
‘Ik grijns omdat je me heel goed nieuws hebt gegeven,’ zei hij, haar wang strelend. Die andere man moest Lews Therin zijn. Ik ben dus niet alleen maar een gek die stemmen boort, dacht hij opgetogen. De een leefde en de ander stierf, maar hij wist al lange tijd dat hij zou sterven. Hij was gelukkig niet krankzinnig. Of niet zo erg als hij had gevreesd. Maar nog steeds had hij die driftbuien die hij amper kon beheersen. ‘Zie je, ik...’
Opeens besefte hij dat zijn streling was overgegaan in een met beide handen omvatten van haar gezicht. Hij trok ze met een ruk terug, alsof hij zich had gebrand. Min kneep haar lippen op elkaar en keek hem verwijtend aan, maar hij wilde geen misbruik van haar maken. Het zou niet eerlijk zijn tegenover haar. Gelukkig knorde zijn maag opeens heel luid.
‘Ik moet iets eten, als ik het Zeevolk ga bezoeken. Ik heb een dienblad zien staan.’
Terwijl hij zich omdraaide, maakte Min een geluid dat meer geknor dan gesnuif was, maar vervolgens zwierde ze breed stappend naar de grote deuren. ‘Jij hebt een bad nodig, als wij naar het Zeevolk gaan.’
Nandera was opgetogen, knikte gelukkig en stuurde de Speervrouwen er op een holletje opuit. Hoewel ze zich wel naar Min boog en mompelde: ‘Ik had je de eerste dag al binnen moeten laten. Ik wilde hem een schop geven, maar dat hoon niet, de Car’a’carn schoppen.’ Aan haar stem viel te beluisteren dat ze dat eigenlijk best vond kunnen. Ze zei het zachtjes, maar niet zo zacht dat hij het niet kon horen. Hij wist zeker dat het met opzet gebeurde; ze keek hem veel te scherp aan voor een vergissing.
Speervrouwen sleepten eigenhandig een koperen kuip naar binnen, flitsten elkaar met hun handen lachend opmerkingen toe en waren te opgewonden om het werk over te laten aan de bedienden van het Zonnepaleis. Ze gunden het hun evenmin de emmers met warm water in een lange rij aan te slepen. Rhand vond het maar moeilijk zich uit te kleden. Het was al lastig genoeg om zichzelf te wassen en hij kon niet ontsnappen aan Nandera die zijn haren inzeepte. De vlasblonde Somara en de roodharige Enaila stonden erop hem te scheren, terwijl hij tot aan zijn borst in de kuip zat en zij deden het zo aandachtig dat het leek of ze bang waren hem in de keel te snijden. Hij was het gewend, ze hadden al eerder geweigerd hem zichzelf schoon te laten boenen en scheren. Hij was gewend dat er Speervrouwen stonden toe te kijken en aanboden zijn rug of voeten te schrobben, terwijl hun handen stil fladderden en seinden, nog steeds half en half verontwaardigd dat iemand in zoveel water zat. Bovendien lukte het hem er enkelen kwijt te raken door ze een opdracht elders te geven.
Maar hij was het niet gewend dat Min in kleermakerszit op het bed het hele gebeuren zichtbaar geboeid gadesloeg. Door de grote groep Speervrouwen had hij niet beseft dat ze er nog was, tot hij helemaal bloot was en toen kon hij alleen maar zo snel mogelijk in de kuip ploffen, zodat het water alle kanten uitspatte. Die vrouw had zelf een Speervrouw kunnen zijn. Ze besprak hem heel openlijk met de Speervrouwen en bloosde geen enkele keer! Hij was natuurlijk weer degene met het rode hoofd.
‘Ja, hij is heel bescheiden,’ stemde ze in met Malindare, een vrouw die dikker was dan de meeste Speervrouwen en het donkerste haar bezat dat Rhand ooit bij een Aielvrouw had gezien. ‘Bescheidenheid is een kroon voor een man,’ knikte Malindare sober, maar Mins grijns spleet haar gezicht bijna in tweeën.
En ook: ‘O, nee, Domeille, het zou jammer zijn zo’n leuk gezicht te ontsieren met een litteken.’ Domeille, die nog grijzer was dan Nandera, nog magerder en met een puntkin, hield vol dat hij niet knap genoeg was om het zonder litteken te stellen. Rhand moest zijn schaarse knapheid benadrukken. Haar eigen woorden. De rest was nog erger. De Speervrouwen hadden het altijd leuk gevonden om hem een rood hoofd te bezorgen. Min in elk geval wel.
‘Vroeg of laat zul je je toch moeten afdrogen, Rhand Altor,’ zei ze en ze hield hem met beide handen een lange witte afdroogdoek voor. Ze stond minstens drie stappen van de kuip af en de Speervrouwen waren allemaal achteruitgestapt en hadden een kring van toeschouwers gevormd. Mins glimlach was zo onschuldig dat elke richter haar daarom al schuldig zou bevinden. ‘Kom eruit en droog je af, Rhand.’
Nooit eerder in zijn leven had hij zo opgelucht zijn kleren aangetrokken.
Tegen die tijd waren alle opdrachten uitgevoerd en stond alles klaar. Rhand Altor was misschien het bad in gejaagd, maar de Herrezen Draak ging naar het Zeevolk in een stijl die hen vol ontzag op hun knieën zou doen neervallen.
34
Ta’veren
Op het voorplein van het Zonnepaleis stond alles wat Rhand had bevolen klaar. Bijna alles tenminste. De ochtendzon wierp lange, schuine schaduwen van de gelede torens, zodat voor de grote bronzen poorten slechts een strook van zo’n dertig voet in het volle licht lag. Dashiva, Flin en Narishma, de drie Asha’man die hij bij zich hield, wachtten naast hun paarden. Zelfs Dashiva zag er indrukwekkend uit met zijn zilveren zwaard en de rood met gouden draak op zijn zwarte kraag, hoewel hij nog steeds het zwaard aan zijn heup bevoelde alsof hij eeuwig verbaasd was het daar aan te treffen. Honderd wapenknechten op strijdrossen stonden achter Dobraine zelf, met twee grote banieren die slap hingen in de stille hitte. Hun donkere wapenrusting was opnieuw gelakt, zodat die glinsterde in de zon, en onder de lanspunten waren zijden wimpels in rood, wit en zwart gebonden. Ze barstten in gejuich uit toen Rhand verscheen. Hij had zijn zwaardgordel met de gouden drakengesp over een rode jas met veel goud gegespt.