Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Zijn kuiten raakten een stoel en hij besefte dat hij voor haar terug was gedeinsd. Fronsend naar hem opkijkend, mopperde ze: ‘Ik denk niet dat ik je mag als je op die manier op me neerkijkt.’ Opeens gaf ze hem een harde schop tegen zijn scheen, zette beide handen tegen zijn borst en duwde. Hij viel achteruit in de stoel, zo hard dat die bijna omklapte. Haar krulletjes zwaaiden toen ze haar hoofd schudde en haar brokaten jas goed schikte.
‘Dat kan wel zijn, Min, maar...’
‘Zo is het, schaapherder.’ onderbrak ze hem ferm, ‘en als jij het waagt iets anders te beweren, kun je maar beter je Speervrouwen roepen en zoveel geleiden als je kunt opbrengen, want ik timmer je alle hoeken van deze kamer in tot je om vergeving piept. Je moet je nodig scheren. En wassen.’
Rhand haalde diep adem. Perijn had zo’n rustig huwelijk, met een glimlachende, zachte vrouw. Hoe kwam het dat hij altijd vrouwen leek aan te trekken die zijn hoofd deden tollen? Hij had graag een tiende van Marts kennis van vrouwen gehad. Dan zou hij hebben geweten wat hij hier allemaal op moest zeggen, maar zoals de zaken nu lagen kon hij slechts verder blunderen. ‘In elk geval,’ zei hij behoedzaam, ‘kan ik nu maar één ding doen.’
‘En wat had je in gedachten?’ Ze sloeg haar armen over elkaar en haar voet begon dreigend op de grond te tikken, maar hij wist dat dit het juiste voor hem was.
‘Jou wegsturen.’ Net als hij met Elayne en Aviendha had gedaan. ‘Als ik me ook maar een beetje had kunnen beheersen, zou ik nooit...’ Haar voet begon nog sneller te tikken. Misschien kon hij dat maar beter niet verder toelichten. Troosten? Licht! ‘Min, iedereen die me na staat, is in gevaar. De Verzakers zijn niet de enigen die mensen in mijn buurt kwaad willen berokkenen om mij daarmee te treffen. En ik denk ook aan mezelf. Ik kan mijn drift niet meer beheersen, Min. Ik heb Perijn bijna gedood! Cadsuane had gelijk. Ik word krankzinnig, of ik ben het al. Ik moet je wegsturen, voor je eigen veiligheid.’
‘Wie is die Cadsuane?’ zei ze zo kalm dat hij schrok van het feit dat ze nog steeds met haar voet tikte. ‘Alanna zei haar naam alsof zij de zuster van de Schepper zelf was. Nee, vertel het maar niet, wat maal ik erom.’ Maar ze gunde hem ook geen haarbreedte ruimte om dat wel te doen. ‘Dat van Perijn telt niet voor me. Je zou mij nog eerder kwaad doen dan Perijn. Ik denk dat dat grote openbare gevecht nep was. Zo, dat denk ik. Jouw buien interesseren me geen klap en het kan me niet schelen of je krankzinnig bent. Zo gek kun je nog niet zijn, anders zou je er niet zo bezorgd over zijn. Wat maakt het mij uit dat...’
Ze bukte zich, zodat haar heel grote, heel donkere ogen recht in de zijne konden kijken, niet al te ver van hem vandaan en opeens glansde er zo’n vervaarlijk licht in dat hij naar saidin greep om zich te verdedigen. ‘Mij voor mijn eigen veiligheid wegsturen?’ gromde ze. ‘Hoe durf je! Welk recht denk je te hebben om mij ergens heen te sturen? Je hebt mij nodig, Rhand Altor. Als ik je de helft van die beelden zou vertellen die ik rond jou zie, zou de helft van je haar gaan krullen en de rest meteen uitvallen! Waag het eens! Jij gunt de Speervrouwen elk gevaar dat zij willen en mij wil je als een klein kind wegsturen?’
‘Maar ik hou van jou. Niet van de Speervrouwen.’ Diep in de gevoelloze Leegte zwevend hoorde hij de woorden aan zijn tong ontsnappen. De Leegte verbrijzelde geschokt en pijlsnel verdween elk stroompje saidin.
‘Goed,’ zei Min, zich oprichtend. Een klein glimlachje rondde haar lippen nog iets meer. ‘Dat is dan opgelost.’ Waarna ze op zijn schoot ging zitten.
Ze had gezegd dat hij nog eerder Perijn pijn zou doen dan haar, maar nu moest hij haar wel pijn doen. Hij moest het doen, voor haar eigen bestwil, ‘Ik hou ook van Elayne,’ zei hij wild. ‘En van Aviendha. Zie je nou wat ik ben?’ Om de een of andere reden leek het haar helemaal niet van haar stuk te brengen.
‘Rhuarc houdt ook van méér dan een vrouw,’ merkte ze op. Haar glimlach leek bijna net zo sereen als die van een Aes Sedai. ‘Net als Bael, en ik heb op geen van beide mannen ooit Trollokhoorns gezien. Nee, Rhand, je houdt van me en dat kun je niet meer intrekken. Ik zou je aan spanhaken moeten hangen voor alles wat jij me hebt laten doormaken, maar... Je moet weten dat ik ook van jou hou.’ De glimlach verflauwde tot een frons, alsof ze inwendig met iets worstelde en ten slotte slaakte ze een zucht. ‘Het leven zou soms een stuk gemakkelijker zijn als mijn tantes me niet hadden geleerd eerlijk te zijn,’ mopperde ze. ‘En eerlijk is eerlijk, Rhand, ik moet je vertellen dat Elayne ook van je houdt. Net als Aviendha. Als die twee vrouwen van Mandelain van hem kunnen houden, neem ik aan dat drie vrouwen het kunnen klaarspelen van jou te houden. Maar ik ben hier en als je tracht mij weg te sturen, bind ik me aan je been vast.’ Ze trok haar neus op. ‘Als je je tenminste weer gaat wassen. Maar weggaan doe ik niet, wat er ook mag gebeuren.’
Net als een kindertol draaide alles in zijn hoofd als een razende rond. ‘Jij... je houdt van mij?’ zei hij ongelovig. ‘Hoe weet jij wat Elayne voelt? Hoe kun je iets weten van Aviendha? Licht, Mandelain kan doen wat hij wil, Min, maar ik ben geen Aiel.’ Hij fronste. ‘Wat zei je ook weer over mij? Maar de helft vertellen van wat je ziet? Ik dacht dat je me alles vertelde. En ik hoor je naar een veilige plek te sturen. En trek je neus niet zo raar op. Ik stink niet!’ Met een ruk trok hij zijn druk krabbende hand onder zijn jas uit.
Haar hoog opgetrokken wenkbrauw sprak boekdelen, maar natuurlijk kreeg haar tong ook een aandeel. ‘Waag je die toon tegen me aan te slaan? Alsof je het niet gelooft?’ Opeens werd haar stem met elk woord harder en haar vinger porde tegen zijn borst, alsof ze die dwars door zijn ribben wilde steken. ‘Denk jij dat ik naar bed ga met een man van wie ik niet hou? Denk je dat echt? Of denk je misschien dat je het niet waard bent om lief te hebben? Komt het daardoor?’ Ze liet het klinken als een kat onder een karrenwiel. ‘Dus dan ben ik een leeg-hoofdje dat verliefd wordt op een waardeloze schelm. Dat ben ik, hè? Jij zit hier maar met een open waffel als een zieke os en begoochelt mijn zinnen, mijn goede smaak en mij...’
‘Als je niet kalmeert en verstandig gaat praten,’ gromde hij, ‘zweer ik dat ik je een pak op je broek geef.’ Dat schoot hem zomaar te binnen, na vele nachten slapeloosheid en verwarring, maar nog voor hij een verontschuldiging had geformuleerd, glimlachte ze. Ze glimlachte! ‘Nou, gelukkig zit je niet meer te kniesoren,’ zei ze. ‘Ga nooit jammeren, Rhand, want je bent er niet goed in. Zo, dat is dat. Wil je wat gezond verstand? Ik hou van je en ik ga niet weg. Als je probeert mij weg te sturen, zal ik de Speervrouwen zeggen dat je mij onteerd en verstoten hebt. Ik zeg het tegen iedereen die wil luisteren. Ik ga...’
Hij hief zijn rechterhand en bekeek zijn handpalm, waar het reigerlitteken duidelijk afgetekend stond en keek haar vervolgens aan. Ze hield zijn hand behoedzaam in het oog en verschoof wat op zijn knieën waarna ze opzichtig alles negeerde, maar hem strak aankeek.
‘Ik ga niet, Rhand,’ zei ze kalm. ‘Je hebt me nodig.’
‘Hoe speel je het klaar?’ verzuchtte hij, achteroverleunend in zijn stoel. ‘Zelfs als je me op de kop zit, maak je mijn zorgen al minder.’
Min snoof. ‘Ze moeten je vaker op de kop zitten. Vertel eens, die Aviendha, ik neem aan dat er weinig kans is dat ze broodmager is en vol littekens zit, zoals Nandera, hè?’
Onwillekeurig lachte hij. Licht, hoe lang was het geleden dat hij met plezier had gelachen? ‘Min, ik zou kunnen zeggen dat ze even knap is als jij, maar hoe kun je twee zonsopgangen vergelijken?’
Heel even keek ze hem met een klein glimlachje aan, alsof ze niet kon besluiten of ze verbaasd of opgetogen moest zijn. ‘Jij bent een heel gevaarlijke man, Rhand Altor,’ mompelde ze, zich langzaam bukkend. Hij voelde zich verdrinken in haar ogen. Al die keren dat ze eerder op zijn schoot had gezeten en hem had gekust, al die keren dat hij had gedacht dat ze slechts een boerenjongen plaagde, was hij bijna uit zijn vel gekriebeld en wilde haar eeuwig blijven kussen. Als zij hem nu weer kuste...