Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 165 166 167 168 169 170 171 172 173 ... 217
Перейти на страницу:

‘Dat twee Amyrlins onverwachts en binnen vijf jaar stierven,’ zei Seaine voorzichtig. Ze nam aan dat de ander op gebeurtenissen in de Toren zelf duidde. Eerlijk gezegd was ze zich pas zo’n vijftien jaar geleden met zaken van buiten de Toren gaan bezighouden, in de tijd dat ze tot Gezetene was verheven, krap een jaar na Pevara. En daarvoor had ze eigenlijk ook weinig oog gehad voor zaken in de Toren zelf. ‘Er stierven behoorlijk veel zusters in die jaren, als ik het me goed herinner. Beweer je nu dat... de Zwarte Ajah daar de hand in had?’ Daar! Ze had het gezegd, en de naam had haar tong niet verbrand.

‘Ik weet het niet,’ zei Pevara zacht en hoofdschuddend. ‘Je hebt er goed aan gedaan om je diep in de wijsbegeerte te storten. Er zijn toen... dingen... gedaan, Verzegeld tot de Vlam.’ Ze haalde wat moeizaam adem. Seaine drong niet aan. Zij had zelf iets gedaan wat aan verraad grensde door dat zegel te verbreken, en Pevara moest haar eigen keuzes maken. ‘Het is veiliger om verslagen na te kijken dan vragen te stellen zonder dat je een idee hebt aan wie je ze in werkelijkheid stelt. Een Zwarte zuster moet in staat worden geacht te kunnen liegen, ondanks de Geloften.’ Anders zou de Zwarte Ajah allang ontmaskerd zijn. Die naam scheen door het gebruik gemakkelijker over de lippen te komen. ‘Als een zuster heeft geschreven dat ze het ene gedaan heeft, terwijl wij kunnen aantonen dat ze iets anders deed, hebben we een Duistervriend gevonden.’

Pevara knikte. ‘Ja. De Zwarte Ajah heeft wellicht niet de hand in de opstand gehad, maar ik kan me niet voorstellen dat ze deze onrust voorbij laten gaan zonder er garen bij te spinnen. Ik geloof dat we heel goed naar het voorbije jaar moeten kijken.’

Daar stemde Seaine met tegenzin in toe. Ze zouden minder papieren hoeven lezen en meer vragen moeten stellen over de laatste maanden.

Het was nog moeilijker om te beslissen wie er nog meer bij het onderzoek betrokken kon worden. Vooral na wat Pevara had gezegd. ‘Het was erg dapper van je om naar me toe te komen, Seaine. Ik heb Duistervrienden gekend die broeders, zusters of ouders om het leven hebben gebracht om te verbergen wat ze waren en wat ze gedaan hadden. Daarom hou ik van je, maar je bent echt heel dapper geweest.’

Seaine huiverde, alsof er een gans over haar graf had gelopen. Als ze dapper had willen zijn, had ze Groen gekozen. Ze wenste bijna dat Elaida naar iemand anders was gegaan. Maar ze kon nu niet meer terug.

33

Een bad

Voor Rhand leken de dagen eindeloos te duren sinds hij Perijn had weggestuurd, en de nachten leken ook langer. Hij trok zich in zijn kamers terug en bleef er, na de Speervrouwen te hebben gezegd niemand toe te laten. Alleen Nandera mocht de deuren met de gouden zonnen voorbij om hem eten te brengen. De pezige Speervrouw zette dan een blad met een doek erover neer en noemde de mensen die hem wilden spreken. Vervolgens keek ze hem verwijtend aan, wanneer hij herhaalde niemand te willen zien. Vaak hoorde hij afkeurende opmerkingen van de Speervrouwen buiten voor ze de deur achter zich dichttrok. Dat was hun bedoeling ook, anders zouden ze handtaai hebben gebruikt, maar als ze dachten hem te prikkelen door te beweren dat hij als een klein kind zat te dreinen... De Speervrouwen begrepen het niet en zouden dat ook na zijn uitleg niet doen. Als hij zin had om het uit te leggen.

Hij zat zonder veel trek in zijn eten te prikken en probeerde te lezen, maar zelfs zijn lievelingsboeken konden hem slechts enkele bladzijden lang afleiden. Hoewel hij zich had voorgenomen dat niet te doen, tilde hij minstens eenmaal per dag de enorme klerenkast van glanzend zwarthout en ivoor in zijn slaapkamer op, liet hem op stromen Lucht opzij zweven en ontknoopte behoedzaam de vallen en strikken die hij had geplaatst, en de Spiegel der Nevelen waardoor de muur glad en vlak leek, alles in omkering, zodat alleen zijn ogen het konden zien. Daar stonden in een nis die met de Kracht was uitgehold, twee kleine beeldjes van wit steen, ongeveer een voet hoog, een vrouw en een man, beiden in vloeiende gewaden en met een opgestoken hand waarin een kristallen bol lag. In de nacht dat hij het leger op mars naar Illian had gestuurd, was hij in z’n eentje naar Rhuidean gegaan om deze ter’angrealen te halen. Als hij ze nodig had, zou hij mogelijk niet zoveel tijd hebben. Dat maakte hij zichzelf tenminste wijs. Zijn hand reikte dan naar de gebaarde man. het enige beeld van het stel dat door een geleider gebruikt kon worden, waarna hij zijn arm afwachtend en bevend nog verder strekte. Als een vinger dat beeld aanraakte, zou een onvoorstelbaar veel groter deel van de Ene Kracht het zijne zijn. Daarmee kon niemand hem verslaan, niemand hem bestrijden. Daarmee kon hij volgens Lanfir de Schepper uitdagen.

‘Het is mijn recht. Dit is van mij!’ fluisterde hij telkens weer, terwijl zijn hand er trillend vlakbij bleef zweven. ‘Het mijne. Ik ben de Herrezen Draak!’

En telkens dwong hij zich zijn hand terug te trekken, de Spiegel der Nevelen weer te weven en de onzichtbare strikken terug te plaatsen, strikken die iedereen die er zonder sleutel bij probeerde te komen tot as zouden verzengen. De enorme kledingkast zweefde als een veertje weer op zijn plek. Hij was de Herrezen Draak. Maar was dat genoeg? Dat zou het moeten zijn.

‘Ik ben de Herrezen Draak,’ fluisterde hij tegen de muren; soms schreeuwde hij het. ‘Ik ben de Herrezen Draak!’ Stil en luid tierde hij tegen hen die tegenstand boden, de blinde dwazen die niet konden zien en zij die het door hun eerzucht, hebzucht of vrees weigerden in te zien. Hij was de Herrezen Draak, de enige hoop van de wereld tegen de Duistere. En mocht het Licht de wereld daarbij helpen.

Maar zijn woedeaanvallen en gedachten over het gebruik van die ter’angreaal waren slechts pogingen om aan andere dingen te ontsnappen en dat wist hij. Eenzaam at hij zo nu en dan wat van zijn maaltijden, zij het elke dag minder, en probeerde wat te lezen, zij het zelden, en trachtte wat slaap te krijgen. Dat laatste probeerde hij met het verstrijken van de dagen steeds vaker, waarbij het hem niet kon schelen of de zon op was of niet. De slaap kwam in schichtige hazendutjes en wat zijn gedachten overdag plaagde, drong ook zijn dromen binnen en liet hem zo snel wakker schrikken dat hij geen enkele rust vond. Geen ban kon buitensluiten wat reeds binnen was. Hij moest het opnemen tegen de Verzakers en vroeg of laat tegen de Duistere zelf. Hij had te maken met dwazen die hem bestreden of ontvluchtten, terwijl hun enige hoop eruit bestond zich achter hem te scharen. Waarom lieten zijn dromen hem niet met rust? Uit één droom schoot hij altijd meteen wakker voor die goed en wel begonnen was, waarna hij wakend in bed lag, vol afkeer van zichzelf en afgemat door zijn gebrek aan slaap, maar de andere dromen... Hij verdiende ze allemaal, wist hij.

Hij zag Colavaere in zijn dromen, haar gezicht zwart en de sjaal die ze had gebruikt om zich op te hangen nog steeds diep begraven in het gezwollen vlees van haar nek. Colavaere, zwijgend en beschuldigend, met alle Speervrouwen die voor hem waren gestorven in stille starende rijen achter haar, alle vrouwen die vanwege hem gedood waren. Hij kende elk gezicht even goed als het zijne en al hun namen tot en met de laatste vrouw. Uit die dromen ontwaakte hij in tranen.

Honderden keren gooide hij Perijn dwars door de Grote Zaal van de Zon en honderden keren werd hij overmand door razende vrees en woede. Honderden keren had hij Perijn in zijn dromen gedood en was hij wakker geworden van zijn eigen gekrijs. Waarom had hij de Aes Sedai-gevangenen uitgekozen voor hun ruzie? Rhand probeerde niet aan hen te denken. Al vanaf het begin had hij zijn best gedaan hun bestaan te negeren. Ze waren te gevaarlijk om lang gevangen te houden en hij had geen idee wat hij met hen aan moest. Ze joegen hem angst aan. Soms droomde hij dat hij weer in die kist zat, droomde hij van Galina, Erian en Katerine en alle anderen die hem eruit haalden voor de afranseling. Hij droomde en snikte zelfs nog nadat hij zich ervan had overtuigd dat zijn ogen open waren en hij niet in de kist zat. Ze joegen hem angst aan, omdat hij bang was dat hij misschien door vrees en woede zou instorten en dan... Hij probeerde niet te denken aan wat hij dan misschien zou doen, maar soms droomde hij ervan en werd hij badend in het koude zweet wakker. Dat zou hij niet doen. Wat hij verder ook had gedaan, dat zou hij niet doen.

1 ... 165 166 167 168 169 170 171 172 173 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)