Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Talene Minli kwam voor haar een hoek om. Ze had haar stola niet gewoon om haar schouders, maar zodanig over haar armen gevlijd dat de groene franje duidelijk zichtbaar was. Nu ze erover nadacht, besefte ze dat elke Groene vanmorgen de stola had gedragen. De goudblonde, statige en knappe Talene had in de Zaal gestaan om Siuan af te zetten, maar ze was naar de Toren gekomen toen Seaine een Aanvaarde was, en dat besluit had geen gevolgen gehad voor hun lange vriendschap. Talene had redenen gehad, die Seaine aanvaardde, hoewel zij het er niet mee eens was. Vandaag bleef haar vriendin slechts behoedzaam staan kijken. Vele zusters leken elkaar sinds kort zo in de gaten te houden. Een andere keer zou ze ook blijven staan, maar niet nu de kennis uit haar hoofd leek te barsten als het binnenste van een overrijpe meloen. Talene was een vriendin en ze dacht haar te kunnen vertrouwen, maar denken alleen was ditmaal niet genoeg. Later zou ze, als het kon, Talene aanspreken. Ze hoopte dat het mogelijk was en haastte zich nu met slechts een knikje voorbij.
In het Rode kwartier was de stemming zelfs nog slechter en de lucht dikker. Net als bij de andere Ajahs waren er tegenwoordig veel meer kamers dan zusters – dat was al heel lang zo, zelfs nog voor de eerste opstandeling gevlucht was – maar de Rode was de grootste Ajah, en alle verdiepingen waren nog steeds in gebruik. Rode zusters droegen hun stola’s regelmatig, ook als het niet nodig was, maar nu droeg elke vrouw haar rode franje als een banier. Bij Seaines nadering vielen de gesprekken stil en koude ogen volgden haar in een bol van ijzige stilte. Ze voelde zich een indringster, diep in vijandelijk gebied, terwijl ze over die merkwaardige witte vloertegels met de rode traanvormige Vlam van Tar Valon liep. Maar ja, elk deel van de Toren kon nu vijandelijk gebied zijn. Als je het op een andere manier bekeek, konden die dieprode tranen gezien worden als rode Drakentanden. Ze had die onzinnige verhalen over de Roden en valse Draken nooit geloofd, maar... Waarom wilde niemand ze ontkennen?
Ze moest om de weg vragen, ‘Ik wil haar niet storen als ze het druk heeft,’ zei ze. ‘Wij waren vroeger goede vriendinnen, en ik wil dat dat weer zo is. De Ajahs kunnen zich nu minder dan ooit veroorloven om uit elkaar te drijven.’ Dat was waar, hoewel de Ajahs meer uiteen dreigden te vallen dan te drijven, maar de Domani luisterde met een gezicht als was het in koper gegoten. Niet veel Roden kwamen uit Arad Doman, en de paar die daar wel vandaan kwamen, waren gewoonlijk nog venijniger dan in een omheining verstrikte slangen.
‘Ik zal je de weg wijzen, Gezetene,’ zei de vrouw ten slotte, en niet bepaald beleefd. Ze ging haar voor en bleef wachten toen Seaine op de deur klopte, alsof ze hier in haar eentje niet vertrouwd kon worden. Ook de deurpanelen hadden een ingesneden Vlam, gelakt in de kleur van vers bloed.
‘Kom binnen!’ riep een ferme stem. Seaine deed de deur open en hoopte dat ze er goed aan deed.
‘Seaine!’ riep Pevara opgewekt uit. ‘Wat brengt jou deze morgen hier? Kom erin! Doe de deur dicht en ga zitten.’ Het was alsof alle jaren sinds hun gezamenlijke novice- en Aanvaardentijd wegsmolten. Pevara was nogal mollig en niet erg groot – eigenlijk was ze voor een Kandoraanse tamelijk klein – maar haar ogen twinkelden en ze had een gulle glimlach. Het was jammer dat ze Rood had gekozen, al had ze nog zulke goede redenen, want ze vond mannen nog steeds aardig. De Rode Ajah trok vrouwen aan die van nature achterdocht koesterden ten opzichte van mannen, maar er waren er ook die Rood kozen omdat ze de taak om geleiders te vinden belangrijk achtten. Maar of ze mannen nu aardig vonden, een afkeer van ze hadden of onverschillig tegenover hen stonden, er waren niet veel Rode zusters die niet vroeg of laat een vooringenomen kijk op alle mannen kregen. Seaine vermoedde dat Pevara vlak na het verkrijgen van de stola gestraft was, omdat ze had opgemerkt dat ze graag een zwaardhand zou willen. Nu ze hoger in de rangorde van de Zaal stond, had ze openlijk gezegd dat zwaardhanden het werk van de Rode Ajah gemakkelijker zouden maken.
‘Wat ben ik blij jou te zien,’ zei Pevara, toen ze eenmaal zaten. De van spiralen voorziene leunstoelen waren zo’n honderd jaar geleden kenmerkend geweest voor Kandor. Ze hadden tere met vlinders beschilderde kopjes blauwbessenthee in hun handen, ‘Ik heb er vaak over gedacht om je weer eens op te zoeken, maar ik moet toegeven dat ik bang was voor wat je zou zeggen nadat ik je zoveel jaar terug had laten vallen. Gezworen op het zwaard, Seaine, ik zou het niet gedaan hebben als Tesien Jorhald me niet zowat bij m’n nekvel had gegrepen, en ik nog maar net de stola had en ruggengraat miste. Kun je me vergeven?’
‘Natuurlijk kan ik dat,’ zei Seaine. ‘Ik begrijp het.’ De Roden ontmoedigden onvervaard elke vriendschap buiten hun Ajah. Heel onvervaard en heel deskundig. ‘Als we jong zijn, kunnen we niet tegen onze Ajahs ingaan, en later lijken we onmogelijk op onze schreden terug te kunnen keren. Duizenden keren heb ik teruggedacht aan onze gefluisterde gesprekken na Volgong. En het kattenkwaad dat we samen uithaalden! Weet je nog hoe we Serancha’s nachthemd volstopten met stekeleik? Ik moet wel beschaamd toegeven dat er iets heel beangstigends nodig was om me in beweging te krijgen. Ik wil weer vriendinnen zijn, maar ik heb ook je hulp nodig. Je bent de enige die ik beslist kan vertrouwen.’
‘Serancha was toen al een opgefokte pauw, en dat is ze nu nog,’ lachte Pevara. ‘Ze hoort echt bij de Grijzen. Maar jij bang? Dat kan ik me niet voorstellen. Pas als we weer in bed lagen, besloot jij weloverwogen dat het redelijk was om ergens bang voor te zijn. Zolang ik niet hoef te beloven om tegenover de Zaal te staan zonder te weten waarvoor, kun je alle mogelijke hulp krijgen, Seaine. Wat heb je nodig?’
Nu de zaak aan de orde kwam, aarzelde Seaine. Ze nipte van haar thee. Niet dat ze ook maar even aan Pevara twijfelde, maar... het was moeilijk om de woorden over haar lippen te krijgen. ‘Vanmorgen kwam de Amyrlin mij opzoeken,’ zei ze ten slotte. ‘Ze gebood mij iets te gaan onderzoeken. Verzegeld tot de Vlam.’ Pevara fronste de wenkbrauwen, maar ze zei niet dat Seaine er in dat geval niet over mocht spreken. Als meisje had Seaine het vaakst de plannen voor hun kattenkwaad beraamd, maar de vermetele Pevara was op de meeste ideeën gekomen. ‘Ze was heel omzichtig, maar na enig nadenken werd me duidelijk wat ze wilde. Ik word geacht om...’ Op het laatst ontbrak het haar tong aan moed. ‘Om... op jacht te gaan naar Duistervrienden in de Toren.’
Pevara’s ogen, die even zwart waren als de hare blauw, werden als steen en gleden naar de schoorsteenmantel waar de portretjes van haar familie een rechte rij vormden. Ze waren allemaal omgekomen toen zijzelf een novice was: ouders, broers en zusters, tantes en ooms. Iedereen. Omgebracht tijdens een snel onderdrukte opstand van Duistervrienden die ervan overtuigd waren dat de Duistere op het punt stond vrij te komen. Daardoor had Seaine zeker geweten dat ze haar kon vertrouwen. Daardoor had Pevara voor de Rode Ajah gekozen; al vond Seaine nog steeds dat ze evengoed de Groene had kunnen nemen, en daar veel gelukkiger zou zijn geweest. Pevara geloofde dat een Rode zuster op jacht naar geleiders de meeste kans had om Duistervrienden te vinden. Ze was er heel goed in geweest; die mollige buitenkant verborg een kern van staal. En ze bezat de moed om kalmpjes te zeggen waartoe Seaine niet in staat was.
‘De Zwarte Ajah. Zozo. Geen wonder dat Elaida zo omzichtig was.’
‘Pevara, ik weet dat ze hun bestaan nog feller heeft ontkend dan drie zusters bij elkaar, maar ik ben er heel zeker van dat ze dat bedoelt, en als zij ervan overtuigd is...’
Haar vriendin wuifde het weg. ‘Je hoeft me niet te overtuigen, Seaine. Ik was al overtuigd van het bestaan van de Zwarte Ajah sinds...’ Vreemd genoeg aarzelde Pevara even en tuurde in haar kopje als een waarzegster op een jaarmarkt. ‘Wat weet je van de gebeurtenissen onmiddellijk na de Aiel-oorlog?’