Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Elaida’s tong voelde aan als bevroren. De bedreiging had niet duidelijker kunnen zijn. ‘Wat je vannacht gehoord hebt is Verzegeld tot de Vlam,’ zei ze met dikke stem, maar nog voor de woorden haar ontsnapten, wist ze al dat die niets waard waren.
‘Als je mijn raad liever in de wind slaat...’ Alviarin zweeg en wilde zich omdraaien.
‘Wacht!’ Elaida trok haar hand terug, die ze onbewust had uitgestoken. Ontdaan van de stola. Gesust. En zelfs daarna zouden ze haar laten krijsen. ‘Welke...?’ Ze moest ophouden en slikken. ‘Welke raad biedt mijn Hoedster?’ Er moest een manier zijn om dit alles tegen te houden.
Alviarin zuchtte en kwam weer dichterbij. Nog dichterbij zelfs; veel te dichtbij voor wie dan ook om voor de Amyrlin Zetel te staan. Hun rokken raakten elkaar bijna. ‘Allereerst moet je, vrees ik, Toveine overlaten aan wat haar te wachten staat, nu tenminste. En Galina eveneens, en wie er verder gevangen is, of dat nu door de Aiel of de Asha’man is gebeurd. Elke reddingspoging betekent ontdekking.’
Elaida knikte langzaam. ‘Ja, dat begrijp ik.’ Ze kon haar verschrikte blik niet van de dwingende ogen van de ander afwenden. Er moest een manier zijn! Dit kon zo niet doorgaan!
‘En ik denk dat het tijd is om je besluit omtrent de Torenwacht te herzien. Denk je eigenlijk niet dat het beter is de Wacht uit te breiden?’ ik... zie duidelijk in dat dat nodig is.’ Licht, ze moest nadenken! ‘Geweldig,’ murmelde Alviarin, en Elaida werd rood van machteloze woede. ‘Morgen ga je persoonlijk de kamers van Josaine doorzoeken, en die van Adelorna.’
‘Waarom zou ik in Lichtsnaam....?’
Alviarin trok opnieuw aan haar gestreepte stola, harder deze keer, bijna alsof ze hem er af wilde trekken of haar nek ermee door wilde zagen. ‘Blijkbaar heeft Josaine een paar jaar geleden een angreaal gevonden en die nooit ingeleverd. Adelorna is nog erger, vrees ik. Ze verwijderde zonder toestemming een angreaal uit een van de opslagkamers. Als je ze gevonden hebt, maak je onmiddellijk hun straf bekend. Een flinke. Tegelijkertijd stel je Doraise, Kivoshi en Farellien tot voorbeeld als toonbeeld van hoe de wet moet worden gehandhaafd. Je geeft elk van hen een geschenk; een fraai paard kan volstaan.’
Elaida vroeg zich af of haar ogen niet uit haar hoofd rolden. ‘Waarom?’ Soms behield een zuster ondanks de regels een angreaal, maar de straf was zelden meer dan een stevige vermaning. Iedere zuster kende de verleiding. En de rest! Het gevolg was voorspelbaar. Iedereen zou geloven dat Doraise en Kiyoshi en Farellien de andere twee hadden aangebracht. Josaine en Adelorna waren Groen, de anderen Bruin, Grijs en Geel. De Groene Ajah zou woedend zijn. Ze zouden weieens kunnen proberen om het de anderen betaald te zetten, wat de andere Ajahs dan weer laaiend zou maken, en... ‘Waarom wil je dit doen, Alviarin?’
‘Elaida, voor jou zou het voldoende moeten zijn dat het mijn raad is.’ Het spottende, honingzoete ijs werd koud ijzer, ‘Ik wil je horen zeggen dat je gaat doen wat je opgedragen is. Voor mij heeft het anders geen zin om die stola om je hals te houden. Zeg het!’
‘Ik...’ Elaida probeerde weg te kijken. O Licht, ze moest nadenken. Er zat een dikke knoop in haar maag. ‘Ik zal... doen... wat me... opgedragen is.’
Alviarin toonde wederom haar kille glimlach. ‘Zie je nou, dat was toch niet zo pijnlijk.’ Plotseling deed ze een stap terug en spreidde haar rok voor een kleine knix. ‘Met jouw toestemming zal ik me terugtrekken, zodat je nog wat slaap kunt vatten in wat er van de nacht rest. Je hebt een vroege ochtend in het vooruitzicht nu je de Hoofdkapitein Chubais bevelen moet geven en kamers moet doorzoeken. We dienen ook nog te beslissen wanneer we de Toren op de hoogte brengen van de Asha’man.’ Haar toon maakte duidelijk dat zij de enige was die deze beslissing nam. ‘En misschien zouden we plannen moeten maken voor onze volgende stap tegen Altor. Het is tijd dat de Toren hem openlijk oproept zich te onderwerpen, vind je niet? Denk er goed over na. Ik wens je een goede nacht, Elaida.’
Verdwaasd zag Elaida haar gaan. Ze wilde overgeven. Een oproep om zich te onderwerpen? Dat zou een aanval uitlokken van die – hoe had dat mens hen genoemd? – van die Asha’man. Dit kon haar niet overkomen. Haar niet! Voor ze besefte wat ze deed, smeet ze de roemer dwars door de kamer tegen een wandkleed met bloemen aan stukken. Ze greep de karaf met beide handen, tilde die krijsend van woede op en smeet die ook weg in een nevel van vruchtenwijn. De Voorspelling was zo duidelijk geweest! Ze zou...!
Ineens stond ze stokstijf stil en staarde naar de fijne kristalsplinters die aan het wandkleed bleven hangen, terwijl de grotere scherven over de vloer verspreid waren. De Voorspelling. Die had beslist gesproken van haar overwinning. Haar triomf. Alviarin mocht dan een kleine overwinning behaald hebben, de toekomst was aan Elaida. Als ze Alviarin tenminste kon lozen. Maar het moest verholen gebeuren, en op zo’n manier dat ook de Zaal het stil wenste te houden. Een manier die niet op Elaida wees tot het te laat was, mocht het Alviarin voor de wind gaan. En plotseling kwam er een reden bij haar op. Alviarin zou het niet geloven als het haar verteld werd. Niemand zou het geloven.
Als Alviarin haar had zien glimlachen, zouden haar knieën hebben geknikt. Voor ze met haar klaar was, zou Alviarin Galina benijden, dood of levend.
Alviarin bleef in de gang buiten de verblijven van Elaida stilstaan en bekeek haar handen bij het licht van de lampen. Ze beefden niet, en dat verraste haar. Ze had verwacht dat de ander harder zou vechten, meer weerstand zou bieden. Maar het was begonnen, en ze had niets te vrezen. Tenzij Elaida te weten zou komen dat de laatste paar dagen niet minder dan vijf Ajahs haar een bericht over Altor hadden doorgegeven; het afzetten van Colavaere had alle ogen-en-oren van de Ajahs naar de pen doen grijpen. Nee, als Elaida erachter kwam, was ze veilig genoeg, nu ze de vrouw in haar greep had, en Mesaana haar opdrachtgeefster was. Maar met Elaida was het gedaan, of ze dat nu besefte of niet. Zelfs als de Asha’man hun vernietiging van Toveines veldtocht niet zouden rondbazuinen – en ze was er zeker van dat ze die zouden verpletteren, na wat Mesaana haar had verteld over de gebeurtenissen bij Dumais Bron – zouden alle ogen-en-oren in Caemlin vleugels krijgen als ze ervan hoorden. En tenzij er een wonder geschiedde, zoals het verschijnen van de opstandelingen aan de poorten, zou Elaida binnen een paar weken het lot van Siuan Sanche delen. Hoe dan ook, het was begonnen, en als ze wilde weten wat ‘het’ was, hoefde ze slechts te gehoorzamen. En toe te kijken. En te leren. Misschien zou ze na dit alles zelf de zevenkleurige stola dragen.
Het vroege zonlicht stroomde in de ochtend door de kamer waar Seaine Herimon haar pen in de inkt doopte. Maar voor ze het volgende woord had kunnen neerschrijven, ging de deur open en vloog de Amyrlin Zetel naar binnen. Seaines zware wenkbrauwen schoten omhoog. Ze had iedereen verwacht, misschien zelfs Rhand Altor, maar nooit Elaida in eigen persoon. Hoe dan ook, ze legde de pen neer en kwam vlot overeind, terwijl ze haar zilverwitte mouwen omlaaghaalde. Ze had ze opgetrokken om er geen inktvlekken op te krijgen. Seaine maakte een knix die paste voor een Gezetene in haar eigen kamer tegenover de Amyrlin Zetel.
‘Ik hoop dat u geen Witte zusters heeft gevonden die angrealen verborgen houden, Moeder.’ Dat hoopte ze vurig. Sinds Elaida een paar uur geleden de Groenen keihard had aangepakt, terwijl de meesten nog sliepen, was het gejammer en tandengeknars niet van de lucht geweest. Voor zover zij zich kon herinneren was voor het achterhouden van een angreaal nog nooit iemand met de roede bestraft, en nu zouden het er twee worden. De Amyrlin moest een van haar beruchte kille woedeaanvallen gehad hebben.