De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Vlug zette hij het tinnen blik naast zich neer, plaatste zijn stok tegen de wand van de Steen en trok met een zwaai de bundel van zijn rug. Haastig propte hij die de gleuf in en duwde hem zo ver mogelijk naar binnen. Het lawaai moest zoveel mogelijk daarbinnen klinken. Hij trok een punt van de oliedoek opzij, waardoor de in elkaar geknoopte lonten zichtbaar werden. In zijn kamer had hij na enig nadenken de langere lonten al ingekort, waardoor ze allen even lang werden. De resten had hij gebruikt om alle lonten met elkaar te verbinden. Het leek hem dat ze nu allemaal tegelijk af zouden gaan met zoveel gedonder en gebliksem dat iedereen die niet volkomen doof was, voor de gek werd gehouden.
Het deksel van het blik was nu zo heet dat hij tweemaal op zijn vingers moest blazen voor hij het open kon gooien. Hij wou maar dat hij het kunstje kende waarmee Aludra de lantaarn zo gemakkelijk had aangestoken. Het donkere stukje houtskool was nu zichtbaar op een laagje zand. Het hengsel ging eraf om als tang te dienen en na enig geblaas begon het kooltje weer te gloeien. Hij streek het langs de lonten en gooide tang en kooltje naar beneden toen de lonten sissend tot leven kwamen. Hij greep zijn vechtstok en schoot over de muur terug naar het dak.
Dit is waanzin, dacht hij onder het rennen. Het kan me niet schelen of het een ontzettende herrie maakt, maar ik kan m’n stomme nek breken door zo te ho...
De donderende klap achter hem was luider dan hij ooit van z’n leven had gehoord. Een monsterachtig grote vuist trof zijn rug en perste alle lucht uit zijn longen voor hij plat op zijn buik op de muur belandde. Hij kon nog net zijn vechtstok grijpen die over de rand verdween. Heel even bleef hij liggen en probeerde weer lucht te krijgen. Hij dacht er maar liever niet aan dat hij ditmaal zijn geluk écht volledig had verbruikt door niet van de muur te vallen. Zijn oren tuitten alsof hij alle klokken van Tar Valon hoorde.
Hij duwde zich voorzichtig omhoog en keek om naar de Steen. Rook wolkte rond de spleet. Achter de rook leek de schaduw van de sleuf anders. Groter. Hij begreep niet hoe of waardoor, maar hij leek groter te zijn.
Hij gunde zich weinig tijd om na te denken. Aan de ene kant van de muur zat Sandar wellicht te wachten, misschien met het plan hem als zogenaamde gevangene de Steen in te brengen, of misschien repte hij zich nu haastig met soldaten terug naar het dak. Aan de andere kant van de muur kon hij misschien zelf de Steen binnenkomen en liep hij niet het gevaar door Sandar te worden verraden. Hij snelde weer terug naar de schietsleuf en maakte zich niet langer bezorgd over de duisternis of de diepte aan beide kanten van de muur. De spleet was groter. De kleinere stenen in het midden waren gewoon verdwenen, waardoor er een ruw gat zat, alsof iemand er heel lang met een moker op had staan beuken. Een gat waar een man net doorheen kon. Hoe in Lichtsnaam? Er was geen tijd voor verbazing. Hij perste zich de ruwe opening in, kuchend door de bijtende rook, en sprong op de grond. Hij had al een tiental stappen gezet toen er minstens tien verward schreeuwende Verdedigers van de Steen opdoken. De meesten droegen slechts een hemd en niemand had een helm op of een kuras om. Sommigen hadden een lantaarn, anderen een getrokken zwaard.
Stommeling! schreeuwde hij zichzelf toe. Hiervoor heb je die bloed-dingen op de eerste plaats afgestoken. Lichtverblinde stommeling! Hij had geen tijd om zich op de muur terug te trekken. Met tollende vechtstok stortte hij zich op de soldaten voor ze de kans kregen zich te verweren. Hij belandde tussen hen in, raakte hoofden, zwaarden en knieën, alles wat hij kon raken, in de wetenschap dat het er te veel waren. Hij besefte dat deze domme worp met de stenen elke kans voor Egwene en de anderen om zeep had geholpen.
In het licht van de lantaarns die de mannen hadden laten vallen om hun zwaard te grijpen, stond Sandar opeens naast hem en zijn dunne stok wervelde zelfs nog sneller dan Marts vechtstok. Gevangen tussen twee stokvechters vielen de soldaten als kegels op een baan neer. Sandar staarde hoofdschuddend naar de gevallen mannen. ‘Verdedigers van de Steen! Ik heb Verdedigers aangevallen! Ze zullen mijn hoofd op een blad...! Wat heb je met die sleuf gedaan, gokker? Dat licht en die donder die stenen verbrijzelden. Heb je de bliksem opgeroepen?’ Sandar begon te fluisteren. ‘Heb ik me aangesloten bij een geleider?’
‘Vuurwerk,’ zei Mart kortaf. Zijn oren tuitten nog, maar hij hoorde nog meer op steen stampende laarzen naderen. ‘De cellen, man! Breng me naar de cellen voor er nog meer komen.’
Sandar vermande zich. ‘Deze kant op!’ Hij schoot een zijgang in, weg van de naderende laarzen. ‘We moeten ons haasten! Ze zullen ons doden als ze ons vinden!’ Ergens boven hen begonnen gongen alarm te slaan en er klonken nog meer donderende klappen in de Steen. Ik kom eraan, dacht Mart toen hij achter de dievenvanger aan rende. Ik krijg jullie eruit of ik sterf! Dat beloof ik!
De noodgongen weergalmden daverend door de Steen, maar Rhand schonk ze even weinig aandacht als het gebulder dat hij eerder als gedempt gedonder van ergens beneden had opgevangen. Zijn zij deed pijn. De oude wond brandde, was tijdens zijn klim tegen de burchtmuur een verscheurende pijn geworden. Ook die pijn schonk hij geen enkele aandacht. Een scheve glimlach lag op zijn gezicht verstard, een afwachtende, bevreesde glimlach die hij niet had kunnen wegvegen, zelfs als hij dat gewild had. Het was nu zo dichtbij. Waarvan hij had gedroomd. Callandor.
Eindelijk kan ik het afmaken. Hoe dan ook, het zal voorbij zijn. De dromen, de verleiding, de spot en de jacht. Ik ga er een eind aan maken.
In zichzelf lachend haastte hij zich door de donkere gangen van de Steen van Tyr.
Egwene hield een hand voor haar gezicht en kromp ineen. Ze had een bittere smaak in haar mond en ze had dorst. Rhand? Wat? Waarom droom ik opnieuw van Mart, helemaal vermengd met Rhand en schreeuwend dat hij eraan komt? Wat?
Ze sloeg haar ogen op en staarde naar de grijze stenen muren en de walmende rietfakkel in de flikkerende schaduwen. Ze gilde toen ze zich alles herinnerde. ‘Nee! Ik laat me niet opnieuw ketenen! Ik wil geen halsband meer! Nee!’
Nynaeve en Elayne stonden meteen naast haar, probeerden haar te kalmeren, maar hun gewonde gezichten stonden zo bezorgd en bevreesd dat Egwene hen niet wilde geloven. Uiteindelijk hield ze op met gillen, doordat ze er waren, hier, gewoon bij haar. Ze was niet alleen. Gevangen, maar niet alleen. En niet met een halsband. Ze probeerde overeind te komen en ze hielpen haar. Ze moesten haar helpen, iedere spier deed pijn. Ze kon zich iedere onzichtbare klap van het handgemeen herinneren. Het had haar helemaal gek gemaakt toen ze besefte... Daar wil ik niet aan denken. Ik moet bedenken hoe we kunnen ontsnappen. Ze schoof naar achteren zodat ze tegen de muur kon leunen. Pijnscheuten vochten met haar uitputting. Die strijd na haar weigering zich over te geven, had haar laatste restje kracht gekost en de blauwe plekken leken zelfs nog meer kracht te zuigen. De cel was volkomen leeg, afgezien van hun drieën en de toorts. De vloer was kaal, koud en hard. De deur van ruwe planken, vol splinters, alsof ontelbare vingers er vergeefs aan hadden gekrabd, vormde de enige onderbreking van de muren. In de steen stonden boodschappen gekrast, de meeste in een bevend handschrift. Moge het Licht me genadig zijn en me laten sterven, was er een van. Ze zette dat uit haar hoofd.
‘Zijn we nog steeds afgeschermd?’ mompelde ze. Zelfs praten deed pijn. Toen Elayne knikte, besefte ze al dat ze het nier had hoeven vragen. De opgezette wang van de goudblonde vrouw en haar open lip en blauwe oog gaven voldoende antwoord, als haar eigen pijn het haar al niet verteld had. Als Nynaeve in staat was geweest de Ware Bron te bereiken, zouden ze zeker geheeld zijn.