De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Rhand is in Tyr.’ De koele stem van de Aes Sedai klonk uit de holte van haar kap op als uit een grot.
‘Weet je het zeker?’ vroeg Perijn. ‘Ik heb niet gehoord dat er iets vreemds gaande was. Geen bruiloften en geen opgedroogde bronnen.’ Hij zag Zarine verward fronsen. Moiraine was tegen haar niet gul met inlichtingen geweest, en hijzelf evenmin. Het was moeilijker gebleken om Loials tong in bedwang te houden.
‘Luister je nooit naar geruchten, smid?’ vroeg de zwaardhand. ‘Er zijn bruiloften geweest, in de laatste vier dagen evenveel als in het halve jaar ervoor. En evenveel moorden als in een heel jaar. Vandaag is er een kind van een balkon gevallen. Honderd pas naar de straatstenen. Ze stond weer op en rende zonder een schrammetje op haar moeder af. De Eerste van Mayene, die al sinds de winter te “gast” is in de Steen, heeft vandaag meegedeeld dat ze zich zal onderwerpen aan de wensen van de hoogheren, nadat ze gisteren nog had verklaard dat ze Mayene en zijn schepen liever in vlammen zag opgaan dan één Tyreense heer een stap in haar stad toe te staan. Ze waren nog niet aan hun martelpraktijken begonnen en die jonge vrouw heeft een ijzeren wil, dus vertel jij me maar of dit iets van Rhand is of niet. Smid, van hoog tot laag borrelt Tyr als een kookketel.’
‘Die dingen waren niet nodig om het mij duidelijk te maken,’ zei Moiraine. ‘Perijn, heb jij vannacht van Rhand gedroomd?’
‘Ja,’ gaf hij toe. ‘Hij stond in het Hart van de Steen en hield dat zwaard vast,’ – hij voelde hoe Zarine naast hem bewoog – ‘maar ik ben al zo bezorgd dat zo’n droom geen wonder is. Vannacht had ik de ene nachtmerrie na de andere.’
‘Een lange man?’ vroeg Zarine. ‘Met rossig haar en grijze ogen? Die iets vasthoudt dat zo fel glanst dat het pijn aan je ogen doet? Op een plek tussen heel veel grote roodstenen pilaren? Smidje, zeg me nou niet dat dat ook jouw droom was.’
‘Hoor je het?’ zei Moiraine. ‘Ik heb die droom vandaag al honderden keren horen vertellen. Ze hebben het allemaal over nachtmerries. Be’lal geeft waarschijnlijk niets om het afschermen van zijn dromen, maar ze spraken bovenal over die ene droom.’ Opeens lachte ze, een zacht, koel getinkel. ‘De mensen zeggen dat hij de Herrezen Draak is. Ze zeggen dat hij komt. Ze fluisteren het vol vrees in donkere hoekjes, maar ze zeggen het wel.’
‘Hoe staat het met Be’lal?’ vroeg Perijn.
Moiraines antwoord klonk koud als staal. ‘Vanavond ga ik met hem afrekenen.’ Ze rook totaal niet bang.
‘Wij gaan vanavond met hem afrekenen,’ merkte Lan tegen haar op. ‘Ja, gaidin. Wij gaan vanavond met hem afrekenen.’
‘En wat moeten wij? Hier zitten wachten? Dat wachten in de bergen was genoeg voor mijn hele leven, Moiraine.’
‘Jij en Loial – en Zarine – gaan naar Tar Valon,’ zei ze tegen hem. ‘Tot dit voorbij is. Dat is voor jullie de veiligste plek.’
‘Waar is de Ogier?’ vroeg Lan. ‘Ik wil dat jullie drieën zo spoedig mogelijk naar het noorden afreizen.’
‘Boven, neem ik aan,’ zei Perijn. ‘In zijn kamer of misschien in de eetkamer. Daarboven brandt licht achter de vensters. Hij werkt voortdurend zijn aantekeningen bij. Ik neem aan dat hij wel enkele bladzijden wil wijden aan het feit dat wij ertussenuit trekken.’ Hij was zelf verbaasd over de verbittering in zijn stem. Licht, stommeling, wil jij het tegen een Verzaker opnemen ? Wee. Nee, maar ik heb er genoeg van om telkens te vluchten. Ik herinner me dat ik vroeger nooit op de vlucht sloeg. Ik herinner me dat ik terugvocht en dat was beter. Zelfs als ik dacht dat ik zou sterven, was vechten beter.
‘Ik zal hem zoeken,’ kondigde Zarine aan. ‘Ik vind het geen schande om toe te geven dat ik met plezier voor deze strijd op de loop ga. Mannen vechten als ze moeten vluchten en dwazen vechten als ze behoren te vluchten. Maar waarom herhaal ik mezelf?’ Ze schreed voor hen uit en haar nauwe rijrok maakte ritselende geluiden toen ze de herberg binnenstapte.
Perijn keek de gelagkamer door toen ze achter haar aan naar de trap liepen. Aan de tafels zaten minder mensen dan hij verwachtte. Sommigen zaten slechts met doffe ogen voor zich uit te staren, maar aan tafels met twee of drie gasten werd bevreesd gefluisterd, zo zacht dat zijn oren het amper opvingen. Desondanks hoorde hij het woord ‘Draak’ driemaal.
Toen ze boven aan de trap waren, hoorde hij een dof geluid, een klap, alsof er in hun eetkamer iets viel. Hij tuurde de gang door. ‘Zarine?’ Er kwam geen antwoord. Hij voelde de haartjes achter in zijn nek kriebelen en stapte naar de kamer. ‘Zarine?’ Hij duwde de deur open. ‘Faile!’ Ze lag op de vloer naast de tafel. Toen hij de kamer wilde inrennen, hield een geschreeuwd bevel van Moiraine hem tegen. ‘Sta stil, dwaas! Als je leven je lief is, stop!’ Ze kwam langzaam door de gang aanlopen en wendde haar hoofd naar links en rechts alsof ze iets probeerde te horen of iets zocht. Lan volgde haar met een hand op zijn zwaard en met een blik in zijn ogen alsof hij al wist dat staal hier geen zin had. In de deuropening bleef ze staan. ‘Ga achteruit, Perijn! Ga achteruit!’
Wanhopig staarde hij naar Zarine. Naar Faile. Ze lag daar, schijnbaar levenloos. Uiteindelijk dwong hij zichzelf naar achteren te stappen, maar hij liet de deur open en bleef staan op een plek vanwaar hij haar nog kon zien. Ze leek wel dood. Hij kon niet zien of haar borst bewoog. Hij wilde huilen als een wolf. Met diepe rimpels in zijn voorhoofd bewoog hij de spieren van de hand waarmee hij de kamerdeur had opengeduwd. Zijn spieren prikkelden, alsof hij zijn elleboog had gestoten. ‘Ga je niet iets doen, Moiraine? Als jij het niet doet, ga ik naar haar toe.’
‘Blijf staan of je gaat nergens naar toe,’ zei ze kalm. ‘Wat ligt daar bij haar rechterhand? Alsof het uit haar vingers is gevallen toen ze viel? Ik kan het niet goed zien.’
Hij keek haar woest aan en tuurde toen strak de kamer in. ‘Een egel. Ziet eruit als een uit hout gesneden egel. Moiraine, vertel me wat er aan de hand is. Wat is er gebeurd? Zeg het me.’
‘Een egel,’ fluisterde ze. ‘Een egel. Wees stil, Perijn. Ik moet nadenken. Ik voelde hem dichtklappen. Ik voel het restje van de stromen die werden geweven om hem te plaatsen. Geest. Pure Geest, niets anders. Er is bijna niets dat alleen maar Geest gebruikt! Hoe komt het dat ik door die egel aan Geest denk?’
‘Je voelde wat dichtklappen, Moiraine? Wat was er geplaatst? Een val?’
‘Ja, een val,’ gaf ze toe terwijl haar ergernis barstjes in haar koele kalmte sloeg. ‘Een val die voor mij bestemd was. Ik zou als eerste die kamer zijn binnengelopen, als Zarine niet vooruit was gesneld. Lan en ik zouden daar zeker zijn binnengestapt om plannen te maken en op het eten te wachten. Dat doe ik nu zeker niet meer. Hou je rustig als je wilt dat ik iets voor het meisje doe. Lan! Haal de herbergier!’ De zwaardhand snelde de trap af.
Moiraine beende door de gang heen en weer en bleef soms even staan om vanuit de zwarte holte van haar kap naar binnen te kijken. Perijn kon nergens aan zien of Zarine nog in leven was. Haar borst bewoog niet. Hij probeerde of hij haar hart hoorde kloppen, maar dat was zelfs voor zijn oren onmogelijk.
Toen Lan terugkwam en een doodsbange Jurah Haret aan zijn nek voor zich uitschoof, stelde de Aes Sedai zich vierkant voor de kalende man op. ‘U hebt me beloofd deze kamer voor mij alleen te houden, baas Haret.’ Haar stem klonk hard en even scherp als een fileermes. ‘U zou zelfs geen dienstmeisje toestaan naar binnen te gaan om schoon te maken, tenzij ik erbij was. Wie hebt u daar binnengelaten, baas Haret? Zeg het me.’
Haret beefde als een slappe pudding. ‘A-alleen die twee v-vrouwen van adel, vrouwe. Z-ze w-wilden een ge-geschenk voor u neerzetten. Dat zweer ik, vrouwe. Z-ze hebben het me laten z-zien. Een egeltje. Z-ze zeiden dat u heel ver-verrast zou zijn.’