De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Hij ving de Verzaker op met het zwaard dat hij kende, de met saidin gemaakte kling van vuur. En werd achteruit gedreven. Neerdwarrelend blad ontmoette Zijde als water. Kat danst op de muur botste op Ever snelt de berg af. Rivier kalft de oever d/ kostte hem bijna zijn hoofd en hij moest onhandig opzij rollen terwijl het zwarte vuur zijn haren schroeide. Hij was snel weer op de been om Vallende stenen op te vangen. Methodisch en opzettelijk dreef Be’lal hem achteruit in een werveldans die Callandor steeds dichter naderde. Geschreeuw weerkaatste tussen de zuilen, geroep, het gekletter van staal, maar Rhand hoorde het amper. Hij en Be’lal waren niet langer alleen in het Hart van de Steen. Mannen in borstkurassen en helmen vochten met zwaarden tegen gesluierde schaduwvormen die met felle korte speren tussen de zuilen heen en weer sprongen. Enkele soldaten vormden een rij; pijlen flitsten uit de schemer naar hun halzen, naar hun gezichten en ze stierven naast elkaar. Rhand merkte de gevechten nauwelijks op, zelfs niet als er mannen op enkele passen afstand dood neervielen. Zijn eigen strijd was te wanhopig, hij had er al zijn aandacht bij nodig. Een vochtige warmte druppelde langs zijn zij. De oude wond brak weer open.
Opeens struikelde hij over een dode man die hij niet had gezien. Hij viel op de grond en belandde op de fluitkist die op zijn rug hing. Be’lal hief zijn zwaard van zwart vuur en snauwde: ‘Neem hem! Neem Callandor en verdedig jezelf! Neem hem of ik dood je nu! Als je hem niet neemt, verdelg ik je.’
‘Nee!’
Zelfs Be’lal schrok van de bevelende vrouwenstem. De Verzaker stapte achteruit, weg van Rhands rondzwaaiende zwaard en keek fronsend om naar Moiraine, die tussen de strijdenden aan kwam schrijden. Haar ogen waren strak op hem gericht en ze negeerde de stervenskreten om zich heen. ‘Ik dacht dat jij netjes uit de weg was geruimd, vrouw. Het maakt niet uit. Je bent alleen maar vervelend. Een stekend vliegje. Een bijter. Ik zal je bij de anderen in een kooi stoppen en je leren hoe je de Schaduw met je nietige krachten kunt dienen,’ besloot hij. Met een verachtelijke lach hief hij zijn vrije hand.
Moiraine was niet blijven staan, was door zijn woorden ook niet langzamer gaan lopen. Ze was nog geen dertig pas van hem af toen hij zijn hand ophief en zij eveneens beide handen hief.
Er gleed een korte verbaasde blik over het gezicht van de Verzaker en hij had nog net tijd om ‘Nee!’ te gillen. Toen schoot een straal wit vuur, heter dan de zon, uit de handen van de Aes Sedai, een gloeiende staaf die alle schaduwen verjoeg. Be’lal werd een gestalte van flikkerende stofjes, vlekjes die korter dan een hartenklop in het licht dansten, vlekjes die zich oplosten voor zijn gil was weggestorven.
Er viel een stilte in de zaal toen de staaf licht verdween, een doodse stilte, die alleen verbroken werd door het gekreun van de gewonden. Het vechten was gestaakt, de gesluierde mannen en de mannen in borstkurassen waren vereend in stilte, alsof ze verbijsterd waren, in één ding had hij gelijk,’ zei Moiraine even koel en kalm alsof ze midden in een weiland stond. ‘Je moet Callandor nemen. Hij was van plan je vervolgens om te brengen, maar het is je geboorterecht. Het zou beter zijn geweest als je meer had geweten voordat je dat gevest aanraakt, maar toch ben je nu zover en er is geen tijd om meer te leren. Neem het, Rhand.’
Zwepen van zwarte bliksemflitsen krulden zich om haar heen. Ze gilde toen die haar optilden en haar als een zak over de vloer smeten tot ze tegen een zuil tot stilstand kwam.
Rhand keek op naar de plek waar de bliksems vandaan gekomen waren. Daar bevond zich een diepere schaduw, vlak bij de top van een zuil, een zwartheid die alle andere schaduwen zo licht als een middag maakte. En uit die schaduw staarden twee vurige ogen hem aan. Langzaam daalde de schaduw neer en ging over in Ba’alzamon, gekleed in dodelijk zwart, als het zwart van een Myrddraal. Maar zelfs dat was niet zo donker als de schaduw die aan hem kleefde. Hij hing in de lucht, twee stap boven de vloer en bekeek Rhand met een woede die even fel brandde als zijn ogen. ‘Tweemaal in dit leven heb ik je de kans geboden mij levend te dienen.’ Al sprekend sloegen de vlammen uit zijn mond en ieder woord loeide als een hete oven. ‘Tweemaal heb je geweigerd en me verwond. Nu zul je de Heer van het Graf in de dood dienen. Sterf, Lews Therin Verwantslachter. Sterf, Rhand Altor. Je tijd is om! Ik neem je ziel!’
Toen Ba’alzamon zijn hand uitstak, krabbelde Rhand overeind en wierp zich in wanhoop naar Callandor, die nog midden in de lucht hing te fonkelen en te glinsteren. Hij wist niet of hij het zwaard kon bereiken of aanraken, maar hij was er zeker van dat het zijn enige kans was. Ba’alzamons slag raakte hem midden in de sprong, drong diep in hem door, scheurde hem open en vermorzelde hem. Het leek of een deel van hem zich wilde losscheuren. Rhand krijste. Het voelde aan alsof hij als een lege zak in elkaar stortte, alsof hij binnenstebuiten werd gekeerd. De pijn in zijn zij, de wond die hij bij Falme had opgelopen, was bijna welkom, iets om zich aan vast te klampen, een herinnering aan leven. Zijn handen kromden zich krampachtig. Om het gevest van Callandor. De Ene Kracht spoelde door hem heen, meer dan hij ooit verwacht had, een stortvloed van saidin in en uit het zwaard. De kristallen kling glom zelfs nog feller dan Moiraines staaf van vuur. Hij kon er onmogelijk in kijken, kon niet meer zien dat het een zwaard was; hij zag alleen het laaiende licht in zijn vuist. Hij bevocht de stroom, worstelde met het onverzettelijke tij dat hem dreigde mee te sleuren, dat alles het zwaard in wilde sleuren wat echt hemzelf was. Hij bleef een tel hangen, een tel die eeuwen duurde, wankelend, op de rand van de maalstroom, als zand in een stormvloed. Met oneindige traagheid vond hij zijn evenwicht terug. Het was alsof hij blootsvoets op het scherp van de snede boven een peilloze afgrond stond, maar desondanks vertelde iets hem dat dit het beste was wat hij mocht verwachten. Om zoveel van de Kracht te geleiden, moest hij op die snede dansen zoals hij de zwaardvormen had gedanst.
Hij wendde zich tot Ba’alzamon. Het scheuren in hem was gestopt zodra hij Callandor aanraakte. Er was slechts een moment verstreken, maar het leek eeuwen te hebben geduurd. ‘Jij krijgt mijn ziel niet!’ schreeuwde hij. ‘Deze keer zal ik er voor eens en altijd een eind aan maken! Ik zal er nu een eind aan maken!’ Ba’alzamon vluchtte, man en schaduw verdwenen. Heel even bleef Rhand fronsend kijken. Er was een gevoel geweest van... vouwen... toen Ba’alzamon wegging. Een verwringing, alsof Ba’alzamon op de een of andere wijze had verbogen wat was. Hij negeerde de mensen die hem aanstaarden, negeerde Moiraine die in een hoopje bij de zuil lag. Rhand reikte door Callandor heen en verboog de werkelijkheid om een deur naar elders te openen. Hij wist niet waar, behalve dat Ba’alzamon erheen was gegaan. ‘Nu ben ik de jager,’ zei hij, erdoorheen stappend.
De steen beefde onder Egwenes voeten. De Steen schudde; hij schalde. Ze hervond haar evenwicht en bleef staan luisteren. Er kwamen verder geen geluiden meer, geen nieuwe trilling. Wat er ook gebeurd was, het was voorbij. Ze haastte zich verder. Een deur van ijzeren tralies versperde haar de weg, met een slot dat even groot was als haar hoofd. Ze geleidde al Aarde voor ze bij de deur kwam, en toen ze tegen de tralies duwde, scheurde het slot doormidden.
Ze liep snel het vertrek erachter door en probeerde niet naar de voorwerpen aan de muren te kijken. Zwepen en ijzeren tangen waren nog het onschuldigst. Met een kleine rilling duwde ze een kleinere ijzeren poort open en belandde in een gang met vele houten deuren. Op regelmatige afstanden brandden riettoortsen in ijzeren houders. Ze voelde zich bijna even opgelucht doordat ze het marteltuig achter zich had gelaten, als door het vinden van wat zij zocht. Maar welke cel? De houten deuren gingen gemakkelijk open. Sommige waren niet afgesloten en de sloten op de andere deuren bleven even lang heel als het grote slot zojuist, maar iedere cel was leeg. Natuurlijk. Niemand zou zich in zo’n plek dromen. Iedere reiziger die Tel’aran’rhiod wist te bereiken, zou van een plezieriger plek dromen.