De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Het gaf hem een veiliger gevoel de Steen vanuit de schaduw te bekijken, maar niet bemoedigender. De stadsmuur was lang niet zo dik als andere die hij in Caemlin of Tar Valon had gezien, niet meer dan een pas breed, verstevigd door grote stenen steunberen die nu in het duister verborgen waren. Een pas was natuurlijk breed genoeg om te belopen, maar aan beide kanten betekende het een val van tien stap. In het donker, ver boven de straatstenen. Maar sommige bloedhuizen staan er met de achterkant tegenaan, dus ik kan er vrij simpel op komen en het loopt bloedrecht naar die vervloekte Steen! Dat was zo, maar de gedachte bood weinig troost. De zijkant van de Steen leek wel een bergwand. Terwijl hij de hoogte opnieuw opnam, sterkte hij zich met de gedachte dat hij het aankon. Natuurlijk kan ik dat. Net als die rotswanden in de Mistbergen. Ruim honderd pas steil omhoog tot de tinnen. Lager moesten er schietgaten zitten, maar in de nacht kon hij die niet zien. En hij kon zich niet door zo’n gat persen. Bloedvuur, zo’n honderd pas hoog. Misschien wel honderdtwintig. Ik mag branden, zelfs Rhand zou nooit proberen zoiets te beklimmen. Maar het was de enige weg die hij had gevonden. Iedere poort die hij had gezien, zat potdicht en leek sterk genoeg om een kudde stieren tegen te houden. Bovendien stond bij elke poort een wacht van een tiental soldaten met helmen en borstkurassen en zwaarden aan de zij. Opeens keek hij met knipperende ogen naar de zijkant van de Steen. Daar klom écht een dwaas omhoog, slechts zichtbaar als een bewegende schaduw in het maanlicht. Hij was al halverwege en er lag een diepte van zeventig pas onder hem. Dus dat is een dwaas? Nou, ik ben even stom, omdat ik ook naar boven ga. Bloedvuur, hij veroorzaakt daarbinnen waarschijnlijk een alarm, waarna ik gevangen word genomen. Hij kon de klimmer niet meer zien. Wie is dat in Lichtsnaam? Wat doet het ertoe wie het is? Bloedvuur, dit is een vervloekt slechte weddenschap. Ik zal van allemaal een kus eisen, zelfs Nynaeve! Hij verschoof om te zien of hij op de muur een plek kon vinden die te beklimmen was en opeens voelde hij staal tegen zijn hals. Instinctief sloeg hij het weg en veegde met zijn stok de benen onder de bewapende man vandaan. Iemand anders schopte zijn voeten weg en hij viel bijna boven op de man die hij ten val had gebracht. Hij rolde weg over de dakpannen, waardoor hij de rol vuurwerk verloor. Als dat op de straat valt, breek ik hun nek! Zijn stok wervelde rond; hij voelde hoe die vlees trof en hoorde wederom gegrom. Toen werden er twee speerpunten tegen zijn keel gedrukt.
Hij verstarde met uitgespreide armen. De punten van twee korte speren, dof, zodat ze nauwelijks het zwakke licht van de maan opvingen, prikten stevig in zijn huid, maar het begon nog niet te bloeden. Zijn ogen gleden omhoog naar de gezichten van de onbekenden, maar ze hadden doeken om het hoofd en zwarte sluiers bedekten hun gezicht, behalve hun ogen, die hem fel aanstaarden. Bloedvuur, ik ben tegen echte dieven opgelopen! Wat is er met mijn geluk gebeurd? Hij mat zich een grijns aan, met heel veel wit van zijn tanden, zodat ze dat in het donker goed konden zien. ‘Ik ben niet van plan jullie werk te onderbreken, dus als jullie mij laten gaan, kunnen jullie verder en zal ik niks zeggen.’ De gesluierde mannen bewogen niet, hun speren evenmin, ik wil net zomin waarschuwingskreten als jullie. Ik zal jullie niet verraden.’ Ze bleven als standbeelden op hem neerkijken. Bloedvuur, ik heb hier geen tijd voor. Tijd om de stenen te laten rollen. Een ijzingwekkend moment dacht hij dat de woorden in zijn hoofd vreemd klonken. Hij klemde zijn vechtstok naast hem nog steviger vast en gaf bijna een schreeuw toen iemand op zijn pols ging staan. Hij keek opzij om te zien wie het was. Bloedvuur, stommeling die ik ben. Ik vergat die man waar ik bijna op viel. Hij zag echter een andere schaduw bewegen, achter degene die op zijn pols stond en besloot dat het toch maar goed was dat hij de vechtstok niet had kunnen gebruiken.
Het was een zachte, tot de knie dichtgebonden laars die op zijn arm stond. Er kriebelde iets in zijn geheugen. Iers met een man die hij in de bergen had ontmoet. Hij nam de in het duister gehulde gestalte verder op en probeerde vorm en snit van zijn kleren te herkennen. Het leken allemaal schaduwkleuren, die zo goed in de duisternis opgingen dat hij ze amper kon zien. Zijn blik gleed langs een lang mes aan de zij van de kerel, verder omhoog tot de donkere sluier voor diens gezicht. Een gezicht met een zwarte sluier. Een zwarte sluier. Aiel! Bloedvuur, wat doen die vervloekte Aiel hier? Hij voelde een diep zwart gat waar zijn maag zat en herinnerde zich dat de Aiel zich sluierden als ze gingen doden.
‘Ja,’ hoorde hij een mannenstem. ‘Wij zijn Aiel.’ Mart schrok op, hij had niet beseft dat hij hardop had gepraat.
‘Je danst goed voor iemand die bij verrassing wordt overvallen,’ klonk de stem van een jonge vrouw. Hij meende dat het degene was die op zijn pols stond. ‘Misschien kan ik op een andere dag met je dansen, zoals het behoort.’
Hij wilde glimlachen – Als ze wil dansen, zullen ze me in ieder geval niet doden! - maar fronste toen. Hij meende zich te herinneren dat de Aiel daarmee soms iets anders bedoelden.
De speren werden teruggetrokken en handen trokken hem overeind. Hij schudde zich los en klopte zich af, alsof hij in een gelagkamer stond en niet op een nachtelijk dak met vier Aiel. Het was altijd beter een ander niet te laten merken dat je zenuwachtig was. De Aiel droegen aan hun zij zowel pijlkokers als messen, en op hun rug een boog in een hoes en nog meer van die korte speren. De lange punten staken boven hun schouders uit. Hij hoorde dat hij Ik zit op de bodem van de put neuriede en hield er gauw mee op.
‘Wat doe jij hier?’ hoorde hij een man vragen. Door de sluiers wist Mart niet precies wie er had gesproken. De stem klonk ouder, zeker, gewend om te bevelen. Hij meende dat hij de vrouw wel kon herkennen. Ze was de enige die kleiner was dan hij, al was het niet veel. De anderen staken een hoofd of meer boven hem uit. Vervloekte Aiel, dacht hij.
‘Wij hebben jou een korte tijd in het oog gehouden,’ vervolgde de oudere man, ‘en zagen dat je de Steen bekeek. Je hebt hem van alle kanten bestudeerd. Waarom?’
‘Datzelfde kan ik jullie vragen,’ zei een nieuwe stem. Mart was de enige die schrok toen een man met een ruimvallende kniebroek uit de schaduw stapte. De kerel leek geen schoenen te dragen om meer houvast op de pannen te hebben, ik had dieven verwacht, geen Aiel,’ vervolgde de man, ‘maar jullie hoeven niet te denken dat ik bang ben, omdat je met meer bent.’ Een dunne vechtstok die niet boven zijn hoofd uitstak, kwam zoemend en tollend tot leven, ik heet Juilin Sandar en ik ben een dievenvanger. Ik wil weten waarom jullie op de daken naar de Steen staan te loeren.’