De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Mart schrok op en tuurde de gang door, waar een man net een zijgang inschoot. Bloedvuur, als ik niet wist dat het onmogelijk is, zou ik zweren dat het Rhand was!
‘Sandar, vind je...’ begon hij, terwijl hij de stok over zijn schouder sloeg, maar zweeg toen die iets raakte.
Hij tolde rond en zag zichzelf tegenover een andere half geklede hoogheer staan. Zijn zwaard lag op de vloer, en hij stond daar met knikkende knieën, met beide handen tegen het hoofd op de plaats waar Marts vechtstok zijn kruin had getroffen. Haastig gaf Mart hem met de onderkant een stevige por in zijn buik, waardoor hij met zijn handen steun moest zoeken, en een tweede doffe klap op het hoofd, waardoor hij in een hoopje boven op zijn zwaard stortte. ‘Geluk, Sandar,’ mompelde hij. ‘Tegen bloedgeluk kun je niet op. Nou, waarom zoek je die bijzondere bloedtrap niet die de hoogheren bij de kerkers brengt?’ Sandar had volgehouden dat er zo’n trap was en dat ze daardoor het grootste deel van de Steen konden vermijden. Mart bedacht dat hij niets moest hebben van mannen die zo dol waren op martelen dat ze eigen gangen en trappen hadden om snel van hun vertrekken bij de kerkers te kunnen komen.
‘Wees maar blij met zoveel geluk,’ zei Sandar beverig, ‘want anders had deze hier ons ongezien gedood. Ik weet dat die deur hier ergens is. Kom je mee? Of wil je wachten tot de volgende hoogheer komt opdagen?’
‘Ga maar voor.’ Mart stapte over de bewusteloze hoogheer heen. ‘Ik ben geen bloedheld.’
Hollend volgde hij de dievenvanger, die tijdens het rennen naar de gesloten deuren keek, al mompelend dat hij wist dat het hier ergens was.
55
Wat geschreven staat in de Voorspellingen
Rhand stapte langzaam de ruimte binnen en liep tussen de hoge, glanzende roodstenen zuilen door die hij zich uit zijn dromen herinnerde. Stilte hing tussen de schaduwen, maar toch riep iets hem naderbij. Verderop flitste licht, een kort licht dat zwarte schaduwen naar hem wierp, een baken. Hij stapte tussen de kolommen uit en stond onder een hoge koepel. Daar zag hij wat hij zocht. Callandor, dat met het gevest omlaag midden in de lucht hing, wachtend op één hand, die van de Herrezen Draak. Langzaam draaiend brak het wapen het weinige licht in splinters en zo nu en dan flitste het op, alsof het zelf een lichtbron was. Hem roepend. Op hem wachtend.
Als ik de Herrezen Draak ben. Als ik niet alleen maar een of andere half waanzinnige man ben die vervloekt is doordat hij kan geleiden, een pop aan de touwtjes van Moiraine en de Witte Toren. ‘Neem het, Lews Therin. Neem het, Verwantslachter.’ Hij wervelde rond om te zien wie daar sprak. Uit de schaduwen tussen de zuilen trad een lange man met kortgeknipt wit haar die hem bekend voorkwam. Rhand had geen idee wie hij was, deze kerel in een roodzijden jas met zwarte stroken langs de lange pofmouwen en een zwarte kniebroek die in prachtig bewerkte laarzen met zilverbeslag was gestoken. Hij kende de man niet, maar hij had hem in zijn dromen gezien. ‘Je hebt ze in een kooi gestopt,’ zei hij. ‘Egwene, Elayne en Nynaeve. In mijn dromen. Je bleef ze maar in een kooi stoppen en pijn doen.’
De man maakte een wegwerpgebaar. ‘Ze betekenen minder dan niets. Misschien zullen ze ooit wat betekenen als ze voldoende geoefend zijn, maar nu niet. Ik beken eerlijk verbaasd te zijn dat je zoveel om hen gaf dat ze nuttig voor mij waren. Maar je bent altijd al een dwaas geweest, altijd meteen klaar om je hart te volgen en niet de macht. Je bent te snel gekomen, Lews Therin. Nu zul je moeten doen waar je nog niet klaar voor bent, of je zult sterven. Sterven in de wetenschap dat je deze vrouwen om wie je geeft, in mijn hoede hebt achtergelaten.’ Hij leek ergens op te wachten, ergens op te rekenen, ik ben van plan ze te gebruiken, Verwantslachter. Ze zullen me dienen, mijn macht dienen. En dat zal hun veel meer pijn doen dan alles wat ze voordien hebben geleden.’
Achter Rhand flitste Callandor op, hij voelde een warme golf tegen zijn rug. ‘Wie ben jij?’
‘Je herinnert je mij niet meer, hè?’ Opeens lachte de witharige man. ‘Ik herinner me jou ook niet op deze manier. Een boerenknul met een fluitkist op zijn rug. Heeft Ishamael de waarheid verteld? Hij schrok nooit terug voor een leugen als hij daarmee een duim of een tel kon winnen. Herinner jij je niets meer, Lews Therin?’
‘Een naam,’ eiste Rhand. ‘Ik wil een naam weten.’
‘Noem me Be’lal.’ De Verzaker keek lelijk toen Rhand er niet op reageerde. ‘Neem het!’ snauwde Be’lal, naar het zwaard achter Rhand wijzend. ‘Eens reden we naast elkaar ten strijde en daarom geef ik je deze kans. Een kleine kans, maar de kans om jezelf te redden, de kans om die drie te redden die ik als speelgoed wil gebruiken. Neem het zwaard, boerenpummel. Misschien zal het voldoende hulp voor je betekenen om mij te overleven.’
Rhand lachte. ‘Denk je echt dat je mij zo gemakkelijk bang kunt maken, Verzaker? Ba’alzamon zelf heeft op mij gejaagd. Denk je dat ik nu voor jou zal buigen? Kruipen voor een Verzaker, wanneer ik de Duistere zelf het hoofd heb geboden?’
‘Is dat wat je denkt?’ zei Be’lal zachtjes. ‘Waarlijk, je weet niets.’ Opeens lag er een zwaard in zijn handen, een zwaard met een kling die uit zwart vuur leek gesmeed. ‘Neem het! Neem Callandor! Drieduizend jaar lang, al die tijd dat ik gekerkerd was, heeft hij hier gewacht. Op jou. Een van de machtigste sa’angrealen die we ooit hebben gemaakt. Neem het en verdedig jezelf. Als je dat kunt!’ Hij liep op Rhand af, alsof hij hem achteruit wilde drijven, naar Callandor, maar Rhand hief zijn handen op – saidin vervulde hem, de zoet ruisende stroom van de Kracht, de maagkramp brengende smerigheid van de smet – en hij hield een zwaard vast, gemaakt van rode vlammen, een zwaard met een reigerteken op het wrede metaal. Hij stapte de vormen in die Lan hem had geleerd, tot hij van de ene in de andere vloeide, als in een dans. Scheiden van zijde. Water van de heuvel. Wind en regen. De kling van zwart vuur sloeg op de rode kling, in een fontein van vonken, met een gebrul als van verbrijzelend witheet metaal.
Rhand gleed soepel terug in zijn uitgangspositie en probeerde zijn plotselinge onzekerheid te verbergen. Op het zwarte blad stond ook een reiger, een vogel die zo donker was dat hij amper te zien was. Hij had eens tegenover een man met een reigerzwaard gestaan en dat had hij amper overleefd. Hij wist dat hijzelf eigenlijk geen aanspraak mocht maken op het teken van een zwaardmeester. De reiger had op het zwaard van zijn vader gestaan en als hij aan een zwaard in zijn handen dacht, dacht hij aan dat zwaard. Eens had hij de dood omarmd, zoals de zwaardhand hem geleerd had, maar hij wist dat die vorm nu dodelijk zou zijn. Be’lal was beter op het zwaard dan hij. Sterker. Sneller. Een ware zwaardmeester.
De Verzaker lachte vermaakt en liet zijn wapen sierlijke kringen trekken naar beide zijden. Het zwarte vuur bulderde alsof het snelle rondzwiepen het feller maakte. ‘Eens was je een betere zwaardvechter, Lews Therin,’ zei hij spottend. ‘Herinner jij je nog dat wij de tamme sport opnamen die zwaardvechten werd genoemd? Hoe we leerden ermee te doden, zoals de oude boeken vertelden dat mannen dat ooit gedaan hadden? Herinner jij je ook maar een van die wanhopige veldslagen, ook maar een van onze verpletterende nederlagen? Natuurlijk niet. Je herinnert je helemaal niets, hè? Ditmaal heb je niet genoeg geleerd. Ditmaal, Lews Therin, ga ik je doden.’ Be’lals spot werd feller. ‘Misschien kun je je leven een beetje verlengen door Callandor te grijpen. Een heel klein beetje.’
Hij kwam langzaam naderbij, bijna alsof hij Rhand de tijd gunde om zich om te draaien en naar Callandor te hollen, naar het Zwaard dat niet aangeraakt kan worden, en het te grijpen. Maar nog steeds overheerste bij Rhand de twijfel. Callandor kon alleen door de Herrezen Draak worden aangeraakt. Hij had toegestaan dat anderen hem zo noemden, om honderden redenen waardoor hij destijds geen andere keus had. Maar was hij echt de Herrezen Draak? Als hij erheen rende om Callandor echt aan te raken, en niet in een droom, zou zijn hand dan op een onzichtbare muur stuiten terwijl Be’lal hem van achteren neersloeg?