Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 166 167 168 169 170 171 172 173 174 ... 178
Перейти на страницу:

Egwene schaamde zich even. Niet voor wat ze Joiya aandeed – de vrouw verdiende elke klap, zo niet voor haar eigen afranseling, dan wel voor de doden in de Toren – maar omdat ze tijd nam voor haar eigen wraak, terwijl Nynaeve en Elayne in een cel tegen alle verwachting in hoopten dat ze misschien in staat was hen te redden. Ze voltooide de stromen van haar weefsel en verknoopte ze voor ze wist wat ze deed en bleef haar werk toen even bekijken. Drie afzonderlijke weefsels en toch kostte het haar geen enkele moeite om ze tegelijk in stand te houden. Bovendien had ze er tevens voor gezorgd dat ze zichzelf in stand hielden. Ze meende het ook te kunnen onthouden. Het zou nuttig kunnen zijn.

Een ogenblik later maakte ze een van haar webben los en de Duistervriend snikte even hard van opluchting als van pijn. ‘Ik ben niet zoals jij,’ zei Egwene. ‘Dit is de tweede keer dat ik zoiets doe en ik vind het afschuwelijk. Ik zal moeten leren hoe ik iemand de hals kan afsnijden.’ Aan het gezicht van de Zwarte zuster te zien meende die dat Egwene met haar wilde beginnen.

Egwene walgde van haar en liet haar daar achter, gevangen en afgeschermd. Toen haastte ze zich het woud van glanzende roodstenen zuilen in. Ergens moest er een weg naar de cellen beneden zijn.

De stenen gang verviel tot stilte toen de laatste stervenskreet werd gesmoord doordat de kaken van Jonge Stier zich om de keel van de tweepoot sloten en die vermorzelden. Het bloed smaakte bitter op zijn tong. Hij wist dat dit de Steen van Tyr was, hoewel hij niet kon zeggen hoe hij het wist. De tweepoten om hem heen, de een nog stuiptrekkend met Springers tanden in zijn keel, droeg de ranzige geur van angst mee, terwijl ze vochten. Hun geur rook naar verwarring. Hij dacht dat ze niet wisten waar ze waren. Ze hoorden zeker niet in de wolfsdroom thuis, maar ze waren daar geplaatst om hem weg te houden van die grote deur voor hem, met het ijzeren slot. Op z’n minst om de toegang te bewaken. Ze leken te schrikken van de wolven. Hij meende dat ze al vanaf het begin bang van deze plek waren.

Hij veegde zijn mond af en staarde toen even niet begrijpend naar zijn hand. Hij was weer een mens. Hij was Perijn. Terug in zijn eigen lichaam, met de smidsvoorschoot en de zware hamer aan zijn zij. We moeten opschieten. Jonge Stier. Er is slechtheid nabij. Perijn trok de hamer uit zijn riem terwijl hij naar de deur beende. ‘Faile moet hier zijn.’ Met een felle klap brak hij het slot. Hij schopte de deur open.

De kamer was leeg, afgezien van een lang stenen blok in het midden van de vloer. Op dat blok lag Faile alsof ze sliep, haar zware haren als een waaier rond haar hoofd, haat lichaam zo in kettingen gewikkeld dat hij pas een tel later besefte dat ze daaronder ongekleed was. Iedere ketting zat met een dikke bout aan de steen vastgeklonken. Hij besefte amper dat hij de ruimte door stapte tot zijn handen haar gezicht aanraakten en hij met een vinger haar jukbeen streelde. Ze deed haar ogen open en glimlachte hem toe. ‘Ik bleef dromen dat je zou komen, smidje.’

‘Ik heb je zo vrij, Faile.’ Hij hief de hamer en sloeg een van de bouten stuk alsof die van hout was. ‘Daar was ik zeker van. Perijn.’

Toen zijn naam haar tong verliet, verdween ze uit de ruimte. Rinkelend vielen de kettingen neer op het lege steenblok. ‘Nee!’ riep hij. ‘Ik had haar gevonden.’

De droom is niet als de wereld van het vlees, Jonge Stier. Hier kan de jacht op vele manieren aflopen.

Hij draaide zich niet om voor een blik op Springer. Hij wist dat zijn tanden in een snauw waren ontbloot. Opnieuw hief hij de hamer en liet die uit alle macht op de schakels neerkomen die Faile hadden geketend. Het stenen blok barstte door zijn klap doormidden en de Steen zelf galmde als een klok. ‘Dan ga ik verder met de jacht,’ gromde hij.

Met de hamer in de hand beende Perijn met Springer naast zich de kamer uit. De Steen was een plek van mensen. En mensen, wist hij, waren wredere jagers dan wolven ooit zouden zijn.

Ergens boven hem stuurden noodgongen trillende geluiden de gang door, maar ze overstemden niet geheel het lawaai van kletterende wapens en schreeuwende strijders. Aiel en Verdedigers, vermoedde Mart. Hoge gouden standaarden, elk met vier gouden lampen, stonden langs de zaalmuren. Mart zag ook zijden wandkleden van veldslagen aan de glanzende stenen muren hangen. Er lagen zelfs zijden tapijten op de vloer, donkerrood op donkerblauw, geweven in een Tyreens maas. Deze keer had Mart het te druk om de prijs van al dat moois te schatten.

Die bloedvent is goed, dacht hij, terwijl hij erin slaagde een zwaard opzij te vegen dat op hem afschoot; met het andere eind van de vechtstok had hij het hoofd van de man willen treffen, maar voor hij dat kon doen, moest hij alweer dat flitsende wapen weren. Ik vraag me af of dit een van die vervloekte hoogheren is. Het lukte hem bijna een stevige klap tegen de knieën te geven, maar zijn tegenstander sprong achteruit en hield zijn rechte zwaard alweer verdedigend voor zich. De man met de blauwe ogen droeg inderdaad zo’n jas met pofmouwen, geel met stroken van goudband. Alles hing echter open, zijn hemd zat maar half in zijn broek en hij liep op blote voeten. Zijn kortgeknipte, donkere haar zat in de war alsof de man haastig wakker was geworden, maar zijn vechtkunst was er niet minder door. Hij was zojuist uit een van die hoge, rijk bewerkte deuren van deze zaal gekomen met een ontbloot zwaard in de hand, en Mart kon er slechts dankbaar om zijn, dat deze kerel voor hem was verschenen en niet achter hem. Het was niet de eerste met die kleding die Mart had aangevallen, maar hij was zeker de beste.

‘Kun je langs mij komen, dievenvanger?’ riep Mart, terwijl hij zijn tegenstander goed in het oog hield, die het wapen klaar hield om toe te slaan. Sandar had telkens lopen zeuren dat hij een ‘dievenvanger’ was en geen ‘dievenpakker’, maar Mart zag het verschil niet. ‘Kan ik niet,’ riep Sandar achter hem. ‘Als je je verplaatst om mij erlangs te laten, verlies je ruimte voor je staf en dan zal hij je spietsen als een knorvis.’

Als een wat!? ‘Nou goed, bedenk iets, Tyrener. Deze schooier werkt op mijn zenuwen.’

De man met de goudstrepen op zijn jas snauwde: ‘Je zult de eer ten deel vallen, boer, om te sterven door het wapen van hoogheer Darlin, als ik je die gunst wil verlenen.’ Het was de eerste keer dat de man zich verwaardigde iets te zeggen. ‘Maar ik denk dat ik jullie liever aan je voetzolen laat ophangen, waarna ik zal toekijken hoe je huid reep voor reep van je lijf wordt getrokken...’

‘Dat lijkt me niks,’ merkte Mart op.

Het gezicht van de hoogheer werd rood van verontwaardiging, dat iemand hem onderbrak, maar Mart gunde hem geen tijd voor woedende opmerkingen. Terwijl hij zijn vechtstok in zo’n strakke dubbele lus rond liet wervelen dat de uiteinden wazig werden, sprong hij naar voren. Darlin kon alleen maar grauwen terwijl hij zich de stok van het lijf hield. Mart besefte dat hij dit niet lang kon volhouden en dat hij dan weer terug zou zijn bij stoot en tegenstoot. Als hij geluk had. Maar hij wilde ditmaal niet op zijn geluk rekenen. Toen de hoogheer een ogenblik later een nieuwe verdedigende positie innam, veranderde Mart zijn aanval halverwege in een halve tolling. De punt die Darlin bij zijn hoofd had verwacht, dook omlaag en sloeg zijn benen onder hem uit. Terwijl hij viel, sloeg het andere eind van de stok scherp en fel tegen zijn hoofd, waardoor zijn ogen nietsziend omhoog rolden. Hijgend leunde Mart op zijn stok bij de bewusteloze hoogheer. Bloedvuur, als ik er zo nog een of twee moet bevechten, val ik bloedzeker om van uitputting! De verhalen hebben het er nooit over dat heldenspelletjes zulk hard werk is! Nynaeve weet ook altijd manieren te vinden om mij aan het werk te zetten.

Sandar kwam naast hem staan en keek met opgetrokken wenkbrauwen neer op de gevallen hoogheer. ‘Als je hem zo ziet liggen, ziet hij er niet machtig uit,’ zei hij vol verbazing. ‘Hij lijkt niet veel groter dan ik.’

1 ... 166 167 168 169 170 171 172 173 174 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)