De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Ik was verrast, herbergier,’ zei ze zachtjes. ‘Ga weg! En als u hierover één woord durft te fluisteren, al is het in uw slaap, zal ik uw herberg persoonlijk afbreken, steen voor steen, en alleen een kuil in de grond achterlaten.’
‘J-ja, vrouwe,’ fluisterde hij. ‘Ik zweer het! O, ik zweer het echt!’
‘Verdwijn!’
De herbergier viel bijna op zijn knieën door zijn haast om bij de trap te komen. Hij daverde naar beneden met geluiden die aanduidden dat hij meer viel dan stapte.
‘Hij weet dat ik hier ben,’ zei Moiraine tegen de zwaardhand, ‘en hij heeft iemand van de Zwarte Ajah gevonden om zijn val te zetten, maar misschien denkt hij toch dat ik erin zit. Het was maar een kleine flits van de Ene Kracht, maar misschien is hij zo sterk dat hij het gevoeld heeft.’
‘Dan zal hij ons niet verwachten,’ zei Lan kalm. Hij glimlachte bijna. Perijn staarde hen beiden met opgetrokken lippen aan. ‘En hoe zit het met haar?’ wilde hij weten. ‘Wat hebben ze met haar gedaan, Moiraine? Leeft ze nog? Ik kan haar niet zien ademhalen!’
‘Ze leeft,’ zei Moiraine langzaam. ‘Ik kan niet, ik durf niet vlak bij haar te komen, zodat ik je niet veel meer kan zeggen, maar ze is nog in leven. Ze... slaapt, in zekere zin. Zoals een beer in winterslaap. Haar hart klopt zo traag dat je het haast niet kunt voelen. Hetzelfde geldt voor haar ademhaling. Ze slaapt.’ Ondanks de diepe kap voelde hij haar ogen op zich rusten. ‘Ik vrees dat ze daar niet is, Perijn. Niet meer in haar lichaam.’
‘Wat bedoel je daarmee, “niet meer in haar lichaam”? Licht, je bedoelt toch niet dat ze haar... ziel hebben gestolen? Zoals een grijzel?’ Moiraine schudde ontkennend haar hoofd en hij haalde opgelucht adem. Zijn borst deed pijn, alsof hij sinds haar laatste woorden geen adem meer had gehaald. ‘Waar is ze dan, Moiraine?’
‘Ik weet het niet,’ zei ze. ‘Ik heb een vermoeden, maar zeker weten doe ik het niet.’
‘Een vermoeden, een aanwijzing, wat dan ook! Bloedvuur, waar?’ Lan bewoog vanwege zijn onbeschaamde gedrag, maar Perijn wist dat hij zou proberen de zwaardhand als ijzer onder een zethamer te breken als de man aanstalten maakte om hem tegen te houden. ‘Waar?’ ik weet heel weinig, Perijn.’ Moiraines stem klonk als koude, ongevoelige muziek, ik weet maar weinig van wat een egelbeeldje met Geest verbindt. Het beeldje is een ter’angreaal die voor het laatst is bestudeerd door Corianin Nedeal, de laatste Droomster van de Toren. Het Talent dat Dromen wordt genoemd, is iets van Geest, Perijn. Het is niet iets dat ik ooit bestudeerd heb; mijn Talenten bestrijken andere gebieden. Ik geloof dat Zarine in een droom gevangenzit, misschien zelfs in de Wereld der Dromen, Tel’aran’rhiod. Haar hele zelf zit in die droom. Een Dromer stuurt slechts een gedeelte van zichzelf. Als Zarine niet gauw terugkeert, zal haar lichaam sterven. Wellicht leeft ze dan voort in de droom. Ik weet het niet.’
‘Er is te veel wat je niet weet,’ mopperde Perijn. Hij tuurde de kamer in en wilde huilen. Zarine leek zo klein, zoals ze daar lag, zo hulpeloos. Faile, ik zweer je dat ik je voortaan altijd en overal Faile zal noemen. ‘Waarom doe je niks?’
‘Alhoewel de val is dichtgeklapt, Perijn, vangt hij nog steeds iedereen die deze kamer binnenstapt. Ik zou niet eens bij haar kunnen komen zonder zelf in de val te raken. En ik heb vanavond dingen te doen.’
‘Bloedvuur, Aes Sedai! Bloedvuur voor je dingen! Die Wereld der Dromen! Is het net zoiets als de wolfsdromen? Je zei dat die Droomsters soms wolven zagen.’ ik heb je verteld wat ik weet,’ zei ze scherp. ‘Voor jou is het de hoogste tijd om te vertrekken. Lan en ik moeten naar de Steen. We kunnen niet langer wachten.’
‘Nee.’ Hij zei het kalm, maar toen Moiraine haar mond opendeed, sprak hij harder. ‘Nee! Ik laat haar niet in de steek.’ De Aes Sedai haalde diep adem. ‘Mij best, Perijn.’ Haar stem was als ijs, kalm, glad. ‘Blijf, als je dat wilt. Misschien zul je de komende nacht overleven. Lan!’
Zij en de zwaardhand schreden de gang door naar hun kamers. Enkele tellen later keerden ze terug. Lan droeg zijn van kleur veranderende mantel en ze verdwenen zonder een woord te zeggen, de trap af. Hij staarde door de open deur naar Faile. Ik moet iets doen. Als het net zoiets als de wolfsdromen is...
‘Perijn,’ klonk de diepe rommelende stem van Loial. ‘Wat is er met Faile aan de hand?’ De Ogier kwam in zijn hemdsmouwen met grote passen door de gang aanstappen, met inkt aan zijn vingers en een pen in de hand. ‘Lan vertelde me dat ik moest vertrekken en toen zei hij iets over Faile in een val. Wat bedoelde hij?’
Afwezig vertelde Perijn hem wat Moiraine had gezegd. Het zou kunnen werken. Het zou kunnen. Het moet! Hij hoorde verbaasd hoe Loial gromde.
‘Nee! Perijn, dit is niet goed! Faile was zo vrij. Het is verkeerd haar in een val op te sluiten.’
Perijn keek op naar Loials gezicht en herinnerde zich opeens de oude verhalen die beweerden dat de Ogier onverzettelijke vijanden waren. Loials oren lagen plat langs de zijkant van zijn hoofd en zijn gezicht stond zo hard als een aambeeld.
‘Loial, ik wil proberen Faile te helpen. Maar zelf zal ik ondertussen hulpeloos zijn. Kun jij me rugdekking geven?’
Loial hief zijn enorme handen die boeken zo behoedzaam vast konden pakken en zijn dikke vingers kromden zich alsof ze steen wilden vermorzelen. ‘Zolang ik leef, zal er niemand langs me heen komen, Perijn. Nog geen Myrddraal, nog niet de Duistere zelf.’ Hij zei het of hij een simpel feit vaststelde.
Perijn knikte en keek opnieuw naar binnen. Het moet lukken. Het kan me niet schelen of Min me nou wel of niet voor haar waarschuwde! Met een grauw sprong hij naar Faile toe en strekte zijn hand uit. Voor hij wegzakte, meende hij nog net haar enkel te voelen.
Perijn wist niet of deze droom van de val nu wel of niet Tel’aran’rhiod was, maar hij kende hem als de wolfsdroom. Golvende grazige heuvels met hier en daar een bosje omringden hem. Aan de rand van de bomen zag hij herten zich verpozen en een kudde van een of ander steppedier snelde over het gras, net bruingestreepte herten, maar met lange rechte hoorns. De geuren in de wind vertelden hem dat ze goed voedsel vormden, en andere geuren spraken van meer goede prooien, overal om hem heen. Dit was de wolfsdroom.
Hij droeg de lange leren smidsvoorschoot die zijn armen bloot liet, besefte hij. Aan zijn zij hing iets zwaars. Hij bevoelde de riem van zijn bijl, maar aan de lus hing niet zijn strijdbijl. Zijn vingers gleden over de kop van een zware smidshamer. Het voelde goed aan. Springer dook voor hem op.
Opnieuw ben je gekomen, als een dwaas. De beelden waren die van een jonge wolf die zijn neus in een holle boomstam steekt om honing op te likken, ondanks de bijen die in zijn snuit en ogen steken. Het gevaar is groter dan ooit, Jonge Stier. Kwade dingen bevolken de droom. De broeders en zusters vermijden de steenbergen die tweepoten opstapelen en zijn bijna bang om naar elkaar te dromen. Je moet hier weg!
‘Nee,’ zei Perijn. ‘Faile is hier, ergens, in een val. Ik moet haar vinden, Springer. Dat moet ik.’ Hij voelde een beweging in zichzelf, een verandering. Hij keek omlaag naar zijn krullerige sterke poten. Hij was als wolf zelfs nog groter dan Springer.
Je bent bier te sterk aanwezig! Ieder beeld droeg geschoktheid over. Je zult sterven, Jonge Stier!
Als ik de valk niet bevrijd, maal ik daar niet om, broeder. Dan zullen we jagen, broeder.
Met de neus in de wind renden de twee wolven over de vlakte, op zoek naar de valk.
54
De Steen in
Een verstandige kerel begaf zich niet op de daken van Tyr, besloot Mart toen hij de maanschaduwen op het dak afzocht. Iets meer dan vijftig pas, de afstand van een brede straat of misschien een smal plein, scheidde de Steen van zijn pannendak dat zich twee verdiepingen boven de straatstenen bevond. Maar wanneer ben ik ooit verstandig geweest? Voor zover ik ze ontmoet heb, waren mensen die altijd maar verstandig doen, zo vervelend dat je al in slaap viel als je naar ze keek. Of dat daar beneden nu een plein of een straat was, Mart was er sinds zonsondergang helemaal omheen en rond de Steen gelopen. De enige plek waar dat niet had gekund, lag aan de rivier, waar de Erinin langs de voet van de burcht stroomde; de enige onderbreking van die diepte was de stadsmuur geweest. Die muur was slechts twee huizen verder. Tot dusver leek de bovenkant van die muur hem de beste weg naar de Steen, maar het was geen weg die hij graag koos. Hij pakte zijn vechtstok op en een klein blikje waaraan een hengsel van draad zat, en schoof behoedzaam naar een bakstenen schoorsteen die wat dichter bij de muur lag. De rol vuurwerk verschoof op zijn rug. Een paar uur eerder was het een pak met vuurwerk geweest maar hij had er in zijn kamer druk aan gewerkt. Het was nu echt een rol, zo strak mogelijk tegen elkaar gebonden, maar eigenlijk nog te groot om over donkere daken mee te nemen. Even eerder was door dat pak zijn voet weggegleden, waardoor er een dakpan omlaag was gekletterd. Een man die in de kamer eronder wakker was geworden, begon ‘dief’ te schreeuwen en Mart had hard weg moeten hollen. Hij schoof de bundel weer goed en hurkte neer in de schaduw van de schoorsteen. Even later zette hij het blik neer. Het hengsel begon akelig warm te worden.