De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Ik beloof u dat ik uw naam nooit tegen iemand zal noemen. Ik zweer het.’ En die eed houd ik, oude vrouw, als je me eindelijk vertelt waar in het Licht ze zijn! ‘Alstublieft! Ze verkeren in gevaar.’ Ze bleef hem lange tijd aankijken en voor ze klaar was, had Mart het gevoel dat ze hem kon uittekenen. ‘Als je dat zweert, zal ik het zeggen. Ik... mocht ze. Maar je kunt niets doen. Je bent te laat, Mart Cauton. Ongeveer drie uur te laat. Ze zijn naar de Steen gebracht. Hoogheer Samon heeft ze laten halen.’ Ze schudde haar hoofd in bezorgde verwondering. ‘Hij heeft... vrouwen gestuurd... die konden geleiden. Zelf heb ik niets tegen Aes Sedai, maar het is tegen de wet. De wet die de hoogheren zelf hebben uitgevaardigd. Al zouden ze elke andere wet schenden, deze wet zouden ze nooit breken. Waarom zou een hoogheer Aes Sedai sturen voor zijn boodschappen? Waarom wilde hij die meisjes trouwens?’
Mart barstte bijna in lachen uit. ‘Aes Sedai? Moeder Guenna, u joeg me bijna de stuipen op het lijf. Als ze door Aes Sedai zijn opgehaald, hoeven we ons geen zorgen te maken. Die drie worden zelf Aes Sedai. Niet dat ik dat nou geweldig vind, maar dat willen zij...’ Zijn grimas verdween door de wijze waarop ze haar hoofd schudde. ‘Jongen, die meisjes vochten als een leeuwvis in het net. Of ze nou Aes Sedai willen worden of niet, de vrouwen die hen meenamen, behandelden hen als lenswater. Vriendinnen slaan elkaar niet bont en blauw.’ Hij voelde hoe zijn gezicht vertrok. Aes Sedai die hen sloegen? Wat was er aan de hand, Licht nog-an-toe? Die vervloekte Steen. Daarmee vergeleken is het paleis in Caemlin een wandelingetje over een boerenerf! Bloedvuur! Ik heb daarbuiten in de regen naar dit huis staan staren! Bloedvuur, dat ik zo’n stomme Lichtverblinde dwaas ben geweest!
‘Als je je hand breekt,’ zei moeder Guenna, ‘zal ik hem spalken en er verband om leggen, maar als je mijn muur kapotmaakt, fileer ik je als een roodvis.’
Hij stond met z’n ogen te knipperen, keek toen naar zijn vuist, naar zijn geschaafde knokkels. Hij wist niet eens meer dat hij tegen de muur had staan stompen.
De brede vrouw pakte zijn hand stevig beet, maar haar aftastende vingers waren verrassend zacht. ‘Niets gebroken,’ bromde ze na een poosje. Haar ogen verzachtten zich toen ze hem recht aankeek. ‘Het lijkt me dat je veel om ze geeft. Om één tenminste, veronderstel ik. Het spijt me, Mart Cauton.’
‘Hoeft niet,’ zei hij tegen haar. ‘Ik weet nu tenminste waar ze zijn. Ik hoef ze er alleen nog maar uit te halen.’ Hij haalde zijn laatste twee Andoraanse goudkronen te voorschijn en drukte die in haar hand. ‘Voor Thoms drankje en zalf en omdat u me over de meisjes hebt verteld.’ Impulsief drukte hij snel een zoen op haar wang en grinnikte. ‘En die is voor mij.’
Geschrokken bevoelde ze haar wang en leek niet te weten of ze naar de munten zou kijken of naar hem. ‘Eruit halen, zeg je. Gewoon zomaar. Uit de Steen halen.’ Onverwachts porde ze hem tussen zijn ribben met een vinger die even hard was als een dikke tak. ‘Je doet me aan mijn man denken, Mart Cauton. Dat was ook zo’n koppige dwaas die lachend de stormen tartte. Ik begin bijna te denken dat het je nog zal lukken ook.’ Plotseling zag ze zijn bemodderde laarzen, blijkbaar voor het eerst. ‘Het kostte me zes maanden voor ik hem had geleerd om geen modder naar binnen te lopen. Als je die meisjes eruit kunt krijgen, zal het meisje op wie jij een oogje hebt, er een harde dobber aan hebben om jou te leren zo netjes te worden dat je naar binnen mag.’
‘U bent de enige vrouw die me dat kan bijbrengen,’ zei hij met een grijns, die nog breder werd toen ze hem fel aankeek. Ze eruit halen. Meer hoef ik niet te doen. Haal ze regelrecht uit de Steen van dit vervloekte Tyr. Thom hoestte weer. Hij kan zo de Steen niet in. Maar hoe hou ik hem tegen? ‘Moeder Guenna, mag ik mijn vriend hier laten? Ik denk dat hij te ziek is om terug te gaan naar de herberg.’
‘Wat!?’ blafte Thom. Hij probeerde zich uit de stoel omhoog te werken, maar hij hoestte zo hard dat hij nauwelijks iets kon zeggen, ik ben niet... Niks ervan, kerel! Jij denkt zeker... zomaar de Steen... binnen te lopen... alsof het de keuken... van je moeder is! Denk je nu echt... dat je... zonder mij... binnenkomt?’ Hij hing half tegen de rug van de stoel aan. Zijn blaffende hoest en gierende ademhaling voorkwamen dat hij opstond.
Moeder Guenna legde een hand op zijn schouder en duwde hem even gemakkelijk als een kind omlaag. De speelman keek haar geschrokken aan. ‘Ik zal voor hem zorgen, Mart Cauton,’ zei ze. ‘Nee!’ schreeuwde Thom. ‘Dit kun je... me niet aandoen! Je kunt me... niet hier achterlaten... bij die ouwe...’ Alleen de hand op zijn schouder voorkwam dat hij dubbelklapte.
Mart grijnsde de witharige man toe. ‘Het was me een genoegen je te kennen, Thom.’
Toen hij zich de straat op haastte, vroeg hij zich af waarom hij dat laatste had gezegd. Bloedvuur, hij gaat toch niet dood. Die vrouw zal hem in leven houden, al moet ze hem aan zijn snor schreeuwend en schoppend uit het graf sleuren. Tja, en wie zal mij in leven houden f Voor hem rees de Steen van Tyr hoog boven de stad uit, ontoegankelijk, een burcht die al honderden keren belegerd was, een steen waarop honderden legers hun tanden hadden gebroken. En hij moest er op de een of andere manier in zien te komen. En er weer met drie vrouwen uit vertrekken. Hoe dan ook.
Met een lach waarvan zelfs het versufte volk op straat opkeek, begaf hij zich op weg naar De Witte Maansikkel, zich niets aantrekkend van de modder of de vochtige hitte. Hij kon de dobbelstenen in zijn hoofd horen rammelen.
53
Een stroom van Geest
Perijn schudde in zijn jas de spieren los, terwijl hij in de avondschemer terugliep naar de Ster. Hij voelde zich heerlijk moe in zijn armen en schouders. Naast meer gebruikelijk werk had baas Ajala hem een groot stuk siersmeedwerk laten maken vol ingewikkelde bochten en krullen, voor de nieuwe poort van de een of andere heer. Hij had ervan genoten zoiets moois te maken.
‘Ik dacht dat zijn ogen uit hun kassen zouden rollen, smidje, toen je zei dat je dat ding niet zou maken als het voor een hoogheer was bestemd.’
Hij keek opzij naar Zarine, die naast hem liep, terwijl de schaduw haar gezicht verborg. Zelfs voor zijn ogen waren er schaduwen, al waren ze zwakker dan ze voor een ander zouden zijn. Ze benadrukten haar hoge jukbeenderen, verzachtten de scherpe hoek van haar neus. Wat haar betrof, kwam hij er gewoon niet uit. Hoewel Moiraine en Lan hen op het hart hadden gedrukt in de buurt van de herberg te blijven, wilde hij maar dat ze andere bezigheden zou vinden dan naar zijn werk kijken. Om de een of andere reden werd hij onhandig als hij dacht aan die op hem gerichte schuinstaande ogen. Meermalen had hij onhandig met zijn hamer gezwaaid tot zelfs baas Ajala hem verbaasd had aangekeken. Meisjes konden hem altijd van zijn stuk brengen, vooral als ze lachten, maar Zarine hoefde niet eens te glimlachen. Alleen maar te kijken. Hij vroeg zich opnieuw af of zij die mooie vrouw was voor wie Min hem had gewaarschuwd. Beter dat zij de valk is. Die gedachte verbaasde hem zozeer dat hij struikelde.
‘Ik wilde niet dat een werkstuk van mij in handen van een Verzaker komt.’ Zijn ogen gloeiden als goud toen hij haar aankeek. ‘Als het voor een hoogheer is, weet je toch niet waar het belandt?’ Ze huiverde, ik wilde je niet bang maken, Fai..., Zarine.’
Ze glimlachte breed en dacht ongetwijfeld dat hij haar niet kon zien.
‘Kijk uit dat je niet valt, boerenknul. Heb je ooit aan een baard gedacht?’
Het is al erg genoeg dat ze me altijd uitlacht, maar de helft van de tijd begrijp ik haar niet eens!
Toen ze bij de deur van de herberg kwamen, werden ze opgewacht door Moiraine en Lan, die van de andere kant kwamen. Moiraine droeg de linnen mantel met de brede, diepe kap die haar gezicht verborg. Het licht uit de vensters van de gelagkamer maakte gele cirkels op de straatstenen. Twee of drie koetsen ratelden langs en hij zag hoogstens een tiental mensen dat zich naar huis, naar hun warme eten haastte, maar voor het overgrote deel was de straat bevolkt met schaduwen. De werkplaats van de wever was donker en dicht. De stilte was oorverdovend.